Illustratie Chuang Ming Ong

Ook u, voetbalfan, bent een pion in het geopolitieke spel van WK-organisator Qatar

Essay Dode arbeiders en erbarmelijke werkomstandigheden in een land zonder voetbaltraditie. Toch is het WK niet verdwaald in Qatar. Het past zelfs naadloos in het geopolitieke beleid van de woestijnstaat, ziet verslaggever . Hij vraagt zich af: wat wil Qatar van ons, de voetbalfans?

essay

Tik-tak-tik-tak-tik-tak. Ik kijk om, het ding staat er echt. Op een paar honderd meter van het finalestadion met 80.000 zitplaatsen, tegen de achtergrond van vier gigantische wolkenkrabbers in aanbouw, staat een fietsersstoplicht onverstoorbaar zijn werk te doen. Hetzelfde, klassieke stadsfietsicoontje als in Nederland. Dat hier, waar het 45 graden kan worden, een fietser verschijnt, lijkt uitgesloten. Maar dit stoplicht zorgt ervoor dat hij veilig kan oversteken.

Het ding maakt een verdwaalde indruk op deze dinsdagmiddag in september. En tegelijkertijd is het hier helemaal op zijn plek. Want alles in Lusail, het stadsdeel aan de noordkant van hoofdstad Doha in Qatar, dat in aanloop naar het WK voor een geschatte 45 miljard dollar uit de grond is gestampt, heeft iets ontheemds. Ik zie het aan de Nepalese, Indiase en Bengaalse arbeiders die op duizenden kilometers van hun families met bouwmaterialen over het asfalt sjouwen om stoepen en parkeerplaatsen af te maken. Van sommigen zijn alleen de ogen en mond zichtbaar, de rest van hun gezicht en nek ingebonden in vuilwitte doeken om de huid zoveel mogelijk te beschermen tegen de zon. Straks, om een uur of zes, zullen ze naar de bus schuifelen, duizelig van uitputting.

Al even ontheemd: de metrostations, splinternieuw maar verlaten. Iedereen die het zich kan veroorloven vermijdt het loopje naar metro-ingang of bushalte en kiest voor het comfort van een gekoelde auto. Qatarezen laten zich in SUV’s afzetten bij het luxe winkelcentrum Place Vendôme, even verderop, gebouwd in de stijl van een Frans paleis. Met vier verdiepingen en 1,1 miljoen vierkante meter vloeroppervlak heeft de mall een omvang waar Lodewijk XIV van zou zijn geschrokken.

Het slechtste WK-bid

Verdwaald, dat is – in Europa althans – het beeld van het WK dat zondag begint. Al meteen na de toewijzing van het toernooi aan Qatar, in december 2010, werd gesproken van een vergissing. Hoe kon een bloedhete woestijnstaat zonder voetbaltraditie, laat staan fatsoenlijke stadions, een WK binnenhalen ten koste van kandidaten als de VS, Japan en Australië? Inspecteurs van wereldvoetbalbond FIFA hadden Qatar vlak vóór de stemming nota bene aangewezen als de slechtste kandidaat van allemaal. Als de keuze iets duidelijk maakte, was het dat het FIFA-bestuur corrupt was en Qatar geraffineerd en eerzuchtig genoeg om daar gebruik van te maken. Hardnekkige berichten over omkoping, zeer aannemelijk maar nooit onomstotelijk bewezen, bevestigden die indruk.

Je kon er cynisch van worden. Of je kon je schouders erover ophalen. Zo ging het toch altijd? Ook de toewijzing van het WK aan buurland Duitsland (2006) werd omgeven door een spoor van verdachte miljoenentransacties, bleek later. Met de rest van de voetbalwereld – clubs, sponsors, spelers, trainers, fans – had het ogenschijnlijk allemaal weinig van doen.

