‘Ik heb geleefd met de dag, met de natuur’

Iedereen heeft verschillende identiteiten. Hoe worden we wie we zijn? Nardus Went woont sinds ruim een eeuw in zijn geboortehuis in Rockanje, op het eiland Voorne. „Gelukkig is m’n kop nog goed.”

Foto Gijsbert van Es
Foto Gijsbert van Es

„Ik woon nu 103 jaar op deze plek. Ik denk niet dat ik de 104 zal halen. Ik kom uit een gezin met drie jongens. Mijn broers, Cor en Jaap, waren een tweeling. Altijd zijn we op deze plek bij elkaar gebleven. Mijn vader overleed in 1951, mijn moeder in 1977, mijn broers in 2008 en 2009.

„Geen van ons drieën is ooit getrouwd geweest. Waarom niet? Tja, wat zal ik ervan zeggen? Het is er niet van gekomen.

„Ik was 20, mijn broers waren 25 jaar, toen de oorlog uitbrak. In de jaren ervoor was het crisistijd. Ik verdiende vijf gulden in de week, als schildersknecht. Mijn broers werkten met m’n vader op de tuinderij. We hadden geen geld om zelf een vrouw en een gezin te onderhouden. Misschien hadden we daardoor last van bindingsangst.

„Achteraf zeg ik: het was een arme tijd. In die tijd zelf besefte je dat niet. Iedereen leefde hier zo’n beetje zoals wij. Rijke mensen zag je amper.

„In de oorlog hielden wij ons koest. We waren bang dat we voor dwangarbeid naar Duitsland werden gestuurd. Dat is ons bespaard gebleven. Wel moesten we hier voor de Duitsers werken. Schuttersputten en tankgrachten graven, duinen gelijk spitten, als een muur tegen een Britse invasie. Zwaar werk? Ach, je was jong.

„Na de oorlog, vanaf de jaren vijftig, kreeg je die explosie van welvaart. Toen werd het leven anders, makkelijker. In 1955 kregen we hier waterleiding. Nee, geen douche. Eén kraan, in de keuken.

„Ik had een zwakke gezondheid. Mijn twee broers waren veel sterker dan ik. Schilderswerk was ongezond. Veel stof. Gemene verf, met lood en andere troep erin. Vaak heb ik wekenlang met hoge koorts op bed gelegen. Omstreeks m’n 45ste ben ik als klusjesman aan de slag gegaan.

„Een rijbewijs heb ik nooit gehaald. Mijn broers ook niet. Mijn vader heeft twee broers gehad, die allebei zijn omgekomen bij een motorongeluk. Vader zei altijd: ‘Motoren en auto’s – da’s niks voor ons; veel te gevaarlijk, daar beginnen we niet aan.’

„De fiets heeft me altijd gebracht waar ik naartoe wilde. In een stad had ik niks te zoeken. Met de tram, en later de bus, kon je van hier naar Rotterdam. Ik ben er zelden geweest.

„In de jaren veertig en vijftig heb ik aardig wat schilderijen gemaakt. Bij elkaar een stuk of dertig. Allemaal van plekken hier op het eiland. Als ik op een fietstocht iets aardigs tegenkwam, maakte ik een schetsje met potlood. Thuis werkte ik dat uit. Ter plekke buiten schilderen durfde ik niet. Ik liet me niet graag op m’n vingers kijken.

„Op de Ambachtschool heb ik tekenles gehad van Martien Middelhoek. Kunstkenners zegt die naam wel iets; hij was ooit een man van naam. Soms verkocht ik wel eens een schilderij. Veel bracht het niet op.

„Ik kreeg mooie reacties op m’n werk, maar zelf was ik niet gauw tevreden. Ik merkte dat ik toch wat opleiding tekort kwam. En ik schilderde niet vaak genoeg, en te langzaam om er echt bedreven in te raken.

„In feite heb ik het schilderen toen ingeruild voor fotograferen. Ik ben een buitenman. Er is zo ongelofelijk veel prachtigs te zien in de natuur. De duinen, het strand, de polders hier – ik heb er eindeloos rondgezworven. Met altijd m’n camera bij me.

„Ik maakte vooral dia’s. Daar heb ik nu wel een beetje spijt van. Naar foto’s grijp je makkelijker om ze nog eens te bekijken. Met een kennis verzorgde ik dia-voorstellingen, in de kerk, op bijeenkomsten van de plattelandsvrouwen. Ik heb er een hoop plezier aan beleefd.

„Vijftig jaar ben ik lid geweest van de plaatselijke afdeling van de vereniging Groei en Bloei. Dat heb ik altijd een geweldig leuke club gevonden, met allemaal mensen die van de planten en bloemen houden. Dankzij busreisjes van de vereniging heb ik alle bijzondere tuinen van Nederland gezien. De hortus in Groningen, de hortus in Utrecht, de tuinen van Mien Ruys in Dedemsvaart: noem ze maar op, ik ben er geweest.

Ik lees de krant, elke dag. Niet alles, maar verhalen over klimaatverandering, ja, die wel. Dat probleem is zo een-twee-drie nog niet opgelost.

„De laatste twee, drie jaar laat m’n lichaam me in de steek. Tuinieren lukt niet meer. Dat is ook een van mijn grote hobby’s geweest. We hebben hier een schitterende bloementuin gehad, toen we van de groenten langzaamaan zijn overgestapt op de sierteelt. Dat bracht ook een hoop gezelligheid, met mensen die langskwamen om planten te ruilen. We deden ook mee aan open-tuin-dagen die Groei en Bloei organiseerde.

„Gelukkig is m’n kop nog goed. Ik lees de krant, elke ochtend. M’n ogen zijn slecht, maar ik heb een apparaatje waarmee ik de letters groter kan maken. Ik lees niet alles, hoor. Verhalen over klimaatverandering, ja, die wel. Dat probleem is zo een-twee-drie nog niet opgelost.

„Soms voel ik me wel eenzaam. Zeker sinds m’n broers er niet meer zijn. Wij hebben altijd goed met elkaar samengeleefd. Natuurlijk was er weleens onenigheid. Dat is normaal, dat heb je in ieder huishouden. Maar alles bij elkaar hebben we samen een goed leven gehad.

„Ik was de zorgzame, hier in huis. Ik ging m’n moeder helpen, toen die ouder werd. Koken, de was doen, schoonmaken – dat werden mijn taken hier in huis. M’n broers hielpen wel mee, hoor. Ach, we waren helemaal op elkaar ingespeeld, het liep vanzelf zoals het liep.

„Ondanks alle ongemak ben ik het leven absoluut nog niet zat. Dat komt door de mensen om me heen. Ik krijg een hoop aanloop. Drie vrouwen komen een- of tweemaal in de week bij me buurten. Driemaal per dag komt er iemand van de thuishulp. Een man van 92 komt hier iedere zondagmiddag op visite. Verschillende mensen komen zomaar even aanwaaien.

„Iedereen brengt z’n verhalen mee. Ze vertellen wat ze gaan doen. Dat maakt me nieuwsgierig. De volgende keer hoor ik hoe het geweest is.

„Dat ik nu 103 jaar ben, houdt me niet zo bezig. Doodgaan zit ik ook niet echt mee. Er komt een moment dat het leven voorbij is. Ik zie wel wanneer dat komt. Ik heb geleefd met de dag, met de natuur, en met de seizoenen. En dat is me heel goed bevallen.”

Aanmeldingen: ditbenik@nrc.nl