Recensie

Recensie Boeken

De seksuele mobiliteit van Marcel Proust

Marcel Proust 100 jaar De honderdste sterfdag – vrijdag 18 november – van de Franse schrijver levert verrassende nieuwe publicaties op. Proust is de schrijver van fluïde identiteit en gevoelens in vermomming. Niets is éénduidig.

Alle foto’s uit Marcel Proust - Une vie de lettres et d’images van Pedro Corrêa do Lago

In ‘Herinnering’, een korte, vroege tekst van Marcel Proust, loopt de verteller door de gang van Grand Hôtel T., waar hij logeert, terug naar zijn kamer. Een „verrukkelijke en zeldzame geur” die uit een van de openstaande deuren komt, maakt dat hij stil blijft staan. Die kamer moest wel aan een „uiterst beminnelijke persoon” toebehoren. Hij hoort een mannenstem, ziet een vrouwensilhouet, dat ook een mannelijke schaduw kan zijn. Is het een ‘hij’ of een ‘zij’? Wie behoort dit ‘parfum van de droefheid’ toe? Hij/zij blijft ambigu, is ongrijpbaar, niet te definiëren. De verteller voelt ‘verwarrende voorboden van de hartstocht’.

In een paar pagina’s ontvouwt zich hier een wereld, opgeroepen door een geur, een parfum. Later, in Prousts meesterwerk Op zoek naar de verloren tijd, zou een cakeje, de beroemde madeleine, gedoopt in een kopje thee, op een vergelijkbare manier de verbeelding in gang zetten, het verleden oproepen. Ook vind je hier, in deze vroege tekst, al het ongrijpbare van Prousts personages, de ambiguïteit, het versluierde – gevoelens in vermomming.

De bundel Zeewind op het platteland, waarin ‘Herinnering’ is opgenomen, is samengesteld en vertaald door Kiki Coumans. Het is één van de tientallen nieuwe publicaties van en over Marcel Proust, die precies honderd jaar geleden, op 18 november 1922, stierf. Niet eerder gepubliceerde briefwisselingen, essays, podcasts, romans geïnspireerd op zijn werk – op zijn honderdste sterfdag is Proust nog springlevend.

Opvallend, want wat valt er nog voor nieuws te zeggen over de schrijver die de Franse literatuur een radicaal ander aanzien gaf, de modernist die zijn eerste werk op eigen kosten moest uitgeven en vervolgens bekritiseerd, bekroond en bewierookt werd? Wat in zijn werk spreekt ons nu nog aan en hoe is dat parcours de afgelopen honderd jaar eigenlijk verlopen?

Decadent

In zijn sprankelende, persoonlijke essay Proust Océan vat Charles Dantzig, schrijver, uitgever en curator van een wekelijkse podcast over Proust, in een paar pagina’s samen hoe het diens oeuvre is vergaan. In het interbellum heeft het erom gespannen: vlak na zijn dood werd Proust als watje weggezet, hij werd verwijfd, nichterig, decadent en saai gevonden. Zeker in vergelijking met auteurs die de loopgraven van Eerste Wereldoorlog beschreven en niet de salons van de aristocratie of de wereld van de gegoede burgerij.

De eerste postume roem dankt Proust volgens Dantzig aan twee werelden, de literaire en de mondaine. Met de prix Goncourt, die in 1919 zijn roman À l’ombre des jeunes filles en fleurs bekroonde, was Prousts literaire roem gevestigd. Maar ook die andere, wereldse, mondaine kringen droegen hun steentje bij. Proust ging om, schrijft Dantzig, met de enigszins afglijdende, dus interessante adel, die na zijn dood luid en veel lieten horen dat ze met de Goncourtwinnaar hadden verkeerd.

Die lang onbesproken homoseksualiteit bij Proust zouden we nu wellicht duiden als ‘fluïde identiteit’ van zijn personages

Na de postume publicatie van Jean Santeuil (1952) en Contre Sainte-Beuve (1954) werd Proust voorzichtig door een breder publiek omarmd. En dan, schrijft Dantzig niet zonder spot, nog zonder de kern van zijn werk te benoemen: niemand durfde zich te branden aan het thema van de homoseksualiteit in zijn werk. Critici en biografen repten hoogstens van ‘gepassioneerde vriendschap’ als het om Proust zelf of om zijn personages ging. In een later stadium waren het vooral ‘de Joden, de gays en de academici’ die Proust zijn definitieve postume glorie bezorgden.