Die houding volstaat niet meer, nu duidelijk is geworden hoe ernstig de gevolgen waren van de keuze die de FIFA maakte. Om het WK te kunnen hosten bouwde Qatar voor meer dan 200 miljard dollar zeven nieuwe voetbalstadions, een vliegveld, wegen, metrolijnen, hotels, pretparken, noem maar op. Het was een twaalfjarig feestmaal voor bouw- en ingenieursbedrijven. De miljoenen arbeidsmigranten uit arme Aziatische en Afrikaanse landen die het werk uitvoerden, vielen – zoals vaker gebeurt in de steenrijke Golfregio – massaal ten prooi aan uitbuiting en onderdrukking. Qatar en de FIFA ontkennen de grootschalige misstanden.

Lees ook: een onderzoeksverhaal ovr de doden van Qatar. Welke slachtoffers vielen er in de stadions waar Oranje voetbalt?

Voor de NRC-podcastserie De coup van Qatar heb ik me een jaar lang verdiept in ‘de achterkant’ van dit WK. Zo belandde ik dit voorjaar in Nepal. Een van de eerste dingen die me daar opvielen was dat iedereen er de grote risico’s van een leven als arbeidsmigrant in de Golfregio kent – Nepalezen zijn er al decennia mee bekend. Maar zij én hun regering zijn zo afhankelijk van het geld dat in onder meer Qatar wordt verdiend, dat Nepal nooit in de positie was de misstanden aan te kaarten.

Het WK is de ultieme uiting van het maakbaarheidsgeloof van de Qatarezen

Ik realiseerde me ook: zonder het WK was ik niet naar Nepal gereisd en had ik hoogstwaarschijnlijk nog altijd geen idee gehad van de systematische uitbuiting waar deze mensen aan ten prooi vallen in de Golfregio.

Mensenrechtenschendingen rond dit WK hebben de voetbalwereld (en politiek) gedwongen positie te kiezen. Een enkele voetbalfan, mijn broer is zo iemand, is principieel genoeg om dit WK aan zich voorbij te laten gaan. Het zal in de kijkcijfers niet opvallen, verwacht ik, maar dat is voor hem geen reden om dan maar „als een schaapje achter de massa aan te lopen”, zoals hij het noemt.

Niemand kan of wil zich nog verschuilen achter het idee dat sport en politiek gescheiden werelden zijn. De KNVB ziet dit als iets positiefs, merkte ik in gesprekken met medewerkers van de voetbalbond. De KNVB gelooft in de dialoog, organiseerde bijeenkomsten met mensenrechtenorganisaties en WK-vertegenwoordigers en benadrukt dat er dankzij alle controverse hervormingen zijn doorgevoerd in Qatar. Er is nu een minimumloon, bijvoorbeeld, van 230 euro, werken in extreme hitte is verboden en arbeiders hebben meer vrijheid gekregen. De situatie is verre van perfect, erkent de voetbalbond, maar onmiskenbaar verbeterd.

Het is een aantrekkelijke gedachte: topsport als mensenrechtenbreekijzer dat deuren opent naar een betere wereld. Volgens Gijs de Jong, secretaris-generaal van de KNVB, is het internationale voetbal, de grootste sport van allemaal, in die rol bovendien geloofwaardiger dan vroeger.

Want zelfs de FIFA is door alle schandalen fundamenteel veranderd, vertelde hij me deze zomer op de KNVB-campus in Zeist. Van de 22 bestuurders die Qatar het WK toekenden zijn de meesten inmiddels geschorst, veroordeeld of overleden. Mensenrechten behoren nu tot de criteria waarop kandidaten voor de WK-organisatie worden beoordeeld.

Van de 22 bestuurders die Qatar het WK toekenden zijn de meesten inmiddels geschorst, veroordeeld of overleden

Kortom, het WK in Qatar is een eenmalige vergissing. Een „belachelijke” beslissing, in de woorden van bondscoach Louis van Gaal. Maar de voetbalwereld heeft ervan geleerd en de mensenrechtensituatie in Qatar is er dankzij het WK blijvend op vooruitgegaan - – zou het?

Wat als de aandacht verslapt?

