Mechtild Panhuysen en Michael Kabel stierven hand in hand, precies zoals ze hadden gepland

Voor Mechtild Panhuysen (1933-2022) en Michael Kabel (1931-2022) was het idee dat een van hen alleen achter zou blijven een schrikbeeld.

Michael 'Chel' Kabel in zijn werkkamer in Tilburg, circa 1960
Michael 'Chel' Kabel in zijn werkkamer in Tilburg, circa 1960 Foto's privéarchief

‘Hand in hand’ zijn ze heengegaan, Mechtild Panhuysen (89) en Michael ‘Chel’ Kabel (91), precies zoals ze het hadden gepland. Ze gingen samen, want het idee dat de een zou overlijden en de ander alleen achterbleef was een schrikbeeld. Om dat voor elkaar te krijgen, moesten ze wel elk afzonderlijk erkenning krijgen om euthanasie te ondergaan.

De deur van Mechtild en Chel stond altijd open, vertellen mensen die hen goed hebben gekend. Zij was innemend, hartelijk en praktisch, hij was bij eerste kennismaking wat stuurser, cerebraler en geen gangmaker.

„Toen ik een halve eeuw geleden kennismaakte met Chel, zaten we aan de bar bij het afstudeerfeest van mijn vrouw Hilde”, vertelt vriend Fred Huijgen. „Hij had een air van ‘ik wil hier niet zijn’. We hadden uiteindelijk een heel gezellige avond en daarna een levenslange vriendschap tussen ons en hen.”

Typerend voor Mechtild vond Huijgen de la vol cadeautjes. „Ze had een grote kast in huis met een la en daar stopte ze af en toe cadeautjes in”, vertelt hij. „Voor als ze een keer iemand iets wilde geven.” Bezoekers kregen volgens vriendin Anneke Bouma volop aandacht: „Gesprekken gingen nooit over niks en ze waren heel complimenteus. Je voelde je supergewaardeerd.”

Hun huis was – eerst in Nijmegen, later in Warmond – een magneet voor familie en vrienden. Toen hun dochter Gabriële twintig jaar geleden overleed, hadden ze het daar moeilijk mee, maar ze omarmden haar gezin, ook of misschien wel des te meer toen de schoonzoon hertrouwde.

Michael ‘Chel’ Kabel en Mechtild Panhuysen in Warmond, 2020 Foto’s privéarchief

„Het was een heel bijzonder stel”, zegt Mechtilds jongste broer Titus Panhuysen, „dat zich bewezen heeft door zo lang bij elkaar te blijven.”

Chel kwam uit Amsterdam, Mechtild uit Maastricht. Ze was het derde kind in een gezin van negen dat in De Torentjes, een kasteeltje op de Pietersberg, woonde. Broer Titus was zestien jaar jonger. „Toch heb ik veel tijd met haar doorgebracht. Ze was de spil in onze familie: belangstellend, energiek, ze belde altijd met iedereen.”

Hoe verschillend de echtelieden qua karakter ook waren – en dan was hij ook nog eens uitgesproken lang en zij juist klein van stuk – er was „een brede, gemeenschappelijk gevoelde basis”, aldus zoon Mark van Buchem. „Aandacht voor anderen, verantwoordelijkheidsgevoel en een moreel kompas waren daar belangrijke elementen van.”

Daarnaast was er de gemeenschappelijke interesse voor de kunsten. Chel had artistiek talent en maakte glas-in-loodramen, beelden en schilderijen. Op zijn laatste dag zei hij desgevraagd tegen zoon Mark: „Als ik alles over mocht doen, zou ik mijn hele leven wijden aan glas-in-lood.”

Mechtild had gevoel voor taal; ze dichtte vanaf jonge leeftijd, geïnspireerd door haar vader die in zijn jonge jaren deel uitmaakte van een actieve en geëngageerde groep katholieke dichters. Daarnaast had ze een passie voor tuinieren, een familietraditie die ook in de volgende generatie wordt voortgezet.

