Ongemak en schaamte over de opmars van gratis promovendi

Beurs- en buitenpromovendi Promovendi die zonder salaris aan onderzoeken werken, zijn voor de Nederlandse universiteiten een verdienmodel geworden, zeggen critici. „De universiteit raakt uit balans.” 

Illustratie Gijs Kast

‘Ik zie mijn promotietraject als een verlenging van mijn opleiding”, vertelt buitenpromovendus Naomi Koning (26). Sinds maart 2020 onderzoekt de orthopedagoog het effect van de coronalockdowns op het mentale welbevinden van jongeren. Zonder dat ze daarvoor betaald wordt. Want de programmagroep forensische orthopedagogiek van de Universiteit van Amsterdam (UvA) had geen geld om haar in dienst te nemen.

„Ik ben erin gerold”, vertelt Koning. Toen ze bijna klaar was met haar master vroeg haar scriptiebegeleider Levi van Dam of ze wilde meewerken aan een onlineonderzoek naar corona. „Later is dat uitgebreid naar een promotietraject”, legt de buitenpromovendus (iemand die aan een universiteit promoveert zonder er in dienst te zijn) uit. „We hebben nog geprobeerd om hiervoor subsidie binnen te slepen bij NWO, maar onze aanvraag hoorde niet bij de 14 procent gehonoreerde projecten.”

Koning besloot haar onderzoek onbetaald voort te zetten en voorziet met een bijbaan in haar levensonderhoud. „Ik was al een eind op weg en vind het inhoudelijk interessant.” De eerste 2,5 jaar werkte ze achtereenvolgens als student-assistent, woonbegeleider en bij online supermarkt Picnic. Sinds augustus is ze twaalf uur in de week in dienst bij de UvA, bij een nieuw onderzoeksproject over veerkracht en dankbaarheid waarvoor haar begeleider wel een NWO-subsidie kreeg. „Ik verdien nu bijna twee keer zoveel als bij Picnic. Ik kan nu sparen.”

Het is een aanstelling voor vijf maanden. In die tijd probeert Koning de artikelen voor haar proefschrift af te ronden. Als het tegenzit, kan ze na afloop van het contract nog twee of drie maanden teren op het geld dat ze nu overhoudt. „Maar ik hoop dan op het punt te zitten dat ik kan gaan solliciteren naar een grotemensenbaan voor vier dagen in de week. Dan kan ik daarnaast mijn proefschrift afmaken.”

Tweedeling

Promovendi zijn de brandstof waarop het wetenschapssysteem draait. Dankzij hun arbeid behoren Nederlandse onderzoekers tot de productiefste ter wereld. Hoewel promovendi allemaal vergelijkbaar werk verrichten en hun proefschrift aan dezelfde eisen moet voldoen, is de helft van hen niet in dienst bij een universiteit. Zij financieren hun promotietraject bijvoorbeeld met een bijbaan of een buitenlandse beurs, of promoveren in de tijd van hun baas. Door de inzet van gratis promovendi besparen universiteiten in vier jaar tijd ongeveer 260.000 euro personeelskosten per promovendus (dit bedrag hanteert de NWO, gebaseerd op de cao en werkgeverslasten). Voor elk afgerond proefschrift ontvangen universiteiten een promotiepremie van 83.000 euro.

De gratis promovendi moeten vaak rondkomen van een krappe beurs of een klein salaris, terwijl hun collega’s die in dienst zijn bij de universiteit tussen de 2.541 en 3.247 euro bruto per maand verdienen en bovendien recht hebben op vakantiegeld en een eindejaarsuitkering. De tweedeling zorgt voor ongelijkheid, scheve ogen en frictie op werkvloer, blijkt uit gesprekken die NRC voerde met veertig betrokkenen, waaronder hoogleraren, promovendi, beleidsmedewerkers en leden van universiteitsraden.

De Chinese sociaal wetenschapper Jing Wang (30) kwam in 2018 naar Nijmegen met een PhD-beurs van de Chinese overheid. Begin volgend jaar promoveert ze bij de Radboud Universiteit op een vergelijkend onderzoek naar Chinese en westerse publicatiesystemen. Wang moet net als andere Chinese beurspromovendi rondkomen van 1.350 euro per maand. Dat lukt net dankzij de goedkope huisvesting waar de universiteit voor zorgde, maar de bijkomende onderzoekskosten zijn een probleem.