De aanname van de KNVB dat arbeidsomstandigheden door de stortvloed aan kritiek structureel zijn verbeterd, lijkt me op zijn best wankel. Uit onderzoek van organisaties als Amnesty en uit gesprekken die mijn collega’s en ik voerden met gastarbeiders blijkt dat uitbuiting ondanks de hervormingen nog veel voorkomt.

En wat gebeurt er als het WK straks voorbij is en de aandacht voor arbeiders in Qatar verslapt? Wat wij als vooruitgang zien, kan daar als een stap in de verkeerde richting worden ervaren. De eerste lokale ondernemers verzetten zich al tegen de ontmanteling van ‘kafala’, een systeem dat de kleine minderheid van Qatarezen verregaande controle gaf over de massa’s arbeidsmigranten in het land.

Bovendien klopt het beeld van Qatar als eenmalige vergissing niet. Dat werd me steeds duidelijker toen ik op zoek ging naar een antwoord op de vraag hoe en waarom het WK daar terecht is gekomen. In zekere zin is Qatar zelfs een heel logisch gastland. Want hoe verdwaald het toernooi ook lijkt in de woestijnstaat, twaalf jaar na de toewijzing is Qatar uitgegroeid tot een van de machtigste landen in het mondiale voetbal – als financier, eigenaar en sponsor. Op de voet gevolgd door buurlanden Saoedi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten.

De machtsgreep van de Golfstaten heeft zich vooral hier voltrokken, in Europa. Toen ik er eenmaal op ging letten, zag ik het overal. Door de sponsoring van Europese topclubs in alle grote competities door staatsluchtvaartmaatschappijen Qatar Airways, Etihad (Abu Dhabi) en Emirates (Dubai). Maar vooral vanwege de overnames van Manchester City (Abu Dhabi United Group, 2008), Paris Saint-Germain (Qatar Sports Investments, 2011) en Newcastle United (staatsinvesteringsfonds van Saoedi-Arabië, 2021).

De gevolgen voor het Europese voetbal zijn nauwelijks te missen. Door astronomische salarissen en transfersommen te betalen hebben de Golfstaten inflatie aangewakkerd in het voetbal en worden de financiële verschillen tussen de absolute top en de rest van de voetbalpiramide ieder jaar groter. Regels om dat te voorkomen bleken met handig boekhouden en juridische powerplay eenvoudig te omzeilen.

Illustratie Chuang Ming Ong

De macht van het geld uit de Golf is inmiddels zo groot dat zelfs de traditionele voetbalelite er gefrustreerd door raakt. „Er zijn drie clubs [Manchester City, PSG en Newcastle United] die qua financiën kunnen doen wat ze willen. Niemand kan daarmee concurreren”, zei Liverpool-trainer Jürgen Klopp onlangs na een wedstrijd tegen Manchester City.

Ik begrijp die ergernis wel, maar die is ook grotesk. Het Europese voetbal, Engeland voorop, omarmt al jaren iedereen die rijk is en bereid om grof geld in een club te pompen. Zodra zich een geldschieter aandient met grote ambities, stelt niemand vragen. Zo mocht Chelsea de top bestormen met de miljarden van de Russische oligarch Roman Abramovitsj en haalde Vitesse even later zijn vriend Valeri Ojf binnen.

Allemaal niets nieuws dus, die omstreden clubeigenaren. Toch is het internationale voetbal met de entree van de investeerders uit de Golf wat mij betreft een nieuwe grens overgegaan. Niet zozeer omdat ze nóg diepere zakken hebben dan de zakenmannen die hen voorgingen. Het bijzondere is dat het hier gaat om steenrijke, dictatoriale regimes die zich rechtstreeks inkopen in de sport. Dat roept de vraag op wat ze daarmee willen bereiken. Wat ze willen van ons dus, als voetbalfans.

‘Sportswashing’ is een term die ik het afgelopen jaar in dit verband veel hoorde, ofwel: sport gebruiken om een grimmige reputatie op te poetsen. Maar hoe dat precies werkt en waarom dat zo belangrijk is voor die landen, blijft meestal onderbelicht. Net als de vraag: waarom is juist het Europese voetbal hiervoor zo geschikt?