Die lang onbesproken homoseksualiteit bij Proust zouden we nu wellicht eerder duiden als ‘fluïde identiteit’ van zijn personages, het queer-aspect van zijn zevendelige romancyclus. Bij Proust is, anders dan bij Balzac bijvoorbeeld, niets in marmer gehouwen. Niet als het om sekse gaat, niet als het karakter of sociale klasse betreft. Niets is voor de eeuwigheid, alles is in beweging, niets is éénduidig.

Letterkundige Ieme van der Poel spreekt in haar boek De tijdmachine van Marcel Proust over ‘seksuele mobiliteit’. In het vierde deel van het enorme werk, Sodom en Gomorra, observeert de verteller, als voyeur, het personage Charlus die samen met vestenmaker Jupien in diens winkel verdwijnt, wat hem ineens de ogen opent over diens seksuele geaardheid. In De gevangene becommentarieert een arts de manier waarop twee jonge vrouwen met elkaar dansen: hun borsten raken elkaar, de wellust kon niet ver weg zijn. Moedige scènes voor die tijd, waarin homoseksualiteit als een ernstige afwijking werd gezien, onderstreept Van der Poel. Geen wonder dat Proust, voor de strenge buitenwereld, homoseksuelen wel moest beschrijven als een ‘race maudite’, een vervloekt ras.

Marcel en Robert Proust, ca. 1882.
Foto Hermann et Cie
Marcel, Jeanne en Robert Proust op heliogravure gemaakt van een prent uit 1891.

Verdonkeremaand

Ook Proustkenners bij uitstek, Jean-Yves Tadié en Michel Erman, geven in hun recente essays aandacht aan het thema dat zo lang verdonkeremaand werd. Tadié buigt zich in zijn boek Proust et la société over de wereld waarin Proust verkeerde. Net als Dantzig stelt hij dat Proust alleen schreef over wat hij zelf had gezien en gevoeld. De liefde en ‘le couple’ bij Proust zijn uitzonderlijk hedendaags, vindt Tadié: liefdesrelaties zijn instabiel, fragiel en van korte duur. Geen enkel stel is getrouwd, verschillende paren zijn homoseksueel.

Tadié beschouwt een tiental ‘couples’, twee zijn homoseksueel, één lesbisch. De verteller, die erg op de schrijver zelf lijkt, maar natuurlijk niet met hem samenvalt, neemt een meer ambiguë positie in; hij valt eerst op verschillende vrouwen (Gilberte Swann, de hertogin van Guermantes), dan wordt hij verliefd op ‘les jeunes filles en fleurs’ (‘de meisjes in bloei’) als collectief, dan op een van hen, Albertine.

Proust was vaak verliefd, schrijft Tadié, als biograaf en auteur van meer dan tien boeken over Proust. Hij had in zijn leven amoureuze gevoelens voor tientallen mannen, nog zonder daarbij zijn bezoeken aan bordelen mee te tellen.

Hield hij van de positie van voyeur, die hij aan zijn verteller meegeeft? Al vroeg was hij heftig verliefd op een schoolvriend, Jacques Bizet. Toen zijn vader dat in de gaten kreeg, verbood hij hun omgang en stuurde zijn zoon naar een bordeel. Later zou zijn vader verschillende pogingen doen hem te laten trouwen – zonder succes. Proust zocht mannelijke minnaars, in alle sociale lagen, in literaire kringen én in bars en restaurants. Zeker is dat componist Reynaldo Hahn zijn grote liefde was en dat hij een intieme relatie had met zijn secretaris Agostinelli, die omkwam bij een vliegtuigongeluk – het stortte Proust in diepe wanhoop.

Na Prousts dood vernietigde zijn broer Robert veel van zijn privécorrespondentie. Ongetwijfeld ging het daarbij om liefdesbrieven waarvan hij dacht dat die aan Prousts reputatie – en aan die van de familie - schade zouden berokkenen.

Proust gaf, zo schrijft Tadié, aan het thema van de homoseksualiteit een breedte en een ‘grandeur’ die het voordien niet had. Tegelijkertijd onderstreept hij dat er voor Proust maar ‘één enkele liefde’ bestond, de Liefde met de grote L. zou je kunnen zeggen. Onderscheid per sekse maakte Proust niet. Het stelde hem in staat mannelijke modellen te gebruiken om vrouwen te schilderen, verliefdheid van de een aan de ander toe te kennen, ongeacht of het oorspronkelijk om een man of een vrouw ging.

Voor amoureuze varianten in zijn werk putte Proust, volgens Tadié, waarschijnlijk uit zijn eigen ervaringen. Zo inspireerde zijn relatie met zijn secretaris Alfred Agostinelli Proust de verliefde gevoelens van de verteller voor zijn heldin Albertine.

