Er is een wereldwijde samenzwering gaande die empathie tot hoogste waarde wil uitroepen

Verwey-lezing In zijn Albert Verwey-lezing vraagt schrijver wat literatuur nog vermag, als complotdenkers een veel krachtiger verhaal lijken te vertellen. Zijn we het vuur van de verbeelding aan het inruilen voor de combimagnetron van de storyteller?
Demonstratie tegen coronamaatregelen in Amsterdam, januari 2022.
Demonstratie tegen coronamaatregelen in Amsterdam, januari 2022. Foto ANP / Hollande Hoogte / Remco Koers

Zeer gewaardeerde toehoordsters en toehoorders,

Lieve mensen, beste reizigers,

De verhalen die ik vanavond vertel, gaan uw leven niet veranderen.

Ik begrijp dat dit een harde boodschap is. U bent helemaal doorgedrongen tot het hart van deze oude en eerbiedwaardige universiteit. U bent bereid om u mee te laten voeren in deze tekst – in deze gezamenlijke zuurstof, op deze gezamenlijke hartslag – en het minste wat je dan toch mag verwachten is dat de hemellichamen van baan veranderen en dat de wereld dadelijk ligt te stralen in een onwezenlijk nieuw licht.

De waarheid is hard. Daarom begin ik er ook meteen mee. Zolang deze tekst ons verbindt zal ik geen misverstanden laten bestaan. Nu ik hier toch sta, kan ik net zo goed de waarheid vertellen. Wat is anders de reden dat wij samen zijn gekomen rond dit kampvuur?

Dat is meteen al de tweede harde boodschap. Dat we weliswaar beschut zitten in een academische kloosterkapel met spitsboogvensters en gebrandschilderd glas. Maar dit kan niet maskeren dat de boel in de fik staat. Of dat we tribale zoogdieren zijn. Ook de persoon aan uw linker- en rechterzijde is een aapachtige die pas eergisteren uit de boom omlaag is geklommen, die rechtop is gaan lopen en met wie u het vuurtje hebt leren stoken waar wij omheen zijn gaan zitten om te kletsen over wat we zoal meemaakten en, vaker nog, over wat anderen zoal meemaakten.

Het prehistorisch vuur werd een amfitheater, een schouwburg, een groot auditorium, een webcamscherm, een juicechannel. Elk verhaal creëert zijn eigen kampvuur en elk kampvuur creëert zijn eigen lot.

Neem een academisch ritueel als dit. Een lezing met de naam van geëerde voorouder. Eén spreker die een kring luisteraars drie kwartier lang zal meevoeren. De sjamaan, druïde, de vogelwichelaar van het academische tabernakel opent doorgaans met een pakkend poëtisch citaat om de stamleden in de juiste geestestoestand te krijgen, een toverspreuk die sommigen herkennen, zodat ze weer weten hoe slim ze zijn, en zich een ingewijde kunnen voelen van de intellectuele gemeenschap.

We tell ourselves stories in order to live.

We vertellen onszelf verhalen om te kunnen leven. De prinses wordt in het consulaat gevangengehouden. De man met het snoep lokt de kinderen in zee. De naakte vrouw op de richel onder het raam op de vijftiende verdieping is levensmoe, of ze is een exhibitionist, en het zou ‘interessant’ zijn om te weten welke aanname correct is.

Volgende maand is het een jaar geleden dat de schrijfster van deze zinnen overleed, Joan Didion. De iconische openingszin van haar essaybundel The White Album (1979) is inmiddels verkrijgbaar op T-shirts, mokken en koelkastmagneetjes, en het zou ‘interessant’ zijn om te weten of de bezitters daarvan hem lezen als een aansporing of als een diagnose.

*

Het eerste verhaal begint op mijn tiende verjaardag.

Omdat 4 mei 1986 op een zondag viel, en omdat het bovendien stralend mooi lenteweer was, lagen de stranden vol.

Of ik zelf die dag buiten ben geweest, betwijfel ik. Het was een week na de kernramp van Tsjernobyl. De koeien stonden op stal, spinazie en sla verlepten in gesloten loodsen, en ik vermoed dat ook wij angstvallig binnen bleven – ramen en deuren gesloten, en binnen handbereik, naast de verjaardagcake, een doosje jodiumpillen. Een radioactieve wolk was het IJzeren Gordijn overgestoken, kwaadaardige Sovjetdampen drongen de atmosfeer binnen van ons vrije Europa dat de adem inhield.

Een paar jaar terug zag ik er een aflevering van Andere Tijden over. Hieruit bleek dat de toenmalige regeringsleiders die zondag voor een hels dilemma stonden. Er was een genadeloze plens regen op komst. Als al die strandgangers ’s middags door die radioactieve hoosbuien overmand zouden worden, zouden ze beslist een grotere kans krijgen om fatale ziekten te ontwikkelen, zo waarschuwden gezondheidswetenschappers aan het crisisteam, een soort nucleair OMT.

