Minister wil toezicht op informele scholen. Maar waar moet de inspectie naar kijken?

Informele scholen Het kabinet wil de onderwijsinspectie afsturen op informele scholen die ‘antidemocratisch’ zouden zijn. Maar wat dat precies inhoudt? Daar denkt het kabinet al zeven jaar over na.

In een schooltje in Veenendaal gaf Stichting Taubah islamles aan jonge kinderen. Kinderen leerden onder andere over de grote risico’s van het aanbidden van meerdere goden. Foto uit 2019.
In een schooltje in Veenendaal gaf Stichting Taubah islamles aan jonge kinderen. Kinderen leerden onder andere over de grote risico’s van het aanbidden van meerdere goden. Foto uit 2019. Foto Bram Petraeus

Het is, in theorie, een baanbrekend plan. Gaat de Inspectie van het Onderwijs straks ook toezien op organisaties buiten het onderwijs? Minister Dennis Wiersma (Onderwijs, VVD) wil dit mogelijk maken. De inspectie moet volgens hem ook organisaties gaan controleren die informele lessen aan kinderen verzorgen. Het zou betekenen dat tienduizenden Nederlandse organisaties – koranscholen, bijbelklasjes, culturele verenigingen – na een signaal over een misstand opeens inspecteurs over de vloer kunnen krijgen.

Maar dat is, nogmaals, de theorie. Want de brief die Wiersma vrijdag over zijn plannen aan de Tweede Kamer stuurde, eindigt met de mededeling dat een cruciale ‘randvoorwaarde’ nog ontbreekt. De minister weet namelijk nog niet precies waar informele scholen op gecontroleerd moeten worden. De bedoeling is dat ‘anti-integratief’ of ondemocratisch onderwijs wordt aangepakt – maar een definitie van wat dat inhoudt, is er nog niet.

En daar ontbreekt het al langer aan. Opeenvolgende kabinetten maken al zeven jaar plannen om antidemocratische groepen aan te pakken, zonder duidelijk te maken wat daaronder wordt verstaan. Het gaat in elk geval om gedrag dat niet strafbaar is, maar door de politiek wel als problematisch wordt gezien.

Misstanden

De plannen van de minister volgen op berichten over misstanden binnen het moskee-onderwijs. Inlichtingendienst AIVD waarschuwde in 2019 voor het naschoolse islamitische onderwijs, waar steeds meer „onverdraagzame en anti-democratische” boodschappen worden verkondigd. „Op de lange termijn kan dit de sociale cohesie onder druk zetten en daarmee de democratische rechtsorde ondergraven”, meldde de dienst in haar jaarverslag. Daarop volgde onderzoek van NRC en Nieuwsuur, over salafisten (fundamentalistische moslims) die op zeker vijftig plekken in Nederland onderwijs verzorgen. Op diverse plekken werd minderjarigen geleerd dat zij zich moeten afkeren van dit „ongelovige land” of werd gedoceerd over lijfstraffen binnen de islamitische wetgeving.

Lees het tweeluik van NRC en Nieuwsuur over koranscholen: Hier leren kinderen dat Nederland niet hun land is (2019)
Het schooltje in Veenendaal waar Stichting Taubah islamles gaf aan jonge kinderen. Foto uit 2019. Foto Bram Petraeus

Om te kunnen optreden tegen de „discriminatie, onverdraagzaamheid en isolationisme” waar het in dergelijke lessen om gaat, wil Wiersma de bevoegdheden van de Inspectie van het Onderwijs uitbreiden. Maar dan moet er dus nog wel een „scherpe juridische definitie van het probleem” zijn.