De 6.000 euro voor cursussen die promovendi verplicht moeten volgen kwam uit een potje dat wetenschapssocioloog Willem Halffman, haar begeleider bij het Nijmeegse Instituut voor Science in Society, wist aan te boren. Geld voor boeken, conferenties en reizen heeft ze niet. „Het was de bedoeling dat ik in het tweede jaar veldwerk in China zou doen, maar daar was geen budget voor. Daarom heb ik mijn onderzoek omgegooid en de interviews online gedaan.”

Wang voelt zich thuis op het instituut, maar heeft daarbuiten nauwelijks contacten. „Je voelt je als beurspromovendus niet gezien, soms zelfs een beetje buitengesloten.” Dat gevoel herkent Sandra Hasanefendic (35), docent science, business en innovation aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Zij promoveerde in 2018 bij de VU en ging daarna „uit persoonlijke frustratie” aan de slag als PhD-coördinator, een baan waarin ze verantwoordelijk was voor de werving van buitenlandse beurspromovendi. Ze zag het als kans om de positie van niet-betaalde promovendi te verbeteren.

De in Bosnië en Herzegovina geboren Hasanefendic deed een master in Portugal en kwam met een Portugese PhD-beurs naar Nederland. „Ik kwam hier met mijn eigen onderzoeksproject en eigen financiering en toch had ik een andere status dan promovendi die in dienst zijn. Dat was frustrerend”, vertelt ze. De promovendi in dienst kregen onkosten vergoed bij conferentiebezoeken, konden rekenen op een kerstpakket en gratis gebruikmaken van het sportcentrum. Zelf greep ze telkens mis.

Ook beurs- en buitenpromovendi bij andere universiteiten missen deze financiële voordelen en kleine blijken van waardering, blijkt uit de gevoerde gesprekken. Daarnaast is het lastig voor hen om contact te leggen met Nederlandse promovendi. Hasanefendic deelde een kamer met vier internationale PhD-studenten; de Nederlandse promovendi zaten op een andere kamer. „Misschien dachten ze dat we als internationals onderling meer aanspraak zouden hebben, maar het voelde alsof we werden buitengesloten.”

‘Ik hoop (…) dat ik kan gaan solliciteren naar een grotemensenbaan voor vier dagen in de week. Dan kan ik daarnaast mijn proefschrift afmaken’

Naomi Koning orthopedagoog, buitenpromovendus UvA

„Beurspromovendi doen vaak precies hetzelfde werk als andere promovendi maar krijgen meestal minder betaald en hebben altijd minder rechten. En het pijnlijke is dat de tweedeling vaak langs raciale scheidslijnen loopt”, reageert Rivke Jaffe, hoogleraar stadsgeografie bij de UvA. „Promovendi uit Europa of de VS hebben bijna allemaal een arbeidscontract, terwijl promovendi uit China, Indonesië of Chili met een beurs van 1.350 euro per maand naar Nederland komen. Ik weet dat veel promovendi al blij zijn dat ze onderzoek mogen doen, maar ik vind die ongelijke behandeling niet goed te praten.”

Het valt ook niet te rijmen met de houding die universiteiten innamen over het landelijke experiment met (Nederlandse en buitenlandse) promotiestudenten dat in 2016 begon, vindt Jaffe. Doel van het experiment was te onderzoeken of een systeem waarin promovendi een beurs krijgen in plaats van een salaris meer gepromoveerden oplevert. Het experiment stuitte al voor de start op felle tegenstand van betaalde promovendi en vakbonden die vonden dat promoveren werk is waar een salaris tegenover hoort te staan. Op de Rijksuniversiteit Groningen na, zagen universiteiten uiteindelijk af van deelname. Sinds 2016 zijn er 1.500 studentpromovendi begonnen in Groningen.

Hoewel de Groningse aanpak voor extra promovendi zorgde, zette minister van Onderwijs Robbert Dijkgraaf (D66) eind mei een punt achter het experiment. Uit de eindevaluatie bleek dat driekwart van de Groningse studentpromovendi het onterecht vindt dat hun inkomen lager is dan dat van reguliere promovendi, terwijl ze – op onderwijs geven na – hetzelfde werk doen. Daardoor voelen de studentpromovendi zich ondergewaardeerd en soms zelfs gediscrimineerd. „Het draagvlak voor promotieonderwijs is zeer broos en het voortzetten past niet bij mijn streven naar meer rust en ruimte in het wetenschapssysteem en een goede positie voor alle onderzoekers”, scheef Dijkgraaf in mei 2022 in zijn beleidsreactie. Over de positie van internationale beurspromovendi repte hij niet. „Nederlandse studentpromovendi vinden we ongewenst, terwijl bijna niemand moeite heeft met internationale beurspromovendi”, concludeert Jaffe.