Voor Mechtild en Chel trouwden, hadden ze beiden al een leven achter de rug. Zij trouwde in 1958 met huisarts Gerrit van Buchem, kreeg drie kinderen, maar het huwelijk hield geen stand. Ze trok met de kinderen van 6, 5 en 3 van Hilversum naar Nijmegen, omdat ze voor zichzelf toekomst zag in de logopedie en werk kon krijgen op een logopedieopleiding en in revalidatiecentrum Dekkerswald.

Chel was al jong ingetreden als dominicaan. Het leek de orde in 1959 een goed idee dat hij als veelbelovende pater sociologie zou gaan studeren, zodat hij wellicht voorzitter van de KRO kon worden. Hij ging daar tegen zijn zin mee akkoord en haalde zijn doctoraal. Na de studie in Tilburg kreeg hij een baan aan de Katholieke Universiteit Nijmegen.

De jaren zestig gingen ook aan het klooster niet voorbij. Chel maakte deel uit van een groepje jonge paters dat gezamenlijk uittrad. Titus Panhuysen: „Chel zei ooit tegen mij: ‘Als ik niet gedwongen was geweest sociologie te gaan studeren, had ik nu misschien nog in een klooster gezeten’.”

Mechtild en Chel waren eind jaren zestig allebei op zoek naar hoe ze hun leven vorm konden geven. Ze wilden samen verder, maar de kinderen waren daarbij belangrijk. Frans, Mark en Gabriële moesten ook ‘ja’ zeggen. Ze waren beiden harde werkers, ook thuis en ook in het weekend.

Zij wijdde zich aan de logopedie en zag hoe gebrekkig destijds de behandeling was van afasiepatiënten, van wie al gauw gedacht werd dat ze dement waren. Mark van Buchem, hoogleraar neuroradiologie aan de Universiteit Leiden: „Mijn moeder was een pionier in de behandeling van afasie. Dat was toen nog onontgonnen terrein.” Zijn broer Frans van Buchem, hoogleraar geologie in Jeddah in Saoedi-Arabië: „Ze zag daar ook van dichtbij het verval van ouderen in tehuizen.”

Mechtild Panhuysen (midden) met twee vriendinnen in Den Haag, circa 1957 Foto’s privéarchief

Chel bleef verbonden aan de KU Nijmegen en promoveerde in 1985 op het proefschrift: Wat vanzelfsprekend is omtrent doodgaan. Zes jaar later verscheen zijn boek Doodgaan wil je thuis, wat paste in de toenmalige discussie over euthanasie, omdat hij ervoor pleitte dat mensen meer zeggenschap kregen over hun eigen manier van sterven.

Ze wilden graag samen sterven, hun leven was ‘voltooid’, zoals dat heet. Ze waren lid van D66 en lid van de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde (NVVE). Liever wilden ze hun einde zelf bepalen dan dat ze verder gingen „op een pad omlaag”, zoals zoon Mark het omschrijft. „Mijn stiefvader Chel had dit voorjaar al een paar maanden in een hospice doorgebracht na een bacteriologische infectie.”

Het was kantje boord, maar hij mocht weer naar huis. Zijn moeder had diverse ouderdomsverschijnselen. „Niets acuuts, maar ze werd snel brozer.”

Toen was het voor het echtpaar duidelijk dat als ze samen wilden sterven, ze daar nu werk van moesten maken. Er volgde een periode van veel uitleggen en van iedereen afscheid nemen. Niet iedereen kon hun keuze waarderen.

Titus Panhuysen: „Mechtild was geestelijk nog zo helder. Ik respecteer hun besluit, maar ik had het er moeilijk mee. Ik beschouw het leven als een onnoembaar groot geschenk, dat je aanvaardt.”

Twee „geweldige euthanasie-artsen” van het Expertisecentrum Euthanasie stonden hen bij. Ze stierven zoals ze hadden geleefd: met de dierbaarste mensen om zich heen, niemand uitsluitend en vol overtuiging.