Opinie

De rokende-mannen-rel

Column

Floor Rusman

Maandag arriveerde ik wat later bij het publieke debat. De rel rondom het schilderij met de rokende mannen was volop gaande, ik kon meteen aanschuiven. Het stelde niet teleur: de ophef was sappig, grappig en belachelijk, precies wat je ervan wil.

Voor de mensen die er niet bij waren: een promovenda aan de Universiteit Leiden had zich op Twitter kritisch uitgelaten over een schilderij in een vergaderzaal, met daarop zes oud-bestuurders (m). Schielijk haalden twee medewerkers het van de muur; „Done!”, twitterde de vice-decaan.

Wat de klacht in de kern behelsde was mij niet duidelijk. In de berichtgeving werd steeds nadrukkelijk vermeld dat het om ‘rokende mannen’ ging – niet alleen hun sekse was dus het probleem, maar ook het roken. Dit zette bij mij als nostalgische ex-roker kwaad bloed. Het werd nog erger, want, zo zei een collega: wist je dat ze nu ook al trigger warnings bij films zetten waarin gerookt wordt? Neeeee, dat kan toch niet? Wat is het volgende, trigger warnings bij snoep?

Ik was in het verontwaardigingskarretje gestapt, en het ging een paar keer over de kop. Heerlijk is dat, je voelt weer dat je leeft.

De rokende-mannen-ophef kwam twee dagen na een ander type publieke verontwaardiging: die over de uitspraken van Gideon van Meijeren. Het FVD-Kamerlid had gesuggereerd dat boze kiezers „bij wijze van spreken” bij het Tweede Kamergebouw konden demonstreren om zo de regering ten val te brengen. Deze nieuwe trede op de FVD-escalatieladder was aanleiding voor een discussie: moet het mogelijk zijn een politieke partij te verbieden?

Ik was in het verontwaardigingskarretje gestapt. Heerlijk is dat, je voelt weer dat je leeft

Anders dan bij het schilderij ging het hier om iets groots: de bedreiging van het hele politieke systeem. Het eerste is een microkwestie, het tweede een metakwestie. Toch hebben ze ook iets gemeen. Beide typen discussie bezetten veel ruimte in het publieke debat: in talkshows, opiniepagina’s en sociale media. Maar ze gaan niet over daadwerkelijke politieke vraagstukken. Hoeveel emoties zo’n verwijderd schilderij ook oproept, het blijft een incident, en is bovendien geen uitkomst van een politiek proces: het weghalen gebeurde in een opwelling, en niet door een ambtenaar of politicus. Ook het gesprek over een mogelijk partijverbod is zelf geen onderdeel van een politieke discussie. Het gaat over het systeem waarbinnen die discussie moet plaatsvinden.

Tussen de rellen door las ik het deze week verschenen essay Vechten voor democratie, waarin historicus Ewoud Kieft onderzoekt waar de onvrede met de politiek vandaan komt. Hij legt de verantwoordelijkheid deels bij de middenpartijen, die de afgelopen decennia zo op elkaar gingen lijken dat de kiezer weinig keus meer had. De democratie heeft ideeënstrijd nodig, aldus Kieft: dat is de uitweg uit deze malaise. Als die strijd er was geweest, waren er niet zoveel nieuwe partijen ontstaan op de flanken.

Kiefts analyse is terecht, maar niet nieuw. Al jaren pleiten mensen voor meer ideologisch debat, tot Mark Rutte aan toe. Sommige opiniemakers hoopten dat de nieuwe flankpartijen zouden helpen: meer standpunten zouden vertegenwoordigd zijn, met meer inhoudelijke discussie tot gevolg.

Wat komt daarvan terecht? Het publieke debat lijkt misschien levendiger dan in de apolitieke jaren negentig, maar echte ideeënstrijd is er niet meer dan eerst. Dat komt onder andere doordat heel veel energie gaat zitten in de micro- en metakwesties. Juist flankpartijen als PVV en FVD werken daaraan mee: ze weten steeds weer de aandacht te richten op zaken als Zwarte Piet (micro) of vrijheid van meningsuiting (meta). Een logische strategie, want dit soort kwesties weet vliegensvlug emoties op te roepen, zoals ik maandag weer eens merkte.

Helaas: het zijn verspilde emoties. Over de microkwesties zijn politici het oneens, maar hebben ze geen zeggenschap. Het gaat immers meestal om zaken die zich buiten de politiek afspelen: het Leidse schilderij, Zwarte Piet, genderneutraal speelgoed, vastgelijmde activisten. Over de metakwesties hebben politici wel zeggenschap, maar zijn ze het juist (grotendeels) eens. Geen enkele politicus zal zeggen de democratie te willen afschaffen. Ondertussen zitten we op de vurige discussies over de woningmarkt, vermogensongelijkheid of arbeidsmigratie nog steeds te wachten.

Het publieke debat is een eindige ruimte. Alle plek die een verwijderd schilderij inneemt, gaat ten koste van de ruimte voor thema’s waarover een ideeënstrijd gevoerd kan worden. De komst van nieuwe flankpartijen heeft niet geholpen: er is meer polarisatie en extremisme, maar nog minder politiek debat.