18.000 gratis promovendi

Volgens Han van Krieken, rector magnificus van de Radboud Universiteit en voorzitter van het rectorencollege van de Nederlandse universiteiten, is er geen sprake van een tweedeling maar van verschillende categorieën promovendi. „Beurspromovendi doen niet hetzelfde werk. Ze kloppen met een beurs bij ons aan met de vraag of ze opgeleid kunnen worden tot zelfstandig onderzoeker. Daar zeggen wij geen nee tegen. Wij geven ze graag een kans om zich te ontwikkelen en op hoog niveau onderzoek te doen.”

Omdat beurs- en buitenpromovendi geen werknemer zijn maar ook geen student, was tot voor kort onbekend hoeveel onderzoekers er in Nederland aan een proefschrift werken zonder door een universiteit te worden betaald. In 2018 vroeg de Tweede Kamer de minister van Onderwijs om een overzicht van buitenpromovendi per universiteit en per wetenschapsgebied. Aanleiding waren onthullingen van het VPRO-radioprogramma Argos over de faculteit geesteswetenschappen van Tilburg University waar in zes jaar 135 buitenpromovendi een doctorstitel kregen. Het waren voornamelijk Amerikanen en Canadezen die in de VS een parttime PhD-programma volgden en alleen naar Tilburg kwamen om hun proefschrift te verdedigen. De minister kon de gegevens niet leveren omdat universiteiten buitenpromovendi niet eenduidig registreerden.

Begin dit jaar bracht de koepelorganisatie Universiteiten van Nederland voor het eerst cijfers naar buiten, die begin november zijn geactualiseerd. Hieruit blijkt dat er in 2022 ruim 37.000 promovendi in Nederland zijn, van wie de helft (51 procent) in dienst is bij een universiteit of universitair medisch centrum. Ruim 6.000 onderzoekers (17 procent) promoveren in de tijd van de baas, bijna 5.900 (16 procent) op eigen kosten en bijna 4.200 promovendi (11 procent) hebben een beurs. De overige promovendi (5 procent) zijn niet gecategoriseerd.

Wie de 18.000 gratis promovendi zijn, blijft onduidelijk. Universiteiten registreren niet uit welk land ze komen, hoe hoog hun beurs is of van welk salaris ze moeten rondkomen. Ook is niet bekend in welk wetenschapsgebied ze werken, hoelang zij over hun promotie doen en hoeveel gratis promovendi voortijdig afhaken.

‘Ik kwam hier met mijn eigen onderzoeksproject en eigen financiering en toch had ik een andere status dan promovendi die in dienst zijn. Dat was frustrerend’

Sandra Hasanefendic VU-docent science, business en innovation (ex-buitenpromovendus)

Nederland is een aantrekkelijke bestemming voor internationale promovendi met eigen financiering, blijkt uit de gevoerde gesprekken. Hoogleraren melden stuk voor stuk dat ze elke maand een paar mailtjes ontvangen van PhD-studenten die bij hen willen promoveren. De VS en Engeland zijn bij internationale PhD-studenten van oudsher het meest gewild, maar daar is de dissertatie het sluitstuk van een opleidingsprogramma dat al snel 10.000 of 20.000 euro per jaar kost. In Nederland daarentegen is promoveren bijna altijd gratis.

De Nederlandse promotie is bovendien veel toegankelijker dan de Angelsaksische PhD-programma’s. „In Nederland heb je alleen een hoogleraar nodig die als promotor wil optreden”, vertelt Pieter Slaman, onderwijshistoricus bij de Universiteit Leiden. „Daar is in 1815 bewust voor gekozen om onze promotie te democratiseren. Het biedt onderzoekers van buiten de universiteit de mogelijkheid om te promoveren. In Angelsaksische landen volg je een opleiding die een paar jaar duurt. Van buitenaf instromen en promoveren op je eigen onderzoek is daar niet mogelijk.”