De zoektocht naar die definitie loopt al vanaf 2016. Dat jaar kondigde toenmalig minister Lodewijk Asscher (Sociale Zaken, PvdA) aan dat hij „problematisch gedrag” ging aanpakken. Hij liet een „normatief kader” opstellen. Daarin werden allerlei onverdraagzame praktijken opgesomd die volgens Asscher aangepakt moesten worden. Voorbeelden: het „buiten de deur houden van andersdenkenden”, het ontmoedigen om te gaan stemmen, „groepsdruk om een bepaalde interpretatie van een geloof aan te hangen” of „de gelijkheid van man en vrouw in eigen kring niet in de praktijk brengen”. Daarna ondernam het ministerie nog vele acties; zo kwam er een „taskforce problematisch gedrag” en kregen gemeenten een „afwegingskader” om dit gedrag te kunnen herkennen en aanpakken.

Maar in de praktijk gebeurde er weinig: burgemeesters die met zo’n ‘problematische’ moskee te maken kregen, ondervonden dat zij geen poot hebben om op te staan om er maatregelen tegen te treffen. Dit werd in 2019 nog eens onderstreept in een juridische verkenning door het ministerie van Sociale Zaken: zolang de overheid niet kraakhelder in de wet laat vastleggen wélk gedrag niet meer is toegestaan, kunnen er ook geen maatregelen tegen worden getroffen, stelde de verkenning. Burgers hebben namelijk het recht om te weten met welk gedrag zij in de problemen kunnen komen.

Mijnenveld

„Het is een hopeloze zoektocht”, verzucht terrorismeonderzoeker Jelle van Buuren van de Universiteit Leiden. Hij begrijpt wel waarom het kabinet grip wil krijgen op uitwassen binnen het informele onderwijs. „Je wil als overheid natuurlijk niet dat denkbeelden die haaks staan op uitgangspunten van de democratie structureel aan kinderen worden bijgebracht.” Maar volgens hem valt hier weinig tegen te doen, zolang deze denkbeelden niet strafbaar zijn. „Traditioneel zijn kerken en moskeeën vrije plekken in de samenleving, waar de staat zich niet in te mengen heeft. Ga je dat wel doen, dan kom je onherroepelijk in een mijnenveld terecht. Dat is de reden waarom de overheid al jaren probeert te definiëren wat problematisch gedrag is, maar daar nog geen stap verder mee is gekomen.” 

De Inspectie van het Onderwijs is zelf ook kritisch over de plannen van Wiersma. Behalve dat onduidelijk is op welk gedrag er moet worden toegezien, is het voor de inspectie ook nog de vraag wáár dit toezicht moet gaan plaatsvinden. „Wat is informeel onderwijs?”, vraagt de woordvoerder van de inspectie zich hardop af. „Het is een heel breed begrip, waar van alles onder valt. Wij vragen ons af of je dat wel kunt definiëren.”

Paul Zoontjens, emeritus hoogleraar onderwijsrecht aan de Tilburgse universiteit, ziet hetzelfde bezwaar. „Informeel onderwijs is ook de scouting, de breiclub of de schaatsclub. Het zijn alle plekken waar mensen elkaar onderricht geven. Volgens internationale verdragen is iedereen daar vrij in. De overheid heeft daar niets te zoeken, tenzij de openbare orde in het geding is.”

De landsadvocaat, die door Wiersma om advies is gevraagd, zegt dat een nieuwe wet die dit toezicht moet regelen, zou botsen met mensenrechten, zoals de vrijheid van meningsuiting. Dat vindt Zoontjes ook. Volgens de emeritus hoogleraar zijn de plannen ook schadelijk voor de inspectie zélf. „De overheid straalt hiermee uit dat iedereen maar goed moet opletten, want als er niet wordt gehandeld volgens de normen die de overheid belangrijk vindt, staat de inspectie straks voor de deur. Een volstrekt verkeerd signaal.”

Minister Wiersma is er nog niet over uit. Begin volgend jaar komt hij met een wetsvoorstel. Tot die tijd, schrijft hij in zijn Kamerbrief, gaat hij nadenken over de definitie van het probleem dat hij wil gaan aanpakken.