Maar ja, om nu die menigte vanuit helikopters op te roepen om huiswaarts te keren, dat durfde dat crisisteam ook niet. Een van de leden blikte terug: „Die chaos zou zo groot zijn, dat dat eigenlijk tot minstens zoveel ellende zou leiden als een mógelijk toekomstig probleem.”

Het crisisteam besloot wat crisisteams wel vaker besluiten: niets doen. Het liet de bevolking bewust onwetend op hun badhanddoeken wegdoezelen in de zon. Toevallig liep het goed af – de buien vielen pas later in de avond, later zelfs dan de twee minuten stilte op de Dam – maar sinds ik dit weet, is mijn vertrouwen in onze overheid wel een tikje minder rotsvast dan voorheen.

Vooral in de coronatijd vroeg ik het me geregeld af. Wat hielden onze regering en ons RIVM allemaal achter? Welke stortbuien zagen zij al naderen, welke helikopters besloten ze niet uit te laten rukken, en tegen welk risico, mochten het onheil per ongeluk toch niet overwaaien?

Het is verbazingwekkend dat er voor zover ik weet nauwelijks complottheorieën waren over de Tsjernobylramp. We gedroegen ons als modelburgers, lieten braaf onze spinazie en onze melk links liggen, en we wachtten de instructies af van de boven ons gestelden en de nucleaire experts in hun stofjassen.

Als er toen als sociale media hadden bestaan, en WOB-verzoeken waarmee het achterhouden van informatie aan het licht was gekomen, dan hadden hier de wildste verhalen de ronde kunnen doen.

Was het geen actie vanuit Europa om onze melkveehouderij te slopen, en te vervangen voor asielzoekerscentra? Was dat hele Tsjernobyl geen ziek verzinsel uit de duivelskop van Klaus Schwab, uitgebroed in zijn terrarium in Davos, om een opkontje te geven aan de Grote Omvolking?

I connect the dots.” Dat zegt complot-oppergoeroe David Icke. Hij verbindt de stippen, de losse eindjes, de lacunes die ons tergen.

Complottheorieën hebben met pijnlijke grappen gemeen dat ze een kern van waarheid bevatten. De Fransman Michel Tournier zegt het nog mooier in zijn autobiografie: ‘Nergens gedijt het mogelijke zo goed als op de ruïnes van het werkelijke.’

En onze werkelijkheid heeft daar nogal wat van, ruïnes. Onze poldergrond is een vruchtbare humuslaag, ent-aarde die krioelt van de wonderlijkste schimmels waarop het woest fabuleren is, als je maar diep genoeg wroet.

Het fabeldier dat Gerrit Komrij heette beweerde eens: „Er is een hoop ellende in de wereld – maar je moet er wel oog voor hebben.”

Dichters en complotbrouwers, allebei zijn het verhalenvertellers met oog voor het mankement en het gemis. Inderdaad, ‘het klopt niet’, zoals de withete afhakers schrijven op hun gifgele paraplu’s, en op de stickers die ze vastlijmen aan deuren en glazen.

Het klopt dat het niet klopt. De overheid houdt van alles voor ons achter. Regeringsleden herinneren zich van alles verkeerd, achteraf. Als ze het zich al herinneren. Alleen: dat wil nog niet zeggen dat dit onderdeel is van een welbewuste en alomvattende, wereldwijde verborgen strategie. Het zijn stippen, die niet per se een verhaal vormen. Maar ons prehistorische, narratieve brein heeft een ontembare aandrang om dat wel te doen.

Vandaag precies tachtigduizend jaar geleden keek een van onze overovergrootmoeders op van het vuur, stootte haar man en zei: „Verdomd, ’t is net een steelpannetje.” De man wierp nog een blok hout op het vuur en zei: „Welnee, het is een beer. Een knots van een beer. Jij met je steelpannetje. Mens, ga toch kóken!”

Sindsdien zien wij dieren en steelpannetjes in clusters sterren. Het vergt een grotere inspanning om de stippen níet met elkaar te verbinden, om losse feiten in al hun betekenisloosheid te laten voor wat ze zijn.

Neurologisch onderzoek wijst dat uit. Schotel proefpersonen een willekeurige reeks voor – sneeuw, auto, lantaarnpaal, glasscherf – en ze zien meteen een causaal verband. Omdát er sneeuw lag, vloog de auto tegen het stoplicht en daarom liggen er glasscherven. Op de lantaarnpaal is een knalgele sticker geplakt. Het klopt niet. We verbinden de stippen. We vertellen onszelf verhalen omdat het niet klopt.

*

Het tweede verhaal begint in de Herman Broodsteeg. Langs het Amsterdamse café De Zwart, het literaire café van honderd-en-één jaar oud, loopt een steeg met als niet-officiële straatnaambordje: Herman Broodsteeg.

Op vrijwel elk tijdstip van de dag staat die vol met een enorme rij wachtenden. Ik liep er altijd blind en geërgerd doorheen, zoals je door een drukke menigte naar de wc loopt als je iets verkeerds hebt gegeten of, wat vaker voorkomt, iets verkeerds hebt gelezen.

