Recensie

Recensie Boeken

Een kijkje in het literaire heiligdom van Marcel Proust

Marcel Proust 100 jaar Op 18 november 1922 overleed Marcel Proust, schrijver van een van de grootste meesterwerken uit de wereldliteratuur. In Parijs is op een expositie te zien hoe hij met schaar en plaksel op grote vellen zijn zevendelige, 3.000 pagina’s tellende romanreeks redigeerde.

Marcel Proust, 1895
Marcel Proust, 1895 Foto Otto Wegener/ Wiki

Bij binnenkomst kijkt een jonge Marcel Proust je recht aan, donkere haren met de scheiding precies in het midden, licht geloken ogen, dun snorretje boven sensuele lippen, een witte gardenia in het knoopsgat. In 1892 maakte Jacques-Émile Blanche dit bekende schilderij van de schrijver die honderd jaar geleden, op 18 november 1922, stierf. Op de donkere muur ernaast worden letters geprojecteerd die woorden worden, dan zinnen vormen en vervolgens alinea’s. Een krassende kroontjespen haalt woorden door, schrijft er andere bij, streept zinnen door, brengt nieuwe aan en laat daarna een halve alinea verdwijnen. Tot er, na een paar minuten en vele correcties later, slechts één korte zin overblijft: „Longtemps, je me suis couché de bonne heure”, de fameuze eerste zin van À la recherche du temps perdu, het zevendelige literaire meesterwerk van 3.000 pagina’s, geschreven tussen 1908 en 1922, en in delen gepubliceerd vanaf 1913 . „Er is een tijd geweest dat ik vroeg naar bed ging”, luidt die zin in de vertaling van Martin de Haan en Rokus Hofstede uit 2015.

De animatie geeft meteen weer waar het in deze unieke tentoonstelling, in de Bibliothèque François Mitterand, om gaat: „La fabrique de l’oeuvre”, het vervaardigen van het werk: hoe is die enorme literaire kathedraal gebouwd, in elkaar gezet? Het gaat hier om het proces, de totstandkoming, de compositie van het immense werk van Marcel Proust (1871-1922), de beroemdste Franse schrijver ooit. In vitrines trekt de hele geschiedenis van Op zoek naar de verloren tijd aan je voorbij: van de mededeling van uitgeverij Gallimard dat ze niet in het boek geïnteresseerd waren, tot de prix Goncourt in 1919 en de postume uitgave van zijn nog ongepubliceerde werk, in eerste instantie door Marcels broer, Robert Proust.

Hoe is die enorme literaire kathedraal gebouwd, in elkaar gezet?

Anders dan de expositie over Proust begin van dit jaar in het Parijse stadsmuseum Musée Carnavalet, heeft deze tentoonstelling niet in eerste instantie de ambitie een beeld te geven van de tijd waarin het werk tot stand kwam. Het gaat er duidelijk ook niet om een jong publiek voor Proust te enthousiasmeren of zijn belang voor het heden te illustreren. Hier gaat het om de manuscripten, de handschriften, de oorsprong. Wie de expositie binnengaat, betreedt een literair heiligdom. De belichting is minimaal, waardoor de handschriften nauwelijks te lezen zijn. Er heerst een bijna gewijde stilte, slechts onderbroken door korte fragmenten klassieke muziek. Bezoekers zijn, als ik er ben, op de vingers van één hand te tellen. Aandachtig en eerbiedig bestuderen ze, bril op de neus, de vele vitrines in een poging de handschriften te ontcijferen – het zijn kenners van het oeuvre, zoveel is duidelijk.

Oud brood werd madeleine

Degene die het werk van Proust goed kent, of minstens enigszins, komt hier uitstekend aan zijn trekken. Wie bekend is met het werk, herkent de indeling van de tentoonstelling, die de delen belicht in de volgorde waarin ze gepubliceerd werden. We zien dus eerst de manuscripten van Du côté de chez Swann (‘Swanns kant op’) uit 1913 en eindigen met die van Le Temps Retrouvé (‘De tijd hervonden’), postuum gepubliceerd in 1927. Dat de catalogus dan weer alfabetisch op trefwoord is geordend, maakt nalezen achteraf tot een uitdagende exercitie.

Vel van het manuscript van Á l’ombre des jeunes filles en fleurs, 1918. Foto BNF

Onder de vele tentoongestelde handschriften bevindt zich bijvoorbeeld het beroemde fragment uit ‘Combray’, waarin de verteller op een trieste winterdag zijn madeleine doopt in een kopje thee dat hij bij zijn grootmoeder drinkt. Hij wordt door een intens geluk bevangen, voelt een soort mystieke extase, waarbij hij het idee heeft dat het ware stadje Combray zich in al zijn aspecten aan hem openbaart. Dat fragment, zo zien we, veranderde Proust tussen 1907 en 1913 vele malen. Eerst was het gewoon een stukje ‘oud brood’ waaruit de ‘mémoire involontaire’ tevoorschijn kwam, daarna werd het ‘geroosterd brood’ of een alledaagse ‘biscotte’ die de onvrijwillige herinnering opriep. Uiteindelijk werd het het zachte cakeje dat we kennen als de beroemde kleine madeleine – een verandering die we danken aan een vriend van Proust, Felicien Marboeuf, zoals bleek uit hun recent gepubliceerde correspondentie.

