Wielerzaak annex buurthuis voor Amsterdamse wielrenners

Rijwielzaak Bijna dertig jaar was racefietsenbouwer Ger Hermans een begrip onder Amsterdamse wielrenners. Nu gaat hij met pensioen. „Dit is het enige wat ik kan. En dan ben je al gauw een specialist.”

Foto Pepijn Kouwenberg

Het aanbrengen van het stuurlintje, zegt Ger Hermans, dat is het allermooiste moment. De racefiets is klaar, alles glimt en loopt als een zonnetje. En dan wikkel je dat lintje om het stuur, bij wijze van finishing touch. „En vervolgens de fiets in de winkel neerzetten. Dat geeft een enorme voldoening.”

Het laatste stuurlintje is in zicht, binnenkort gaat Hermans (70) met pensioen. Na 54 jaar sleutelen aan fietsen, waarvan bijna dertig jaar in zijn eigen zaak, is het mooi geweest: per 1 januari doet hij de winkel over. En dus komen er de laatste tijd voortdurend mensen langs „om afscheid te nemen”, zegt hij terwijl hij een rode De Rosa-racefiets ontdoet van vet en viezigheid. „Man”, grinnikt hij met Amsterdamse tongval, „het lijkt wel alsof ik terminaal ziek ben.”

Ger Hermans stopt per 1 januari met zijn eenmanszaak Ger Bikes, aan de Brink in Betondorp. Foto Pepijn Kouwenberg

Bijna dertig jaar lang was Ger een begrip onder wielrenners in Amsterdam en omstreken. Bij zijn eenmanszaak aan de Brink in Betondorp kun je een eigen fiets laten bouwen, geheel naar eigen inzicht. Ger meet je lichaamsmaten, bestelt het materiaal, zet de fiets in elkaar en laat de letters ‘Ger’ erop spuiten – het enige Amsterdamse racefietsmerk.

Maar Ger Bikes, zoals zijn zaak heet, is veel meer dan een fietsenwinkel. Het is ook een soort buurthuis voor wielerliefhebbers, waar je binnenloopt voor advies, goede verhalen en bespiegelingen over het leven – en dat alles met een flinke dosis Amsterdamse humor. Als Ger een klant eenmaal in zijn hart heeft gesloten, neemt hij áltijd de tijd als hij of zij langs komt met een probleem – ook al betekent dat langer doorwerken na sluitingstijd.

Foto Pepijn Kouwenberg

Voor de bewoners van Betondorp is het een vertrouwd gezicht: het felle tl-licht dat ’s avonds nog brandt in de zaak, aan een verder uitgestorven en donkere Brink – en de gestalte van Ger, gebogen over een racefiets in de werkplaats.

Stayeren achter de grote motoren

Liefde voor de fiets zat er al vroeg in bij Ger Hermans. Zijn vader, metaalbewerker, nam hem mee naar baanwedstrijden in het Olympisch Stadion. Stayeren achter de grote motoren: Ger zat er begin jaren zestig „met tranen in de ogen” naar te kijken. Toen hij vijftien was en zijn vader en hij genoeg geld hadden gespaard, kochten ze samen zijn eerste racefiets. Bij de bekende rijwielhandel RIH, in de Westerstraat in de Jordaan.

Het duurde niet lang of Ger begon zelf klusjes te doen bij RIH: wielen van het frame halen, stuurlintjes vernieuwen. Hij vond het leuk, sleutelen aan fietsen. En het gezin Hermans, dat met z’n zevenen een flat bewoonde in Overtoomse Veld, kon de extra inkomsten wel gebruiken. Op zijn twintigste, na zijn militaire diensttijd, kreeg Ger een vaste aanstelling bij RIH.

Hij was zelf een heel behoorlijke wielrenner, met een voorliefde voor tijdrijden („Ik hield van hard en aanvallend fietsen”). Tot zijn 35ste reed hij koersen, maar veel tijd om te trainen was er niet: er moest gewerkt worden. Bij RIH groeide hij al snel uit tot de belangrijkste steunpilaar van eigenaar Wim van der Kaaij. RIH, dat staat voor ‘Rijwiel Industrie Hermans’, zo luidde in die jaren een grapje onder vaste klanten. (In werkelijkheid was de zaak vernoemd naar de zwarte hengst Rih uit de boeken van Karl May.)