Ik had altijd aangenomen dat die toeristen daar in de rij stonden voor De Tweede Kamer. Zo heet de coffeeshop namelijk die daar zit, en waar onze nationale trots verkrijgbaar is, de nederwiet.

Dat was het verhaal dat mijn verhalen-makende brein ervan gemaakt had. We vertellen onszelf verhalen om het overzichtelijk te houden. Ons brein is een verhalenmachine en legt automatisch overal verbanden. Ons brein is ook ongehoord lui. Het neemt genoegen met de eerste de beste verklaring die redelijk lijkt. Waar wietlucht is, daar zijn toeristen. Nee dus. Pas vrij kort geleden begreep ik dat ze er stonden voor iets met een veel hoger rock-’n-roll-gehalte. Een koekjeswinkel. Ze verkopen er slechts één soort koekje, in een pand dat eruitziet zoals koekjeswinkels eruit horen te zien. Drieduizend koeken per dag. Zonder reclame te maken. Het gaat allemaal van mond tot mond. De mensen staan in de rij voor een verhaal. Die rij is een even tastbare als irritante impact van storytelling.

De zin van Joan Didion is hier veranderd in: we tell them stories in order to make a living.

De derde harde waarheid is dat de verhalen uit het literaire café minder goed verkopen dan die van de koekenbakkers.

Het literaire vuur legt het af tegen de storytellers met hun heteluchtovens en hun combimagnetrons.

Vanavond vertel ik drie verhalen en zeven harde waarheden.

De derde harde waarheid is dat je je als romanschrijver nogal in je hemd gezet voelt door die storytellers. Of ze hun vertelkunsten nu inzetten voor een nobel doel, of voor een minder nobel doel – zwarte of witte magie – het feit blijft dat de storyteller wél in staat is om levens te veranderen.

Een van de stichters van de organisatie Viruswaarheid schrijft op de website Army of Love: „Net als bij velen kreeg ook mijn leven een totaal andere wending toen ik ontdekte dat niet alles is wat het lijkt. Zonder meteen over te gaan tot aannames deed ik persoonlijk duizenden uren onderzoek en kon niet anders concluderen dan dat noch politici, noch de media ons het hele verhaal vertellen.”

De vermeende pedo-satanische seances op een kerkhof in Bodegraven. 5G-zendmasten die je immuunsysteem vernielen. Hét authentieke Amsterdamse koekje. Dat zijn verhalen die wel degelijk levens hebben veranderd.

En wij maar onze velletjes papier volschrijven, aan de tafeltjes van het literaire café en op onze zolderkamers. „In de afzondering van studeerkamers woeden tornado’s waar geen zandkorrel door beroerd wordt”, schreef Frans Kellendonk in Letter en Geest. Mijn Leidse studiegenoten herkennen het citaat vooral als het motto van de grote en grootse literatuurgeschiedenis van Ton Anbeek. Kellendonk doelde er overigens specifiek mee op recensenten, die zich „al trappend trachten te verheffen”, maar het geldt evenzeer voor schrijvers met minder rancune. Wie zandkorrels wil beroeren moet zich omscholen tot influencer.

*

Het derde verhaal moet mij op een kerstavond zijn verteld. Door mijn grootvader, zoals dat hoort. Sneeuw zal er ook wel gelegen hebben. Aan tafel vertelde hij over de katholieke kostschool waar hij op had gezeten, en waar de meisjes en de jongens in verschillende gebouwen waren ondergebracht, en dat hij dus over muurtjes had leren klimmen om in contact te komen met leeftijdsgenootjes van andere kunne.

Dat was op zichzelf al zinderend genoeg, zelfs voor de vijf- of zesjarige die ik was, en zelfs al was het niet per se aan mij gericht. Maar het meest fascinerende was wat hij vertelde over het lezen van boeken. In de bibliotheek van dat internaat bevonden zich exemplaren waarin bepaalde passages waren doorgestreept. Glunderend van pret vertelde hij dat als hij zo’n boekwerk te pakken had, hij er meteen mee naar een van de lesgevende broeders stiefelde. Meneer, meneer, moet u nu eens kijken, er heeft zomaar iemand in dit boek zitten krassen! Dat kán toch niet zomaar? Dat mág toch helemaal niet? Daarop volgde een ongemakkelijke stilte en gemompelde halve verklaringen die aan alle kanten rammelden. Het klopte niet.

Mijn opa was vasthoudend: „Maar wat stáát daar dan allemaal? Kunt u dat niet woord voor woord vertellen. Wat stáát daar allemaal?”

Ik begreep er niets van en alles was mij duidelijk. Ik denk zelfs dat mijn leeslust in niet geringe mate is aangewakkerd door dit verhaal en het besmuikte gelach aan de kersttafel boven het gepruttel van de onvermijdelijke fonduepan. Wat stáát er dan precies?

Boeken waren spannend, en zo gevaarlijk dat er zinnen, alinea’s, totale pagina’s uit werden verboden. Laten we verheugd zijn over de neiging om boeken te willen verbannen. Het is de meest ruiterlijke erkenning dat literatuur niet zonder gevaar en gevolgen is.