Dat laatste heeft, natuurlijk, met de populariteit van het spelletje te maken. De honderden miljoenen mensen die de Premier League of de Champions League willen zien. Je bereikt via voetbal simpelweg een groot publiek. Maar zeker zo belangrijk is de emotie, begreep ik uit gesprekken met voetbalsupporters, sportwetenschappers en kenners van het Midden-Oosten. Of beter: de gedeelde emotie. Want díé maakt de voetbalfan zwak.

Eerste herinnering

Supporter zijn van een voetbalclub draait om vriendschappen, familierelaties en gezamenlijke herinneringen. Dat geldt ook voor mij. Ik zou mezelf geen diehard Ajax-fan willen noemen – ik ging bijvoorbeeld maar af en toe naar wedstrijden – maar in de band met mijn ouders, broer en zusje heeft de club van jongs af aan een rol gespeeld. Zo lang ik me kan heugen, kijken we als Ajax speelt. Een van mijn eerste herinneringen is een Ajax - Feyenoord in het Olympisch Stadion, 1993 moet dat zijn geweest (5-2). We praten thuis met elkaar over van alles, maar óók altijd even over Ajax. „Zo’n Sánchez op rechtsback, begrijp jij dat nou?”

Wat we nooit doen, is onze voorkeur voor Ajax ter discussie stellen. Dat vergt wat cognitieve dissonantie. Er gebeurt bij Ajax, zoals overal, genoeg om je aan te ergeren of voor te schamen, maar dat brengt de band met de club in principe niet in gevaar. Het betekent simpelweg dat we ons ergeren of schamen. En hopen op betere tijden. Ik vroeg een NAC-supporter eerder dit jaar waarom het hem zoveel deed dat zijn club dreigde te worden overgenomen door het bedrijf achter Manchester City. „Omdat ik emotioneel eigenaar ben van mijn club”, zei hij.

Lees ook: waarom stuurt Nederland tóch hoogwaardigheidsbekleders naar Qatar? Zeven vragen en antwoorden over de relatie met de golfstaat.

Het zijn precies die loyaliteit en gedeelde emotie – plus de verankering in lokale gemeenschappen – die investeren in Europese voetbalclubs zo aantrekkelijk maken voor regimes uit de Golf. En die voetballiefhebbers kwetsbaar maken voor beïnvloeding, zeker als de resultaten lange tijd beroerd zijn geweest. In Manchester sprak ik City-fans die goed snapten dat eigenaar sjeik Mansour, prominent lid van de koninklijke familie van Abu Dhabi en vicepremier van de Verenigde Arabische Emiraten, hun club niet uit liefhebberij heeft gekocht. Ze wisten ook dat Mansour onderdeel is van een dictatoriaal regime met een bedroevende mensenrechtenreputatie. „Ik denk dat ze de kracht van het voetbal gebruiken om die verhalen naar de achtergrond te drukken”, zei Ian Morris, een 26-jarige City-supporter die ik tegenkwam in een pub in Manchester.

Maar dat is voor hem geen reden te breken met zijn club. City herinnert Morris aan zijn opa, die hem vroeger meenam naar het stadion. Een ‘generationele’ City-fan, zo noemt hij zich, en dus kán hij zijn liefde voor City nooit verliezen, vertelde hij. Bovendien: is het niet fantastisch wat er allemaal is veranderd sinds de komst van Mansour? City is eindelijk wereldtop, veel beter dan de eeuwige rivaal Manchester United. Daarnaast heeft de sjeik het trainingscomplex een facelift gegeven en zich ontpopt als een van de grootste woningbouwers van de stad. „Hij heeft veel teruggeven aan de gemeenschap”, vindt Morris.

