Recensie

Recensie Boeken

Waarom voelden zoveel Duitsers zich toch aangetrokken tot Hitler?

Tweede Wereldoorlog Horst Krüger probeert in een boek over zijn eigen jeugd in het Derde Rijk de vraag te beantwoorden waarom een volk massaal achter een dictator aanloopt.

Tijdens een nazi-partijcongres in Neurenberg juicht een menigte de nazi-top toe. Foto SZ

Het gebroken huis van Horst Krüger laat zich moeilijk vergelijken met andere boeken over de Tweede Wereldoorlog. Om te beginnen is dat omdat het verhaal zich nauwelijks afspeelt in de oorlog. We lezen wel dat de auteur soldaat was aan het Oostfront, dat hij in Italië de beroemde slag bij Monte Cassino meemaakte en dat hij aan het einde van de oorlog krijgsgevangen werd gemaakt aan het Dortmund-Eemskanaal. Maar erg mededeelzaam is hij niet over zijn ervaringen als soldaat. Het hoofdstuk over zijn legertijd ‘mislukte telkens weer’, vertelt hij in het nawoord. ‘Voor de kritische lezer moet hier wel een leegte gapen en dat geef ik volmondig toe.’

Toch is het een bijzonder boek. Bij het lezen moest ik af en toe denken aan Slachthuis vijf, al is de klassieker van Kurt Vonnegut deels fictief en het boek van Krüger niet. Wel heeft het eenzelfde soort rauwheid en intensiteit, alsof de herinneringen uit het geheugen van de auteur zijn gerukt. En ook is het een oprechte poging om uit te leggen wat moeilijk uit te leggen is.

Waarom loopt een volk massaal achter een dictator aan? Die vraag, nog altijd actueel, probeert Horst Krüger te beantwoorden aan de hand van zijn eigen jeugd. Horst Krüger (1919-1999) groeide op in de Berlijnse wijk Eichkamp. Hij schreef het boek in de jaren zestig van de vorige eeuw. Recent werd het herontdekt en in een groot aantal talen vertaald, waaronder het Nederlands.

Eén hoofdstuk, dat heel indringend is, gaat over de zelfdoding van zijn zus Ursula in 1938. Ze nam een giftige kwikverbinding in en overleed na een ziekbed van drie weken. Krüger gebruikt de dood van zijn zus vooral om zijn jeugd tot dan toe te beschrijven. Die was tergend saai. ‘Als er niet de ziektes van mijn moeder waren geweest’, schrijft hij, ‘die heerlijke, avontuurlijke ziektes van een fantasievolle vrouw, dan was mijn jeugd in Eichkamp één enkele dag geweest die vijftien jaar duurde, vijftien jaar niets, gewoon niets wat je ups en downs, schrik of vreugde had kunnen noemen.’

Lees ook de recensie van de dagboeken van Victor Klemperer: Persoonlijke notities uit het Derde Rijk

Servies uit de kast

Door de dood van zijn zus ziet hij bij zijn ouders eindelijk iets wat op emotie lijkt. Er komt familie langs die hij nauwelijks kent. Servies dat nooit wordt gebruikt, mag uit de kast. ‘Nooit’, schrijft Krüger, ‘heb ik me in Eichkamp zo thuis gevoeld als toen Ursula stierf.’

De dood van Ursula is een schokkende onderbreking van een verder heel gewone jeugd. Een jeugd zoals velen die hadden. Krüger vat het zo samen: ‘Ik ben een typisch product van die argeloze Duitsers die nooit nazi’s waren en zonder wie de nazi’s hun werk toch nooit hadden kunnen doen.’ Overtuigde nazi’s waren er niet in Eichkamp.

In het kleinburgerlijke milieu waarin hij opgroeide, vindt Krüger de verklaring voor het succes van de nazi’s. Zijn vader raakte in 1916 zwaargewond bij Verdun, maar gefrustreerd over het Duitse verlies in de Eerste Wereldoorlog was hij niet. Hij kwam uit de oorlog met een IJzeren Kruis en mocht een loopbaan als ambtenaar bij het ministerie voor Cultuur beginnen. Langzaam klom hij steeds verder in de hiërarchie.

De bewoners van Eichkamp bezaten allemaal ‘het onfeilbare gevoel voor de allerfijnste verschillen in aanzien’. Een buurman die op vergelijkbare manier carrière had gemaakt als de vader van de auteur, ook een hogere ambtenaar, stond toch nét iets lager in de hiërarchie omdat hij werkte voor het ministerie van Landbouw, dat iets minder prestige had dan dat van Cultuur. Maar in de omgang met een ander gezin, waarvan de man ‘slechts’ hoofdinspecteur was bij de posterijen, voelden de Krügers zich dan weer een beetje minderwaardig omdat hun zoon medicijnen studeerde.

Die kleine statusverschillen zijn volgens Krüger essentieel om te begrijpen wat er in de jaren dertig gebeurde. ‘Het was niet het negatieve van de Duitse geschiedenis wat in Eichkamp rumoerde’, schrijft hij. ‘Men had alleen maar altijd de bange vrees gehad weer af te glijden, en nu was er iemand die ons als op vleugels steeds verder omhoog wilde voeren. Dat was het. Gewoon te mooi om waar te zijn.’

En zo kon het gebeuren dat zijn moeder, net als zijn vader zo apolitiek als wat, op een dag thuiskwam met een hakenkruisvlaggetje voor aan zijn fiets.

Moordpartijen

Er zijn veel boeken geschreven over de aantrekkingskracht van Hitler en historici hebben meer verklaringen gegeven dan die van Krüger. Zijn verklaring is natuurlijk niet het hele verhaal, maar wel eentje die beklijft. Door zijn nauwkeurigheid, zijn eerlijkheid en de mooie zinnen waarmee hij het opschrijft.

In een poging te begrijpen gaat Horst Krüger, die na de oorlog zijn brood verdient als essayist en literair criticus, in 1964 naar het Auschwitzproces in Frankfurt. Daar staan enkele tientallen personen terecht die betrokken waren bij de moordpartijen in het kamp. Als hij iets te laat de rechtszaal binnenkomt heeft hij niet meteen door wie de verdachten zijn. Ze zien er zo gewoon uit. Representanten van het kleinburgerdom, net als hij. Terwijl hij naar hen luistert stelt Horst Krüger zichzelf de vraag wat hij zou hebben gedaan, als hij niet de opdracht zou hebben gekregen para’s te vervoeren aan het Oostfront, maar had moeten helpen in een vernietigingskamp. ‘Ik was beslist geen held geweest’, denkt hij. ‘Ik had me eraan onttrokken en mijn mond gehouden. Maar wie zal zeggen hoelang ik me eraan had onttrokken?’