Laten we blij zijn met censuur. Die doet meer voor de leesbevordering dan ons CPNB. Toch? Of gold dat alleen in de tijd van die kostscholen?

In de Verenigde Staten is het verbieden van boeken weer terug van nooit helemaal weggeweest. Bibliotheken en scholen van christelijke conservatieve staten hebben wel 2.500 boeken in de ban gedaan, schreef Thomas Rueb laatst in de Volkskrant. Het gaat vooral om boeken over gender, queer, ras, maar ook fantasie als Harry Potter of coming-of-age-klassiekers als The Catcher in the Rye.

Aan de andere kant van de ideologische strijdlinies verdwijnen de indianenverhalen van Winnetou uit de handel, duiken er sensitivity readers op en wordt de vertaling van een gedicht van Amanda Gorman niet meer toevertrouwd aan degene met de beste vertaalkwaliteiten, maar degene met de juiste achtergrond en raciale kenmerken.

Het zijn begrijpelijke stappen. Althans, voor wie gelooft dat verhalen impact hebben. Voor wie het kampvuur van de verbeelding heeft verruild voor de fakkel van het activisme.

We bannen uit wat onwelgevallig is, in plaats van onszelf ertoe leren verhouden, zoals je rond zo’n vuur zou doen, zoals zou verwachten van een universiteit die zich als motto en opdracht stelt: praesidium libertatis. Het bastion van de vrijheid.

We strepen in elkaars verhalen om te kunnen heersen. We strepen in elkaars verhalen om te kunnen voorkomen dat ze levens veranderen, impact hebben. We strepen in elkaars verhalen omdat we literatuur verwarren met storytelling.

In een wereld vol ideologische beschietingen dreigt ook voor de roman een functie elders. Zijn rol is niet langer die van een draaideur naar mogelijke werelden, maar naar juiste werelden. Niet langer een zoeklicht, maar een baken.

Om het klimaat te redden, het populisme te verdrijven, om verbinding te maken, om een trauma tot zingen brengen, om een stem geven aan de ongehoorden, om de geschiedenis te rectificeren, om het denken te dekoloniseren.

Verhalen zijn dan geen zaklampjes meer om een duistere werkelijkheid mee af te tasten, ze vormen de lichtmasten en straallampen van een landingsbaan die helder oplicht en die wel even komt afrekenen met alle onzekerheid. Hierheen mensen. Hier kunnen we landen. Hier kunnen we veilig landen. Want boven alles zullen we ons veilig voelen.

*

De vierde harde waarheid laat ik uitspreken door Gerard Reve, mijn voorganger, de eerste spreker in deze lezingenreeks. In 1985, een paar maanden voor de Tsjernobylramp, hield hij vier lezingen, waarvan de eerste eindigde met een handgemeen met een Leidenaar uit het publiek. De tweede heeft de terecht beroemd geworden titel: ‘Echt Gebeurd Is Geen Excuus’. En hierin heeft Reve het over de Onbruikbaarheid van de Werkelijkheid.

‘Als men jong is en nog denkt dat werkelijkheid en waarheid identiek zijn, dan begaat men licht de fout de werkelijkheid ongestileerd en integraal in het werk toe te laten. Heden ten dage is die fout een mode geworden. Men denkt in alle ernst dat het slachten van een kip op het toneel het beste vertolkt kan worden door een echte, levende kip voor het voetlicht te slachten.’

(Men denkt in alle ernst dat het voordragen uit een werk van de volksschrijver Gerard Reve het beste kan gebeuren door een echt, levend boek op het spreekgestoelte in de lucht te steken.)

Bekentenisliteratuur, openbare traumaverwerking, slachtofferproza, empathisch activisme: het is allemaal kippen slachten met een volgspotje erop. Erg hè?

We verwarren werkelijkheid met waarheid. Zoals de complotdenkers en complotdichters hun waarheid verwarren met de werkelijkheid. Hun storytelling richt zich op een resultaat in de werkelijkheid. De kracht van hun verhaal meten ze af aan de invloed ervan. Alleen impact telt.

Wie waarheid met werkelijkheid verwart, wil met zijn verhalen levens veranderen, zandstormen ontketenen. De activist-schrijver en de bekentenis-schrijver laten het kampvuur in de steek van de literaire verhalenmakers. Ze maken de oversteek naar het overbevolkte domein van de camera’s en de schermen, die de werkelijkheid dupliceren in al zijn authenticiteit.

Echt Gebeurd Is Geen Excuus, luidde het bij Gerard Reve nog. Inmiddels kun je stellen: Echt Gebeurd Is Voorwaarde. Er is een Gebod Tot Oprechtheid. Weg met alle verzinsels, weg met alle ironie.

*

Mijn vroegere stads- en cafégenoot Ilja Leonard Pfeijffer wijdde er in 2019 een essay aan: Ondraaglijke lichtheid. Gelijktijdig met de La Chouffe en de Sambuca had hij de ironie als levenshouding afgezworen. Hij schreef: ‘Ik zou wel eens iemand willen tegenkomen die meent wat hij zegt en die staat voor wat hij bedoelt. Ik zou wel eens iemand willen tegenkomen die denkt dat het belangrijk is om te bouwen in plaats van af te breken.’