75 bladen

Onder de 350 manuscripten en objecten valt ook de onlangs teruggevonden Agenda 1906 te bewonderen, met de allereerste notities voor Du côté de chez Swann; en enkele bladen uit Les soixante-quinze feuillets, de allereerste aanzet tot Prousts meesterwerk, dat vorig jaar in de nalatenschap van uitgever Bernard de Fallois werd ontdekt.

Als je van de ene ruimte naar de andere wandelt, kom je niet alleen in een ander deel van de À la recherche du temps perdu terecht, ook kun je luisteren naar een corresponderende componist. De muzikale ‘petites phrases’, de kleine melodieën, zijn betekenisvol bij Proust, die veel componisten van zijn tijd kende. De Marcel Proust Vereniging publiceerde onlangs een heel tijdschriftnummer over Proust en de muziek. In de zaal waar manuscripten liggen over de fictieve componist Vinteuil en zijn sonate, klinkt een sonate van César Franck; Salomé van Richard Strauss valt te beluisteren bij handschriften over de dood van de fictieve romanschrijver Bergotte, de Sacre du printemps van Stravinsky klinkt in de zaal over Un amour de Swann (‘Een liefde van Swann’).

Portret uit 1892 van Marcel Proust op 21-jarige leeftijd door Jacques-Émile Blanche.

Collectie Musée d’Orsay

Naast manuscripten toont de expositie ook foto’s van Prousts moeder Jeanne Weil, zijn vader de arts Adrien Proust en van zijn broer Robert, die ook arts was, evenals objecten van zijn tijd, zoals een toverlantaarn, en enkele jurken van de beroemde Italiaanse ontwerper Fortuny, gedragen door Odette Swann, een van de belangrijkste personages uit de romanreeks.

Omgekomen minnaar

Een van de weinige bewegende beelden laat het vliegtuig van Prousts secretaris en minnaar Alfred Agostinelli zien, het is net gecrasht, ligt in de branding bij Antibes, omringd door verontruste toeschouwers. Agostinelli (25) is erbij om het leven gekomen, op 30 mei 1914.

Een vertrekkende trein met mannen die zwaaiend uit de ramen hangen illustreert Prousts vrees opgeroepen te worden voor krijgsdienst in de Eerste Wereldoorlog. Beelden van vliegtuigjes waaruit bommen naar beneden worden geworpen maken de tijdsgeest wat tastbaarder.

Even verderop illustreert een kleine standaard met lichtbeelden de passie van Proust voor allerlei technische nieuwigheden van zijn tijd: de fiets die aan het begin van de negentiende eeuw zijn intrede deed, de telefoon en de automobiel die koetsen met paarden verving.

Lees ook Pieter Steinz: Proust lezen en dan sterven

Harmonica van wijzigingen

Als er iets is wat je van deze expositie bijblijft is het wel de ontzaglijk intense manier waarop Proust schreef, herschreef, puzzelde, herschikte, corrigeerde, vooruitwerkte en teruggreep – mateloos en grandioos tegelijk. Hij schreef delen waarvan hij op dat moment nog niet wist of ze in het werk terecht zouden komen, en zo ja waar. Niets gooide hij weg, alles werd bewaard. Het Proust archief in de Bibliothèque François Mitterand, waaruit deze expositie is samengesteld, is immens. De tentoonstelling laat een paar mooie exemplaren zien van de zogenaamde ‘paperolles’ – alles zorgvuldig achter glas. Omdat Proust voortdurend herschreef, doorhaalde en bijschreef, plakte zijn huishoudster, Céleste Albaret, al die toevoegingen vast aan de bestaande pagina’s, soms recht ernaast dan weer dwars erop, zodat er een soort harmonica ontstond die vervolgens weer in het betreffende schrift werd gevouwen. De langste heeft de lengte van zo’n twee meter.

Voor het eerst zijn er ook zogenaamde ‘planches’ te zien, grote vellen hard papier waarop, geplakt en geknipt, oorspronkelijke en gecorrigeerde teksten staan, die het werk van de drukker gemakkelijker moest maken. Enkele ‘planches’ van Á l’ombre des jeunes filles en fleurs (‘In de schaduw van de bloeiende meisjes’) werden samengevoegd voor een beperkte, luxe-editie. Proust liet in 1920 een nog exclusievere editie maken die verkocht werd voor 300 francs per stuk.

Prachtig is het schilderij La bande joyeuse van René Prinet, dat een impressie geeft van de ‘meisjes in bloei’, zoals Proust ze moet hebben geobserveerd.

Vlak voordat je de expositie weer uitloopt, klinkt uit een luidspreker de krakende stem van Prousts onvolprezen assistente Céleste Albaret: „Alles in hem ademde zijn bijzondere pad, dat parcours van herinnering en diepgang. Tegen mijn man zei hij dat hij zonder mij niet meer zou kunnen schrijven. Ik was geïntegreerd in zijn werk. Voortdurend vroeg hij me om een van de genummerde cahiers voor hem te pakken. Ik wist de weg, ik vond het helemaal niet moeilijk, ik hield van dat rare leven.”

Bloemen en steentjes op het graf van Marcel Proust op Père-Lachaise in Parijs.

Yoan Valat/ EPA

Lees ook: De plaats delict van Prousts sleutelroman: het huis van Tante Léonie