Recensie

Recensie Muziek

Sommige rocksterren op leeftijd kunnen geen kwaad meer doen. Hoe zit dat met Neil Young?

Nieuw album en jubileumuitgave Neil Young (77) bracht alweer een album uit. In de finale van zijn loopbaan is hij druk bezig een mausoleum in te richten voor zijn muziek.

Neil Young in 2016 op het Roskilde Festival in Denmarken
Neil Young in 2016 op het Roskilde Festival in Denmarken Foto NILS MEILVANG?EPA

Het blijft opmerkelijk, hoe sommige rocksterren op leeftijd geen kwaad meer kunnen doen. Van burgerschrik of onsmakelijke rebellen zijn ze nieuwe heiligen geworden van de moderne cultuur, die maar doorgaan. Voorop Mick Jagger (79), die na een halve eeuw nog steeds zijn jonge zelf naspeelt. Maar er is ook veteraan Bob Dylan (81), die zich niet herhaalt maar juist op een magistrale manier zichzelf opnieuw heeft uitgevonden.

Ergens tussen die twee uitersten van nostalgisch hergebruik en artistieke vernieuwing vinden we Neil Young (77). De van oorsprong Canadese zanger, inmiddels Amerikaan, blijft bezig nieuwe én oude albums uit te brengen. Meest recent verscheen zijn 42ste studio-album (en zijn vijftiende met de band Crazy Horse), World Record. Op de hielen gezeten door een luxe jubileumuitgave van zijn bekendste elpee, Harvest (1972), de plaat die hem lanceerde naar de massa-roem.

De ‘Kerst’-combinatie – een bij vlagen opgewonden nieuwe plaat met band en een verstilde klassieker – is treffend. Neil Young heeft altijd twee incarnaties gehad: de loner met gitaar en mondharp, en het elektrische rockbeest dat zich therapeutisch uitleeft op zes snaren. Tussen die twee uitersten is hij blijven slingeren, met als belangrijkste deugd zijn integriteit. Young heeft altijd op een compromisloze, bijna kinderlijke manier zijn eigen grillen en intuïtie gevolgd, zij het met allengs verminderende opbrengst.

Op World Record geeft hij zich opnieuw over aan zijn muze, die tegenwoordig in dienst staat van het klimaat en Moeder Aarde. Young is een overtuigd eco-activist die, zei hij laatst, niet meer op tournee wil langs zalen die voedsel betrekken uit de bio-industrie. Ook op dit album bezingt hij de bedreigde planeet. Het spelplezier van de man en zijn oude makkers van Crazy Horse, ooit getypeerd als „een roestige tractor”, is evident en zal volhardende Young-fans deugd doen.

Toch klinkt het album, het beste van Youngs drie achtereenvolgende met Crazy Horse sinds 2019, als een zoveelste herhaling van zetten. Met een mierzoete ballade (‘Love Earth’) en de onvermijdelijke langgerekte rocker (‘Chevrolet’, dat rond de vijftien minuten klokt). Lyrisch valt er aan het album opnieuw weinig te beleven, de stichtelijke teksten zijn van het kaliber the sky was blue, the air so clean/ the water crystal clear.

Tegen de wind in pissen

Nu staat Young al jaren bekend om zijn neiging spontaan alles uit te brengen wat zijn muze hem influistert, wat ooit nog werd afgeremd door zijn assertieve manager en producer, die het hem durfden te vertellen als hij „tegen de wind in stond te pissen”. Voor de productie van dit album tekende de Californische veteraan Rick Rubin, bekend van onder meer de Beastie Boys, AC/DC en Metallica. Dat werpt zijn vruchten af, zeker vergeleken met platen die Young zelf produceerde. Maar het kan de voorspelbaarheid van het materiaal niet verhullen.

Hoe erg is dat? Je wilt de 77-jarige zijn energie en onophoudelijke productie niet euvel duiden, nu de tijd begint te dringen. In de finale van zijn loopbaan is Young druk bezig een mausoleum in te richten voor zijn muziek.