Ik zou zeggen, bezoek eens een demonstratie. Ga ‘koffiedrinken’ op het Museumplein, wandel het Malieveld op. Of neem een duik in het internet. Bezoek een bijeenkomst van Forum. Of van GroenLinks. Of een boerenprotest. Of een Extinction Rebellion-actie. Allemaal zielen die menen wat ze zeggen en staan voor wat ze bedoelen.

Ik ga er vanuit dat Pfeijffers oproep om ironie te verwerpen irónisch was bedoeld. Maar het ironische van de ironie wil dat men hem letterlijk is gaan nemen, bitter ernstig, dodelijk eenduidig. Ondubbelzinnig communiceren, letterlijk, zonder misverstanden: dat is het streven van storytelling. De boodschapper heeft geen boodschap aan omwegen. Hij wil impact, en om daar verzekerd van te zijn moet zijn verhaal ontdaan zijn van alle ballast en wrijving. Het verhaal is informatieoverdracht, een precisieprojectiel.

Daarom is er een buitensporig sentimentele nadruk komen te liggen op het gebruik van het juiste woord. Niet wit maar blank. Tot slaaf gemáákten. U kent het riedeltje. In de dictatuur van het letterlijke wegen woorden zwaarder dan betekenissen, zwaarder dan intenties. Alleen de aerodynamische eigenschappen van onze projectielen doen ertoe.

We vertellen elkaar verhalen om elkaar te raken.

*

We vertellen elkaar dat we leven in een tijd van verharding. Maar de vijfde harde waarheid is dat we juist een tijd meemaken van verweking.

Elk pijntje, elk trauma, elke afwijking, elk anders-zijn leren we bezingen. Je moet jezelf ‘uiten’. Wie een kwetsuur heeft, moet dit uitschreeuwen, zich kwetsbaar tonen. Iets in het autistisch spectrum? Déél het, op tafel ermee! Allergisch, verwaarloosd, mishandeld of misbruikt? Vertél het alsjeblieft aan een zo groot mogelijk lezerspubliek. Ben je niet-gehoord? Kom hier, dan geven we je een stem. Erg hè?

De eenentwintigste eeuw zal vrouwelijk zijn, schreef de Franse feminist Michel Houellebecq. Of hij gelijk heeft, weet ik niet. Maar het is in elk geval een eeuw van fluwelen handschoentjes en van tissues. En tegelijkertijd is het klimaat er wel degelijk verhard, omdat onze allerindividueelste emoties en wereldbeelden maar zelden door de hele wereld gedeeld blijken te worden. Onder gelijkgestemden zijn we verweekt. Hardvochtig zijn we naar diegenen die we nog moeten bekeren. Met wilde kreten en woeste gebaren.

Lijm je hoofd vast aan een Rembrandt
Steek Rushdie door zijn oog
Hang vlaggen op hun kop
Maar wees oprecht

Lijm je hand vast aan het wegdek
Duw dreigmail door een bus
Zwaai met fakkels
Maar meen het echt

Lijm je lul vast aan een Warhol
Soepblik-werpen op YouTube
Livestream een vlag vast aan je kop
Rol je trekker op een Ruysdael
Doek privéjets op en kom
Poneer een opera voor de zee

Spiegel je aan Anne Frank
Reikhals naar een verleden
Tijd van vrede, tijd van recht
Geaarde waarheid, werkelijk, heus
Kijk eens hoe echt.

Kijk eens hoe echt, of om het in het jargon van onze storytellers te zeggen: voel eens hoe echt. Want effectieve communicatie is affectieve communicatie. Wie ronddobbert in zijn sociale media-vijvertjes, schrikt op bij berichten die hem aangrijpen, die hem raken. De grootste verspreiding, de grootste impact hebben nooit de trage kampvuurverhalen, noch de genuanceerde analyses, noch de prikkelende verzinsels. De grootste verspreiding hebben de beelden en beweringen die de sterkste emotionele opwinding opwekken. Onze empathie en onze verontwaardiging moeten worden bespeeld, niet onze verbeeldingskracht, niet ons taalgevoel, niet ons denkvermogen.

Ach ja, verbeeldingskracht, taalgevoel, denkvermogen: ooit de heilige drie-eenheid van de vertelkunst, maar de activisten, de belijders, de predikers en al die andere kippenslachters deinzen er niet voor terug om ze in één moeite door te offeren op het hakblok van hun opwindingskunst.

Verbeeld je maar niets. Meen wat je zegt en sta voor wat je bedoelt.

In empathische communicatie is de allerheftigste expressie van de allerheftigste emotie de maatstaf.

Het is de retoriek van de influencer. Empathie en verontwaardiging manipuleren in de gewenste richting. Nog niet zo lang geleden hoefden we alleen maar ‘tolerant’ voor anderen te zijn. Hierna leerden we ‘respect’ te hebben. En op de morele barometer is de wijzer nu versprongen naar ‘empathie’.