Andersom is het voor hoogleraren aantrekkelijk om een promovendus te begeleiden die eigen financiering heeft. Elk voltooid proefschrift levert een promotiepremie op die dit jaar 83.268 euro bedraagt, blijkt uit data die het ministerie van Onderwijs dit voorjaar heeft vrijgegeven na een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur.

De promotiepremie is niet gerelateerd aan de kostprijs van het opleiden van een promovendus. Slaman: „Het is een vorm van prestatiebekostiging, een manier om het wetenschapsbudget te verdelen. Een buitenpromovendus is goedkoop, je hoeft geen salaris te betalen en strijkt wel de promotiepremie op. Het is dus voor beide partijen voordelig.”

Vijf jaar geleden werd de in 2009 ingevoerde vaste prijs per proefschrift losgelaten. Door de sterke toename van het aantal promoties werd een steeds groter deel van het landelijk onderzoeksbudget verdeeld op basis van het aantal proefschriften. Om te voorkomen dat het aantal promoties een overheersende rol zou gaan spelen in de financiering van het onderzoek, adviseerde een interdepartementale ambtelijke werkgroep in 2014 om maximaal 20 procent van onderzoeksbudget te reserveren voor promotiepremies. Door deze begrenzing is de prijs per proefschrift gedaald van 98.000 euro in 2016 naar 83.000 euro.

Hengelsessies

Nederlandse universiteiten sturen jaarlijks tientallen vertegenwoordigers naar internationale wervingsevenementen waar potentiële beurspromovendi gekoppeld worden aan hoogleraren van westerse universiteiten. „Hengelsessies” noemt Arnoud Lagendijk die evenementen spottend. De hoogleraar sociale geografie aan de Radboud Universiteit heeft daar in het verleden ook aan meegedaan. Het leverde zijn afdeling tien Chinese en acht Indonesische beurspromovendi op.

Het wervingsevenement in China is het grootste en het oudste. Om in aanmerking te komen voor één van de 9.500 beurzen die de Chinese overheid jaarlijks verstrekt, moeten Chinese studenten zijn toegelaten tot een promotietraject. Vorig jaar lieten 3.000 potentiële PhD-studenten hun cv en onderzoeksvoorstel achter in de hoop uitgenodigd te worden voor een speeddate met een Westerse hoogleraar. Nederlandse universiteiten bezoeken het Chinese evenement al sinds het begin in 2010, maar werven ook in andere landen waar de overheid beurzen beschikbaar stelt, zoals Brazilië, Indonesië, Vietnam, Colombia en Mexico.

Lagendijk heeft een rem gezet op het rekruteren van internationale beurspromovendi. „Eerlijk gezegd staat tegenover elk mooi proefschrift een proefschrift dat maar net aan de maat is. De kwaliteit is gewoon te wisselend.”

Een extra probleem is dat Chinese en Indonesische promovendi moeilijk zijn in te zetten in het onderwijs, terwijl betaalde promovendi ook steeds minder lesgeven. „Toen ik promoveerde besteedden promovendi een kwart van hun tijd aan onderwijs, nu is dat nog maar 5 procent”, stelt de Nijmeegse hoogleraar.

„De universiteit raakt uit balans, het zwaartepunt verschuift van onderwijs naar onderzoek”, stelt Lagendijk. Het evenwicht herstellen is lastig. „We hebben te maken met een perverse prikkel in de vorm van de promotiepremie. Die stimuleert ons om te sturen op kwantiteit in plaats van kwaliteit.”

Jaarlijks verdeelt het ministerie van Onderwijs 400 miljoen euro via de premie en dat zorgt voor competitie tussen onderzoeksgroepen die allemaal een deel van het budget willen bemachtigen. Van de Nijmeegse rector Han van Krieken mag de promotiepremie morgen afgeschaft worden. „Ik zou het uitstekend vinden als promoties geen rol meer spelen bij de verdeling van het onderzoeksbudget en ik weet dat een aantal collega-bestuurders dat ook vindt.”

‘Je voelt je als beurspromovendus niet gezien, soms zelfs een beetje buitengesloten’

Jing Wang PhD-beurs Chinese overheid, beurspromovendus Radboud Universiteit

De aanwezigheid van duizenden promovendi die rond het bestaansminimum leven, zorgt voor ongemak en schaamte op de werkvloer. Als het in hun vermogen ligt, springen begeleiders financieel bij. Ze gaan op zoek naar potjes waaruit een conferentiebezoek of een onkostenvergoeding betaald kan worden, vragen hun promovendus regelmatig te eten, helpen ze aan een betaalbare huurwoning of bezorgen PhD-studenten met een ontoereikende beurs een kleine onderwijsbaan. Het zijn houtje-touwtjeoplossingen waar onbetaalde promovendi geen recht op hebben en die afhankelijk zijn van de goede wil van hun begeleiders. Pogingen om universiteitsbreed beleid te ontwikkelen zijn er wel, maar komen moeizaam van de grond.

