Recensie

Recensie Boeken

Een bloemlezing met poëzie en een debuutbundel laten de kinderwereld van nu zien

Kinderpoëzie Uit een nieuwe bloemlezing met kinderpoëzie komt de hele moderne leefwereld van kinderen aan de orde. De fraaie illustraties versterken dat alleen maar.

Illustratie van Sarah van Dongen uit het boek: ‘Ik denk dat ik ontvoerd ben’.
Illustratie van Sarah van Dongen uit het boek: ‘Ik denk dat ik ontvoerd ben’.

Dat drie gedichten uit Pim Lammers’ debuutbundel Ik denk dat ik ontvoerd ben zijn opgenomen in de vuistdikke poëziebloemlezing Heel de wereld wordt wakker, samengesteld door Jaap Robben, zegt niet alleen wat over het hoge niveau van Lammers’ dichtkunst, maar ook wat over wat deze selectie van 333 gedichten pretendeert te zijn: een spiegel van onze moderne tijd. Niet toevallig begint die tijd in 1990. Dat was het publicatiejaar van de met een Gouden Griffel bekroonde bloemlezing Als je goed om je heen kijkt zie je dat alles gekleurd is, waarin de leeftijdloze poëzieselectie van Tine van Buul en Bianca Stigter de jeugdliteraire emancipatie die toen gaande was, treffend weerspiegelt. Maar die, vindt Robben, is ondertussen wel voltooid: ‘De beste jeugdpoëzie is mensenpoëzie’, schrijft hij in zijn verantwoording, ‘literatuur zonder bovenleeftijd’.

Annie M.G. Schmidt-loos

Robben houdt rekening met zijn doelgroep, lezers van zes tot twaalf jaar. Heel vernuftig heeft hij deze Annie M.G. Schmidt-loze bloemlezing zo samengesteld dat kinderen erin mee kunnen groeien. Beginnend met Hans en Monique Hagen en Riet Wille zetten ze hun eerste stappen op dit ‘poëziepaadje’, waarna ze via de gedichten van Edward van de Vendel en Joke van Leeuwen aankomen bij vergezichten van dichters als Toon Tellegen en Maud Vanhauwaert. Of de dichters nu voor kinderen of volwassenen dichten, Vlaams of Nederlands zijn, leven of al dood zijn, verreweg de meesten van hen dichten niet óver maar vanuít het kind, passend bij de huidige tijd waarin alles draait om persoonlijke beleving en waarneming, en Robbens idee dat poëzie ‘een soort gebruiksaanwijzing bij jezelf’ is.

Zo is ‘Ik’ het allereerste woord in Kate Schlingemanns gedicht ‘Eerste woorden’. Em: ‘Ik loop naar buiten en zie meteen/ dat ik besta: mijn adem is een wolk’, uit Ted van Lieshouts prachtige ‘Winterochtend’ (waaraan de titel van de bloemlezing is ontleend). Of de gedichten die ‘ik’ als titel meekregen: eentje van Bette Westera (een auteur die je je hele poëziereis lang dikwijls tegenkomt), naast Van Lieshout, Van de Vendel en Kees Spiering. En ‘Ik 2’ van Bas Rompa dat uit 1991 dateert maar bijzonder eigentijds aandoet: ‘Tegenwoordig kun je zoveel/ zoveel soorten mensen worden:/ homo- hetero- bisexueel,/ het is allemaal in orde.// Wat word ik, wat wil mijn lijf?/ Ik denk dat ik Nikso blijf.’

Gender- en diversiteit

Gender- en seksuele diversiteit heeft ook de aandacht van Pim Lammers, zoals blijkt uit ‘Wat jongens niet mogen doen’, over een jongen die worstelt met zijn geaardheid. Het is ook het openingsgedicht in Lammers’ eigen debuutbundel, die je een exponent zou kunnen noemen van de moderne ‘mensdichtkunst’. Na de opsomming van een rij verboden van opvoedkundige aard (variërend van niet ‘met losse handen fietsen’ tot niet ‘spieken tijdens het veel-te-moeilijke-woorden-dictee’), sluit dit gedicht af met: ‘daarom geef ik Nick/ alleen in het geheim,/ alleen als niemand het ziet,/ een zoen’. Het is karakteristiek voor Lammers’ inclusieve onderwerpskeuze. Een neef met make-up, een gezin met twee vaders (of twee moeders), een andere achtergrond, het passeert allemaal de revue in de vijfenvijftig verhalende familiegedichten in vrije versvorm.

Dat deze nergens te zwaar worden, komt door de meesterlijke manier waarop Lammers, geholpen door de frisse illustraties van Sarah van Dongen, met lezersverwachtingen speelt. Veel gedichten eindigen met een subtiele verandering van perspectief waardoor het ongewone ineens verrassend gewoon wordt. Sprekend voorbeeld hiervan is het lichtvoetige ‘Tante Ben’, waarin de ik-persoon eigenlijk niet goed weet of zijn tante in haar blauwe jurk nu een man of vrouw is. Als het kind vraagt: ‘ben jij een hij of een zij?’ luidt het antwoord: ‘“Geen hij, zij, hem of haar voor mij,/ ik hoor liever hen of die.”/ “Die?” vraag ik. “Hen?”// Die glimlacht./ “Zeg jij maar gewoon tante Ben.”’

Lammers’ engagement beperkt zich trouwens niet tot het vraagstuk rondom persoonlijke identiteit. Hij dicht met hetzelfde gemak over scheidingsproblemen, (broeder)jaloezie, huiswerk-geworstel, de dood, pesten. Daarbij gebiedt de eerlijkheid te zeggen dat een iets strengere selectie de gezinsthematiek ten goede was gekomen. Wat niet wegneemt dat Lammers een krachtige eigen stem heeft.

Eigenheid draagt ook de bloemlezing Heel de wereld wordt wakker uit. Behalve door Robbens zorgvuldige, op zijn poëticale uitgangspunten afgestemde selectie, komt dit zeker ook door de levendige kleurenillustraties van Sebastiaan van Doninck. Knap voegen ze verhalen toe aan de gedichten en rijgen ze die zo spitsvondig aan elkaar. Sterk is bijvoorbeeld de Escher-achtige manier waarop hij het ongenoemde monster uit Ester Naomi Perquins ‘Wedden’? onder het bed van de ik-persoon laat uit stormen, waarna het beest transformeert in ‘de wolve-wolken’ uit Westera’s ‘Wolken’. Zo houdt deze veelkleurige bloemlezing je wakker en voert hij je spelenderwijs mee op leesavontuur in de wereld van de kinderdichtkunst 2.0.