De kunsten zijn er dolblij mee. Ze ontlenen er een fonkelnieuw gevoel van eigenwaarde aan. Plotseling doen ze er weer toe. Zij zijn het die al die inleving en empathie kunnen versterken door andere perspectieven te belichten, ongehoorden een stem te geven, de geschiedenis te herschrijven, verzachtende bordjes hangen onder schurende kunstwerken.

Maar empathie is een slechte raadgever. Dat betoogde Psycholoog Paul Bloom in 2016 al in zijn boek Against Empathy. Empathie als richtlijn nemen voor politieke besluitvorming kan desastreus uitpakken. Omdat invoelen en empathie zich richt op één persoon, of hooguit een beperkt aantal personen. Je kunt je onmogelijk inleven in duizend zielen tegelijk. Empathie heeft iets inherents beperkts en willekeurigs.

Literatuur moet het juist hebben van die beperking. Een beetje schrijver weet dat hij empathie moet inzetten als valstrik. Inleving is een retorisch middel. De schrijver laat ons inleven in hoofdpersonen die juist allerminst morele helden zijn, maar tegen de tijd dat we dat ontdekken is het al te laat. Misschien identificeren we ons wel bij voorkeur met degenen die geen lieverdjes blijken. Met Raskolnikov en Humbert Humbert, Patrick Bateman, Sebastiaan Steijn, Emma Bovary en natuurlijk Donald Duck.

„Een roman beschrijft, beweert of verdedigt niet. Hij onderzoekt,” zei Milan Kundera in Over de romankunst. En zo’n onderzoek heeft als implicatie dat er de roman geen vooropgezette moraal heeft. In een romanwereld is de morele oordeel opgeschort. Amoreel-zijn is de moraal van de roman.

Een literair onderzoek betekent ook dat het verzinsel geen kopie is van de werkelijkheid, maar daarmee in ironische relatie staat. Die ironie is de basis van elke fictie.

In Engeland legde Howard Jacobson eens uit dat de roman van oorsprong ‘een komische, destructieve, sceptische vorm is’. De roman, zoals die ontstaan is bij Rabelais en bij Cervantes, was een prachtige vorm van ‘disrespect en ongeloof en achterdocht en ongehoorzaamheid’. In bijna elke grote romanschrijver schuilt een comedian, stelt hij. We vertellen onszelf verhalen om de verhalen te verkruimelen die we onszelf vertellen. We vertellen onszelf verhalen omdat de verhalen niet kloppen.

Het meest aanstootgevend aan Salman Rushdies Duivelsverzen was niet dat hij islamkritiek had. Het was het feit dat hij de profeet afbeeldde, en dat hij hem hiermee het rijk der fabelen in trok. Het was de nevenschikking van het heilige verhaal naast profane mythes, fabels, kolder, sprookjes, roddelarij. Van de gesloten, effectieve en affectieve storytelling die religie nu eenmaal is, stuurde hij de profeet naar het rijk van de verbeelding, van de kampvuurverhalen, van de goddelijke komedie.

In een van zijn essays, onlangs vertaald als Taal van de waarheid gaat Salman Rushdie in op „de groeiende overeenstemming dat censuur gerechtvaardigd is wanneer bepaalde belangengroepen, of seksen, of geloofsovertuigingen zich beledigd verklaren door een werkstuk. Maar grote kunst – of laten we het bescheidener zeggen: originele kunst – wordt nooit gemaakt in het veilige midden, maar altijd op het randje.”

Dat deelt de schrijver met de komediant, met de stand-up comedian. Die zoekt op het podium de sweet spot op, de rand tussen bruuskeren en behagen.

*

In de Herman Broodsteeg had ik, negen jaar geleden, mijn laatste gesprek met Thomas Blondeau. Ik had hem lang niet gezien en zou hem hierna nooit meer zien. Hij kwam net van de uitgeverij en vertelde over het omslag van wat zijn laatste roman ging worden. Jonge vrouw trekt trui aan of uit over haar hoofd, de borsten nog net of net niet meer bedekt. Stijlvol, dubbelzinnig. De sweet spot.

Aan tafel van het café ernaast kwam de cabaretier in hem weer naar boven, en hebben we enorm gelachen. Nu ik weer veel in Leiden ben, realiseer ik me dat hij precies dat mengsel had van hilariteit en ernst, van pleasen en provoceren dat onze huidige tijd zo mist.

In dat weekend van mijn tiende verjaardag zaten ook de Vlamingen met die nucleaire wolk in hun maag. De weerman van de BRT had de tv-kijkers geruststellend nieuws gebracht – de wolk was afgezwaaid naar Frankrijk – maar ’s avonds kreeg hij het bericht dat er radioactieve straling was gemeten, ook in Brussel, en er toch mogelijk gevaar op komst was. Hij wilde iedereen oproepen binnen te blijven, maar de omroepbaas, Karel Hemmerechts, drukte hem op het hart dit te verzwijgen. „Ik was een gevaarlijk persoon”, blikte de weerman in 2011 terug in De Morgen. „Kinderen speelden buiten die dag. Ik had paniek kunnen zaaien, ik moest me bij de feiten houden. We hebben veel geluk gehad dat het niet geregend heeft.”