Kwam er weer iemand aanzetten met een Sparta-met. Daar had ik natuurlijk geen zin in

In 1994, na negentien jaar trouwe dienst bij RIH, opende Ger zijn eigen zaak in Betondorp. De eerste jaren in z’n eentje waren „hangen en wurgen”. Bandjes plakken van roestige oude stadsfietsen, gordijnhoekjes inkorten voor buurtbewoners. „Kwam er weer iemand aanzetten met een Sparta-met. Daar had ik natuurlijk geen zin in.” Na verloop van tijd wisten oude RIH-klanten hem te vinden – en kon hij zich weer volledig op de racefietsen richten. Het merk ‘Ger’ ontstond bij toeval, „en eigenlijk een beetje tegen mijn zin”. Wijnkenner Harold Hamersma, vaste klant en destijds nog werkzaam in de reclame, ontwierp de letters voor op het frame – en overtuigde Ger dat het zou werken, een merk onder zijn eigen naam.

Foto Pepijn Kouwenberg

Postuur monsteren

Gers werkwijze is al zijn hele carrière dezelfde. Hij monstert iemands postuur en karakter en stemt de te bouwen fiets daar perfect op af. Is de klant een lichte duursporter die graag lange ritten maakt, of juist een spierbonk die van korte krachtsexplosies houdt? Dat maakt nogal uit. „Zo’n kroegbaas die elke dag in de ijzers hangt, die ga ik echt geen licht fietsje verkopen.” Lang heeft Ger niet nodig om het ‘karakter’ van zijn klanten in te schatten, zegt hij. „Kwestie van ervaring.”

Hij is altijd een ouderwetse ambachtsman gebleven – zijn werkplaats noemt hij „net een oude smidse”. Wielen richten doet hij met zijn nagel als meetlatje, voor de afstand tussen het zadel en de trappers gebruikt hij een schietlood. Zijn wielen spaakt hij het liefst zelf. Nieuwlichterij zoals vermogensmeters en elektrisch schakelen? Als je het per se wil, zet Ger het op je fiets. Maar zelf heeft hij er „helemaal niets mee”, al dat meten en berekenen. „Ik ben ooit met wielrennen begonnen omdat ik van het avontuur houd. Als je gaat uitsluiten dat iets kan mislukken, dan is het toch geen avontuur meer?”

Foto Pepijn Kouwenberg

Aan kleding, schoentjes en zonnebrillen doet Ger niet: hij verkoopt uitsluitend fietsen. „Ik heb wel iets beters te doen dan kijken of een shirtje past.” In zijn zaak vind je één uitzondering op die regel: een rekje kleding en een pashokje voor Vrouwenwielrennen Amsterdam, een fietsgezelschap dat de winkel als ophaalplek gebruikt. Hij is „een hele grote fan” van de club. „Het bestuur, de trainsters, de deelnemers – het zijn allemaal vrouwen. Dat is de ultieme emancipatie van de sport. Als je mannen erbij haalt, gaan die zich meteen hanig gedragen.”

‘Ik heb vaak te weinig geld gevraagd’

„Het commerciële” is nooit Gers sterkste kant geweest – hij zal zelf de eerste zijn om dat toe te geven. Zijn winkel kende ook moeilijke tijden. „Ik heb vaak te weinig geld gevraagd omdat ik mensen graag mocht.” Terwijl veel Amsterdamse racefietszaken hun assortiment de laatste jaren verbreedden met e-bikes, fixies en luxe stadsfietsen, is Ger al die jaren „halsstarrig in de racefietsen” gebleven. Grinnikend: „Dat is het enige wat ik kan. En dan ben je al gauw een specialist.”