Illustratie Chuang Ming Ong

Op dat laatste is nogal wat af te dingen. Loop een rondje door de oostelijke wijken van Manchester en je ziet dat Mansour vooral luxe appartementen bouwt in een stad die wordt geteisterd door armoede en woningnood. Die leveren hem meer op. Het doet er niet toe: dankzij de successen van City heeft de sjeik in Manchester per definitie het voordeel van de twijfel. Niet alleen bij fans van de club, ook bij het gemeentebestuur. Dat is in de voorbije tien jaar uitgegroeid tot zijn voornaamste partner in vastgoedontwikkeling.

In diezelfde periode is de mensenrechtensituatie in de Emiraten volgens organisaties als Human Rights Watch er alleen maar op achteruit gegaan. Critici van het regime worden tegenwoordig „routinematig” opgepakt en vastgezet bijvoorbeeld. Daar een punt van maken is niettemin ongepast en geeft blijk van „imperialistische tendensen”, kreeg ik te horen van de lokale Labour-leider Richard Leese, de man die zowel bij de verkoop van City als bij de vastgoeddeals was betrokken.

Toen ik schrijver en voetbaljournalist James Montague, gespecialiseerd in het Midden-Oosten, erover vertelde, was hij niet verbaasd. „Als je succes brengt, als je gezien wordt als de redder van de club, dan word je behandeld als de Messias”, zei hij. „Je verwerft een aanhang die je altijd zal steunen, wat er ook gebeurt.”

Als je succes brengt, als je gezien wordt als de redder van de club, dan word je behandeld als de Messias. Je verwerft een aanhang die je altijd zal steunen, wat er ook gebeurt

James Montague schrijver en voetbaljournalist

Hoe ver dat kan gaan, bleek een kleine vijf jaar geleden, toen de Britse academicus Matthew Hedges in de Verenigde Arabische Emiraten werd veroordeeld voor spionage. Engeland was verbijsterd over de rechtszaak die nauwelijks vijf minuten duurde en waar geen advocaat bij aanwezig was, maar op sociale media spraken City-fans hun vertrouwen uit in het lokale rechtssysteem. Hatice Cengiz, de verloofde van de vermoorde Saoedische journalist Jamal Kashoggi, werd vorig jaar op Twitter uitgescholden door Newcastle United-supporters omdat ze protesteerde tegen de Saoedische overname van de club.

Kortom, investeren in voetbal legitimeert, geeft aanzien en je kunt er onwaarschijnlijke vrienden mee maken. Dat is waardevol voor de machthebbers in Riad en Abu Dhabi, die wereldwijd investeringen en zakenpartners zoeken om hun economieën minder afhankelijk te maken van olie-inkomsten. Voor de koninklijke familie in Qatar is het zelfs van levensbelang. Het land, dat qua oppervlakte grofweg een kwart van Nederland beslaat, behoort dankzij zijn gasreserves tot de rijkste ter wereld. Tegelijkertijd heeft het staatje maar zo’n 300.000 eigen inwoners.

Qatar kan zichzelf dus niet verdedigen, terwijl het zich voortdurend bedreigd weet door veel sterkere landen in de regio. Onder meer Saoedi-Arabië, Egypte en de Verenigde Arabische Emiraten wantrouwen de Qatarese leiding vanwege, zoals Midden-Oostenexpert en NRC-columnist Carolien Roelants het uitlegde, „haar warme contacten met revolutionaire krachten: niet alleen sjiitisch Iran, maar ook de soennitische Moslimbroederschap.” Waar het op neerkomt: de Golfregio wil een volgzaam Qatar, terwijl de woestijnstaat zich niets van zijn buurlanden wenst aan te trekken.