Die omroepbaas was de vader van Kristien Hemmerechts, gastschrijver in 1995. Zij blikte terug: „Iedereen vertelde dat mijn vader info wou achterhouden. Eerst was ik ook kwaad op hem. Het was een verlengd weekend, ik was ook gaan picknicken. Hij had niet eens zijn eigen dochter gewaarschuwd.”

Verspreiden de media fake news? Lopen ze aan de leiband van het World Economic Forum? Welnee. Maar het klopte natuurlijk niet. Achteraf sprak Hemmerechts haar vader erover en lag het allemaal subtieler. De achterliggende oorzaak van het achterhouden van informatie is zelden een samenzwering, zelden moedwil, maar veel vaker de som van onhandigheden, goede bedoelingen, klunzigheden en misverstand. Die kluwen van het al te menselijke is het, dat literatuur ons toont. Zonder er een remedie tegenover te zetten. Ook zonder complotten klopt het niet. Het klopt namelijk nooit en het zal nooit kloppen.

Storytelling is het protest van ons primitieve brein tegen een al te complexe wereld. Het is een versimpeling om iets concreets te bereiken. Het is de efficiëntie van de combimagnetron, in stapelbare blokvorm, tegenover de onhanteerbare, vorm- en doelloze kracht van het vuur.

O ja, bínnen de verhaalwereld moet alles geloofwaardig zijn, werkelijker nog dan de werkelijkheid. Wat zeg ik: de werkelijkheid moet er flets bij afsteken. De werkelijkheid is een tweederangs actrice in afdragertjes en gerafeld ondergoed.

Een overtuigende roman zet de werkelijkheid in haar hemd. De roman ontmaskert keizers zonder kleren. De interne geloofwaardigheid verstoort het geloof in die daarbuiten. Fictie bevestigt die niet, maar morrelt juist aan alle aannames, met een duivelse grijns. De romanwereld is per definitie onveilig.

Nee, de meeste boeken deugen niet. Dat is de zesde harde waarheid.

Onze tijd van verharding én verweking dreigt dat elementaire inzicht uit het oog te verliezen. Aan beide kanten van het spectrum groeperen de ongehoorden, de zich-tekort-gedaan-voelenden zich tot een strijd voor het goede.

De strijders zijn storytellers van pasklare verhalen. Allemaal wanen ze zich ongehoord, en trekken met omgekeerde vlaggen en Pride-vlaggen en boerenzakdoeken en regio-vlaggen en Black Lifes-vlaggen en Extinction-vlaggen de straten door. Vaak zeulen ze ook statieven mee. Met vlogcamera’s, microfoons, led-lampjes. Iedereen is een complete cameraploeg, een eenpersoonspropagandamachine, een mediale combimagnetron.

Ik heb ze gezien tijdens coronademonstraties en bij boerenprotesten. Ik heb ze gezien bij klimaatdemonstraties, bij sit-ins en solidariteitsmarsen. Ze komen woorden en handen te kort. Ze lijken wel Hindoegodinnen, met acht of twaalf armen om al die apparatuur te dragen.

„Is het allemaal nog te tillen?” vroeg ik op het Museumplein aan een yogamoeder. Ze antwoordde: „Het gaat nog nét.” Het draagbare lichtgewicht van de onwerkelijkheid. Het atelier van de complotdichter is de buitenlucht met een camera en werkend internet.

En dit is goed, vergis je niet. En op een bepaalde manier is het goed dat ze dit doen. Zo blijft er namelijk wat te lachen. Elk pasklaar verhaal is namelijk belachelijk. Het koningshuis? Bespottelijk. Het christendom? Geestig. De islam? Hilarisch. We vertellen onszelf verhalen om ons verhaal te relativeren.

*

Maar wat als ironie en humor niet meer worden herkend? Afgelopen week kwam dat ‘ineens wel heel dichtbij’, zoals dat heet. In een vergaderruimte hiernaast – u kunt het onmogelijk gemist hebben – is een schilderij weggehaald van sigaarrokende witte mannen, onder wie de democratisch gekozen rector Dolf Cohen. De promovenda die er aanstoot aan nam, vroeg op Twitter of er geen „ironische of enigszins zelfkritische” boodschap bij kon worden geplaatst. De ironie wil dat de kunstenaar, de 89-jarige Rein Dool, zijn eigen werk juist typeert als een humoristisch en ironisch. Terecht, lijkt me. Maar voor die picturale ironie waren de gekrenkte bezoekers van die vergaderruimte blijkbaar stekeblind. De rest is misverstand, klunzigheid en geschiedenis.