Inmiddels is een fiets van Ger zo gewild geworden en de klandizie zo loyaal, dat hij het zich kan veroorloven wel eens ‘nee’ te zeggen tegen een klus. Als klanten zich „arrogant gedragen” bijvoorbeeld, of met een verzoek komen dat in zijn ogen nergens op slaat.

Neem het echtpaar dat in coronatijd kwam voorrijden „in een hele dure auto”. Uit de achterbak haalden ze een oude, versleten racefiets. „Die man zei op een nogal hautaine manier tegen me: deze wil ik een beetje opgeknapt hebben voor mijn dochter. Toen heb ik hem de deur gewezen. Die fiets was echt een lijk en ik ben allergisch voor mensen die uit de hoogte doen.”

De klantenkring van Ger is tamelijk divers, van afgetrainde amateurs tot vijftigers met een buikje. In de loop der jaren rekende hij veel bekende wielermensen tot zijn kennissen- en klantenkring: profrenner Gerrie Knetemann („een jeugdvriend”), de beroemde ploegleider Peter Post („had niet de neiging snel te betalen”), schrijver-renner Tim Krabbé en baanrenner Levi Heimans.

In de halve eeuw dat hij in het vak zat, zag Ger hoe de populariteit van wielrennen groeide. „Als ik als jochie over de Jan van Galenstraat reed, werd ik nageroepen: hé Jan Janssen, de Tour is al geweest. Nu heeft iedereen een racefiets.”

Sportschoolmensen

In coronatijd explodeerde het aantal racefietsers in Nederland. Dat merkte Ger ook in zijn zaak: ineens kwamen er „sportschoolmensen” over de vloer. Hij verbaast zich er nog regelmatig over hoeveel geld sommige klanten te besteden hebben aan een fiets, en wat voor wensen ze hebben. „Dan willen mensen een aparte klimfiets, een licht exemplaar voor in de bergen. Echt flauwekul. Tegen wie moet je die berg opfietsen? Alleen tegen jezelf toch?”

Foto Pepijn Kouwenberg

Ja, hij ziet het ook: de enorme groei aan pelotonnetjes druistige ‘mamils’ (middle aged men in lycra) heeft het wielrennen de laatste jaren een slechte naam bezorgd. Eigenlijk, zegt Ger, zou iedereen die een racefiets koopt, verplicht een licentie moeten hebben. Een soort rijbewijs voor op de fiets. „Je krijgt dan theoretisch onderricht in het gebruik van je fiets, en als je de regels overtreedt, kunnen er sancties volgen. Een racefiets is een gevaarlijk vervoermiddel voor wie er niet mee overweg kan.”

Het liefst, zegt Ger Hermans, was hij „nog dertig jaar doorgegaan” met zijn eenmanszaak. Maar het lichaam protesteert al enige jaren: door de reuma en artrose kan hij steeds moeilijker priegelklusjes doen, zoals remkabeltjes door het frame halen. Hij merkt ook dat hij „te oud” begint te worden voor het fietsenvak, waarin de innovaties elkaar in razend tempo opvolgen. Vermogensmeters, schijfremmen, steeds meer „voorgefabriceerd spul”: het zegt hem weinig en gaat gepaard met „een taalgebruik waar ik niet handig in ben.”

De zaak wordt overgenomen door twee jonge ondernemers: Sander Bossen, eigenaar van het Amsterdamse indoor cycling-bedrijf Wattworks, en Matthew Overste, een amateurwielrenner die al van jongs af aan klant is bij Ger. Het fietsenmerk Ger blijft bestaan, maar er gaat ongetwijfeld ook een frisse, moderne wind waaien in de zaak.

Wat Ger hoopt dat behouden blijft aan de Brink in Betondorp? Zijn filosofie van tijd en vertrouwen. „Als de klant niet met zelfvertrouwen de deur uit gaat, is er iets niet in orde.”

Lees ook dit artikel over de eerste kroegbaas op de schoongeveegde Zeedijk in Amsterdam, Jan Ott van café De Kletskop, die in 2019 met pensioen ging

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.