Opinie

Hoe het oorlogstrauma van Heere Heeresma het leven van zijn kinderen bepaalde

Michel Krielaars

Een dag nadat John Albert Jansens documentaire Mijn naam is Heeresma op televisie was uitgezonden, besloot ik een literaire wandeling te maken door Amsterdam-Zuid, waar Heere Heeresma (1932-2011) ruim tachtig jaar geleden opgroeide. Alsof ik wilde zien waar hij zijn oorlogstrauma’s had opgelopen, waarmee hij, zoals uit de film blijkt, jaren later zijn beide kinderen zou belasten.

Na een paar honderd meter stuit ik in mijn eigen straat op de twee Stolpersteine die onlangs voor de Duits-Joodse schrijfster Grete Weil en haar man Edgar zijn gelegd. Grete, in Nederland bekend door haar onderduikroman Tramhalte Beethovenstraat, overleefde de oorlog, Edgar Weil werd door de bezetter vermoord. In het nieuwe nummer van literair tijdschrift De Parelduiker staat een mooi artikel van Reinjan Mulder over de geschiedenis van Grete’s onlangs in haar literaire nalatenschap gevonden onderduikroman Der Weg zur Grenze, die begin volgend jaar in vertaling verschijnt.

Weer een paar honderd meter verderop sta ik stil bij de gedenksteen voor Gerhard Badrian, de Duits-Joodse verzetsheld die tegenover het SD-hoofdkwartier bij een vluchtpoging, werd doodgeschoten. Ik maak een omweg door de Courbetstraat, waar Etty Hillesum bij haar minnaar Julius Spier op bezoek ging. Mijn wandeling is er een vol schuldige stenen, zoals de schilder en schrijver Armando ze zou noemen.

Op de Apollolaan, schuin tegenover het sjieke flatgebouw waar SD-chef Willy Lages woonde, zie ik in gedachten de kleine Heere met zijn Joodse klasgenootjes spelen. Ik loop naar de Speerstraat, waar hij opgroeide als zoon van een bevlogen christelijke godsdienstleraar, die alles wat Joods was bewonderde. In zijn tweedelige herinneringen een jongen uit plan Zuid ’38-’43 en een jongen uit plan Zuid ’43-’46 vertelt hij over die jeugd. Een aangrijpender relaas over het dagelijks leven tijdens de bezetting ken ik niet.

Heere’s ouders hebben onderduikers in huis met wie hij bevriend raakt. En terwijl zijn Joodse klasgenootjes een voor een verdwijnen en zijn onderwijzeres ineens met een gele ster op haar jurk haar gedwongen vertrek bekendmaakt („Nou kinderen, tot na de oorlog dan maar”), zingt op de radio Lou Bandy zijn smartlappen, zitten de bioscopen vol en gaat voor velen het leven gewoon door.

Op de Stadionweg komt Heere bij zijn Joodse vriendje Mosje Ansinger, wiens vader een zilverkleurig hakenkruisje op zijn revers draagt en in de salon een portret van Hitler heeft opgehangen. „Voor als ze langskomen”, zegt hij lachend. Enige tijd later wordt het gezin weggevoerd. Dat is ook het lot van zijn vriendinnetje Roza Taitelbaum, met wie hij later wil trouwen. Als hij aan haar klasgenootjes vraagt waar ze is, zeggen dat ze er van hun onderwijzer niet over mogen praten.

Ik loop over het Raphaëlplein en door de Holbeinstraat, die in de documentaire op filmbeelden uit de oorlog voorbijkomen met hun mooie huizen, bomen in bloei en spelende kinderen. Niets aan de hand, zou je bijna denken.

Datzelfde ‘niets’ ervaar ik in J.J. Voskuils Bijna een man. Dagboeken 1939-1955. Hoogstens is er paniek als de Duitsers op jongens voor de Arbeitseinsatz jagen. Ook is er luchtalarm en zijn er relletjes. Maar Voskuil is vooral bezig met meisjes, hockey en het kopen van een sinterklaascadeau. Ik stel me voor dat het er in Oekraïne dezer dagen net zo aan toegaat.