„Het is onwenselijk dat er promovendi naar Nederland komen met te weinig geld om van te leven”, vindt rector Han van Krieken. „De beurs van 1.350 euro per maand die Chinese promovendi meekrijgen is gewoon te laag.” De Radboud Universiteit beloofde tweeënhalf jaar geleden al met beleid te komen om te lage beurzen aan te vullen maar is nog in gesprek met de lokale belastinginspecteur over de fiscale consequenties. „Als je geen afspraak hebt met de Belastingdienst wordt niet alleen de aanvulling maar ook de beurs gezien als inkomen en moet er over het totale bedrag belasting en premie worden betaald.”

De Universiteit van Amsterdam bereikte dit voorjaar overeenstemming met de plaatselijke belastinginspectie over het onbelast verstrekken van aanvullende beurzen. De Amsterdamse faculteiten vullen beurzen nu aan tot minimaal 1.500 euro per maand. Zo’n regeling zou in Nijmegen heel welkom zijn. „Probleem is dat we in Nederland één belastingstelsel hebben, maar dat inspecteurs daar heel verschillend mee omgaan”, constateert Van Krieken. De universiteiten dringen daarom aan op een landelijke regeling. De Tweede Kamer heeft in september een motie aangenomen die de regering verzoekt daar werk van te maken.

UvA-hoogleraar Rivke Jaffe zegt uit principe „nee” tegen de beurspromovendi die haar via de mail benaderen. „Ik probeer zelf voldoende geld binnen te slepen bij NWO en de Europese onderzoeksraad zodat ik promovendi kan aanstellen. Het is een zware competitie, maar daar laat ik me niet door tegenhouden. Ik blijf gewoon onderzoeksvoorstellen schrijven. Daarnaast begeleiden collega’s in mijn onderzoeksgroep promovendi die bij de gemeente Amsterdam, het Planbureau voor de Leefomgeving of het CBS werken. Zij krijgen van hun werkgever de mogelijkheid om binnen hun reguliere werktijd aan hun proefschrift te werken.”

„Toen ik zelf promoveerde was er in Leiden om het jaar een promotieplaats beschikbaar voor een antropoloog, nu promoveren er meerderen per jaar.” Het opleiden van zoveel promovendi kan volgens Jaffe tot diploma-inflatie leiden. „De promotiepremie was ooit bedoeld als prikkel om meer gepromoveerden op te leiden, maar dat is nu doorgeslagen. Wat ik me al een tijd afvraag: hoeveel promovendi zouden er overblijven als die financiële prikkel wordt afgeschaft?”

Dat universiteiten de mogelijkheid om buitenpromovendi op te leiden gebruiken om op grote schaal onbetaalde promovendi aan te trekken, vindt onderwijshistoricus Pieter Slaman kwalijk. „Het is niet verboden, maar wel moreel laakbaar omdat je het promotiesysteem ermee ondergraaft. Het grote voordeel van de buitenpromotie is dat het beroepsbeoefenaren de mogelijkheid biedt naast hun baan te promoveren. Dat levert vaak waardevolle proefschriften op omdat zij theoretische concepten toepassen in de beroepspraktijk. Als je duizenden PhD-studenten naar Nederland haalt, maak je geen functioneel gebruik van deze optie”, vindt Slaman.

Voor hoogleraren is het moeilijk om nee te zeggen als er een gratis promovendus aanklopt, erkent de onderwijshistoricus. „Er zitten goede studenten bij die heel graag willen promoveren. En het begeleiden van zo’n promovendus kost relatief weinig terwijl er wel een promotiepremie tegenover staat.” Slaman hoopt daarom dat de prestatiebekostiging op de schop gaat. „Het is een valse, gemene prikkel die hoogleraren voor morele dilemma’s plaatst en een praktijk heeft opgeleverd waar iedereen zich voor schaamt.”

Deze productie is mede mogelijk gemaakt door een bijdrage van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten. Dit artikel is tot stand gekomen met medewerking van Henk Strikkers.