In dat monument bezet Harvest, grijsgedraaid in talloze tienerkamers, een ereplaats. Voor Young werd dit album (met zijn enige nummer-1-hit, het clichématige maar onweerstaanbare ‘Heart Of Gold’) een waterscheiding. De plaat maakte hem een icoon van de vroege jaren zeventig. „Waar Dylan eens een soort God was, in ieder geval een hoger iets, is Neil Young de kameraad die een troostende hand op je schouder legt”, schreef Haagse Post-popjournalist Bert Janssen in 1975. Janssen, al langer een fan, vond Harvest overigens Youngs „meest wankele elpee” tot dan toe.

Dat wankele was juist de charme. Het hypnotiserende ritme van de trage nummers, de ijle steelgitaar, rake melodieën en Youngs onzekere, hoge zang – het paste allemaal als een handschoen op de tijdgeest. Net als het feit dat de altijd excentrieke Young de elpee deels zelf had opgenomen in een schuur op zijn boerderij in Noord-Californië. Het verhaal gaat dat hij zijn vriend Graham Nash op een bootje zijn privé-meer oproeide voor een stereo-voorproefje van het album, dat knalde uit speakers in zijn huis (links) en schuur (rechts). „Meer schuur!” moet Young zijn crew hebben toegeroepen.

Troost vond Young bij zichzelf niet. De 27-jarige superster reageerde allergisch op het succes. Door ‘Heart of Gold’, dat al snel supermarkt-muzak werd, belandde hij „in de middle of the road”, klaagde hij later. „Dat ging me snel vervelen, dus ik reed de greppel in. Een lastiger rit, maar ik zag er interessantere mensen.”

De commerciële druk van zijn platenmaatschappij en een reeks persoonlijke drama’s – een dreigende relatiebreuk, vrienden die sneefden door drank en drugs – hielpen ook niet. Een monstertournee langs sporthallen om het succes van Harvest te verzilveren, mondde uit in bittere, op alcohol gestookte ruzies.

Striemende rock

Youngs rit door de greppel leverde in hoog tempo albums op die geen instant-succes hadden maar die nu stuk voor stuk tot het hoogtepunt van zijn muzikale oeuvre worden gerekend. Een live-album (Time Fades Away) dat klinkt als een nerveuze oefening in proto-punk; een nachtelijke treurzang over de dope-scene in Hollywood (Tonight’s the Night, geroemd als zijn meest indringende werk) en een verstild album dat voor de helft klinkt als een gefluisterd telefoontje naar een hulplijn (On the Beach). Pas met de striemende rock van Zuma (1975) hervond Young lol in het leven.

Vijftig jaar later klinkt Harvest nog even herfstig en hypnotiserend. Afgezien van de bombastische orkestratie van een enkel nummer, die veel luisteraars toen al in het verkeerde oor schoot. Als bonus bij de jubileum-box dienen drie niet eerder uitgebrachte nummers uit de schuur, een (van bootlegs bekend) BBC-optreden van Young uit 1971 en een homevideo over de totstandkoming van het album. De korrelige beelden uit de schuur lijken een intieme, proustiaanse oprisping uit een ver verleden.

Van het hippe kwintet dat daar op strobalen zit is alleen Young zelf nog in leven. Pianist Jack Nitzsche, sessie-drummer Kenny Buttrey, steel-gitarist Ben Keith en bassist Tim Drummond zijn allen al overleden en, in Youngs woorden, verdwenen vrienden die „hun sporen nalaten in geluid”.

En wat voor geluid. Het is een oneerlijke vergelijking, maar toch. World Record is op zijn best een energieke herinnering dat Young zelf nog springlevend is, maar vervaagt al snel bij de eerste, weemoedige harp-noten van Harvest. Of die ene, norse gitaarsolo in het sloom voortsjokkende nummer ‘Words’. Young zelf lijkt dat ook wel te beseffen. Zijn recentste Nederlandse concert, drie uur in de Ziggo Dome (2019), werd gedragen door een ruime keus uit zijn jarenzeventigwerk. Niet voor niets.

Lees ook: Neil Young tegen Joe Rogan: is Spotify een uitgever of een zoekmachine?