En dus is Qatar er al decennia op gericht internationaal bondgenoten te maken en invloed te winnen. Politiek: door zich te presenteren als onafhankelijke bemiddelaar in conflictsituaties. Qatar huisvest de grootste Amerikaanse legerbasis in de regio, maar onderhoudt óók goeie relaties met Iran en de Taliban. Het land speelde bovendien een belangrijke rol bij de evacuatie van vluchtelingen uit Afghanistan, na de machtsovername door de Taliban. Economisch: door zijn gasinkomsten te investeren in westers vastgoed en prominente bedrijven als Volkswagen, Barclays en de Londense effectenbeurs. Maar vooral ook op ‘zachtere’ terreinen, met de populaire en deels Engelstalige nieuwszender Al Jazeera en door het aantrekken van gerenommeerde westerse universiteiten (Georgetown en Northwestern University onder meer), kunstcollecties, topmedici en internationale evenementen.

Qatar huisvest de grootste Amerikaanse legerbasis in de regio, maar onderhoudt óók goeie relaties met Iran en de Taliban

En via het voetbal dus. Al vanaf midden jaren negentig, vijftien jaar vóór de toewijzing van het WK en ruim eerder dat zijn rivalen in de regio, is Qatar bezig een belangrijk voetballand te worden. Ik kan me nog herinneren dat plotseling bekende voetballers als Guardiola, Batistuta en de broertjes De Boer duurbetaald gingen ‘afbouwen’ in Qatar – de betekenis ervan ontging me toen volledig. Na de eeuwwisseling pakte Qatar het grootser en strategischer aan. Het land investeerde miljarden in de bouw van het modernste sportcentrum ter wereld (Aspire), waar topclubs van over de hele wereld sindsdien naartoe komen voor trainingskampen en oefentoernooien. Later kocht Qatar Paris Saint-Germain, toen een zieltogende club die vooral bekendstond om zijn gewelddadige fans. Dankzij de komst van talloze wereldsterren en een geraffineerde marketingstrategie is PSG inmiddels topclub en luxemerk ineen, met tientallen miljoenen fans over de hele wereld.

Het veelgehoorde verwijt dat Qatar geen voetbalcultuur heeft klopt dus niet helemaal. Zeker niet in de ogen van de Qatarezen, die zijn opgegroeid met het idee dat alles maakbaar is. En snel ook. In een theehuis in Doha sprak ik Khalid al-Badr, een Qatarese man van begin zeventig. Hij vertelde over het Doha van zijn jeugd: een armoedige, vergeten nederzetting onder Britse protectie, met lage stenen huizen en enkele tienduizenden inwoners. Parelduiken was de voornaamste bron van inkomsten. „Het leven was zwaar”, vertelde Al-Badr. „Airconditioning hadden we niet”. Vergelijk dat met de miljoenenstad die Doha nu is, met zijn wolkenkrabbers, luxe hotels en geblindeerde SUV’s, en je begrijpt dat Qatarezen anders denken dan wij over wat een land binnen een of twee generaties tot stand kan brengen.

Het WK is de ultieme uiting van dat maakbaarheidsgeloof. Het idee dat het piepkleine Qatar niet alleen in staat is om het grootste sporttoernooi ter wereld succesvol te organiseren, maar dat wij, de miljarden voetbalfans, zullen ontdekken wat voor fantastisch land het is. Dat Qatar straks, doordat het een maand lang heeft kunnen pronken met wat er allemaal is neergezet, een populaire vakantiebestemming wordt. Dat bedrijven en massa’s expats zich zullen vestigen in de kantoortorens en appartementencomplexen die uit de grond zijn gestampt.

Terwijl ik buiten sta in de leegte van WK-stad Lusail vind ik het allemaal moeilijk voorstelbaar. Ook de stortvloed aan kritiek op Qatar vanwege uitbuiting van arbeidsmigranten doet vermoeden dat het land met het WK zijn hand heeft overspeeld. Eigenaar zijn van een succesvolle Europese club leidt de aandacht misschien af van misstanden in eigen land, de organisatie van het WK heeft precies het tegenovergestelde effect, ontdekte Qatar. De frustratie daarover was hoorbaar in een recente toespraak van emir Tamim bin Hamad al-Thani, die sprak over een „lastercampagne die geen enkel land ooit heeft ervaren”. Grote woorden, voor een grote slag: die om de gunst van de mondiale voetbalfans. Ook die van mij, en die van u.