Het hangt er weer. Al die bevlogen kunstliefhebbers van De Telegraaf, Forum, JA21, BBB en PVV hebben gewonnen. Ze zijn nu ook allemaal voorstander van een hoger kunst- en cultuurbudget. In de democratische geest van Dolf Cohen zou er nu een prijsvraag moeten komen voor de tekst op zo’n zelfkritische bordje onder die oude witte mannen. Ik doe alvast een voorstel: ceci n’est pas un college van bestuur.

Zoals min en min plus wordt, zo is de som van een ironisch commentaar op een ironisch werk: bittere ernst.

Lijm je toga aan de rokers van Rein Dool
Keer ze de rug toe, halvezool
en mansplainend tuig
Pleng je witte tranen, juich

Maak alles veilig, lijm rubbertegels
Op het heilig pad van de cortège
Houd je tiptop aan de regels
Zwart of wit geen grijs en beige

Lijm je toga aan de rokers van Rein Dool
Grijp ze bij hun das: tegen de muur
En knal ze neer met je pistool
Ceci n’est pas un college van bestuur

*

Hier komen we op de belangrijkste en hardste waarheid van vanavond. Dat is dat – hoezeer schrijvers ook opgeschoven zijn naar het waargebeurde – toch niemand ons het hele verhaal vertelt. Zonder meteen over te gaan tot aannames deed ik persoonlijk duizenden uren onderzoek en ik kan niet anders concluderen dan dat noch schrijvers, noch dichters, noch letterkundigen ons het hele verhaal vertellen.

De zevende harde waarheid is dat er een wereldwijde samenzwering gaande is die empathie tot hoogste waarde wil uitroepen en die ons wil laten geloven dat verbeeldingskracht, ironie en humor moeten worden geëlimineerd. En ik ben mij – beste mensen, lieve reizigers – iets gaan afvragen. Is het niet héél toevallig dat dit precies tijdens de coronacrisis versterkt is? Dat we allemaal aan onze schermen gekluisterd zaten, klaar om ons op te winden, om mee te leven, boos te worden, klaar om te ontploffen, klaar om springstof te worden in een emotionele vuurwerkshow? Black Lives Matter, Trump, Brexit, corona, zwarte piet, klimaat, stikstof. Is het niet héél toevallig dat dit allemaal vrijwel tegelijk op ons af komt?

„Het toeval is de slechtste schrijver ter wereld.” Dat heeft Cees Nooteboom eens beweerd. Hierboven in het zweetkamertje zette ik 23 jaar geleden mijn handtekening nadat ik op het werk van Cees Nooteboom afstudeerde. Dus het zal wel waar zijn. Het toeval is de slechtste schrijver ter wereld. Maar ik ben niet de auteur van al dat ál te toevallige.

Ik stel alleen maar vragen. Ik maak grappen achter mijn schrijftafel. Ik ben een sit-down comedian, die dode dichters leest, zoals Fernando Pessoa. Hij schreef: „Wat de opvattingen van een mens als staatsburger ook zijn, hij mag er niet één hebben als kunstenaar. Op politiek vlak is het immoreel ónpartijdig te zijn; op esthetisch vlak is het immoreel partíjdig te zijn.”

Of laten we terugkeren bij Joan Didion. In haar essay ‘De vrouwenbeweging’ (1972) schrijft ze: „Het idee dat in fictie altijd een zekere, niet weg te nemen ambiguïteit schuilgaat is blijkbaar nooit tot deze vrouwen doorgedrongen, en dat kan ook haast niet, want fictie verhoudt zich op vrijwel geen enkel front met ideologie.”

Zijn we het vuur van de verbeelding aan het inruilen voor de combimagnetron van de storyteller? Zo erg is het niet. We kunnen ons nog verzetten tegen de empathische samenzwering. En dat is wat ik op deze plek heb willen doen. Ik heb mij opgeworpen als de Vestaalse Maagd van het ambigue vuur.

Ik wil afsluiten met optimistische woorden. En die komen van de Leidse hoogleraar Nederlandse letterkunde die wat mij betreft geldt als de meest inspirerende opvolger van Albert Verwey, namelijk Ton Anbeek.

Als ik de gedachte achter zijn literatuurgeschiedenis al te kort door bocht samenvat, dan is het dat er in die geschiedenis een golfbeweging zit, een slinger, die heen en weer beweegt van realistische, mimetische, geëngageerde tendensen, naar allerlei vormen van het niet-realistische, het fantasierijke, het lyrische, het autonome, surrealistische, het rijk van de verbeeldingskracht.

De literatuurhistoricus, schrijft Anbeek, „merkt [hooguit] de kabbeling op die “de literaire dynamiek” wordt genoemd: na realisme komt minder mimetisch proza, op strakke prosodie volgt het vrije vers. Golfbewegingen die soms worden voortgestuwd met wilde kreten en woeste gebaren, maar op andere momenten rustig hun eigen ritme lijken te volgen…”

Laten we vertrouwen op die kabbeling. Laten we erop vertrouwen dat er geen zandkorrel van plek en geen planeet van baan is veranderd.

Na regen komt zonneschijn. Wat er ook zal volgen op de combimagnetrons van nu, het zal hoe dan ook de gedaante hebben van een tomeloos vuur.