Jaloezie

Om welk soort liefde het ook gaat, bij Proust is die in wezen per definitie ongelukkig. Liefde is in zijn oeuvre vaak synoniem met het bezitten van de ander. Wordt de aanbedene uiteindelijk bezeten, dan slaat al snel de verveling toe. Wordt de aanbedene niet tot bezit, dan wordt er geleden. Bij weinig andere auteurs neemt de jaloezie zo’n cruciale plek in: bij Proust er is altijd ergens een derde, schrijft Tadié. De jaloezie komt voor uit de diepe angst niet bemind te worden: bemind wórden is wezenlijker dan het beminnen zelf.

De oerscène die hieraan ten grondslag ligt is een beroemd fragment uit Combray, de avond waarop de verteller, een kind nog, wacht op de nachtkus van zijn moeder, die wordt opgehouden door bezoek – een frustratie die, literair gezien, een trauma en een rode lijn zal blijven.

Marcel Proust getekend door Caran d’Ache, ca. 1895
Marcel Proust, 22 jaar oud.

Proustspecialist Michel Erman beschouwt Op zoek naar de verloren tijd als ‘een laboratorium van hartstochten’, waarbij personages worden gedreven door jaloezie en wreedheid, alsmede door een permanent verlangen naar erkenning. Uiteindelijk loopt het maar op één ding uit: totale desillusie. Het vrouwelijk lichaam, schrijft Erman, is alom aanwezig: de verteller wordt bijzonder aangetrokken door de schoonheid en de elegantie van de vrouw. Dat lichaam schetst Proust als ambivalent, het kan naar gelang de situatie veranderen, nu eens vrouwelijk dan weer mannelijk zijn, ‘in een troublerend spel met identiteiten’. Bij de proustiaanse vrouw, schrijft hij, is de ‘psychische bisexualiteit’ nooit ver. ‘Geen andere schrijver uit de belle époque heeft het spanningsveld tussen mannelijk en vrouwelijk, psychisch en fysiologisch, zo pregnant en tegelijkertijd ook zo poëtisch verwoord als Proust’, schrijft ook Van der Poel.

Vloeibaar

Het element van een vloeibare identiteit die permanent in beweging is, was nog niet aanwezig in het allervroegste ontwerp dat tot Op zoek naar de verloren tijd zou leiden, in de zogenaamde Vijfenzeventig bladen. Die ‘feuillets’ werden recent ontdekt in de nalatenschap van uitgever Bernard de Fallois en worden wel beschouwd als ‘het sacrale ogenblik’, het moment waarop een kunstwerk voor het eerst aan de bron ontspringt. Voor Philippe Noble, een van de vier vertalers van de bladen, laat de recente uitgave vooral zien hoe Proust, uitgaande van een openlijk autobiografische tekst zonder plot, schaafde en vijlde tot er een meesterwerk tot stand kwam, dat steeds verder van de oorspronkelijke autobiografie afstond. Uit pijn en gekwetsheid kwam uiteindelijk grote literatuur voort. Of, zoals Tadié schrijft in zijn voorwoord: ‘Een klein kind huilt in Combray en daaruit ontstaat een meesterwerk’.

Ja, Proust was een dandy. Ja, hij was een estheet. Maar wereldvreemd was hij bepaald niet. Scherp observeerde hij zijn medemens in de grote sociale en politieke veranderingen van zijn tijd: het antisemitisme van de Dreyfus-affaire, de Eerste Wereldoorlog, en het Verdrag van Versailles. Proust las alles over het proces tegen Oscar Wilde. Vanwege zijn enthousiasme over de nieuwste technologische uitvindingen stelt Van der Poel zich zelfs voor hoe Proust, had hij een eeuw later geleefd, op twitter zijn societyvrienden had kunnen volgen, wat hem de tijd had bespaard die hij toen, om informatie te vergaren, in hun salons moest doorbrengen.

Voor alles is en blijft Proust de analyticus van het vermomde menselijk gevoel, de scherpe observator van wat er in de coulissen, in de schaduw gebeurt, en van wat in zijn tijd ook in die schaduw moest blijven. De momenten waarop een mens lijdt, zijn de ogenblikken die een leven markeren. Die vergroot Proust uit, daar varieert hij op, die vermomt hij, die verbergt hij – eindeloos en grandioos. Zo blijft Op zoek naar de verloren tijd de roman van alle menselijke hartstochten.

Marcel Proust, op een koperets van Berthold Mann.
Marcel Proust (21) op een portret uit 1892 van Jacques-Émile Blanche (1861–1942).
Musée d’Orsay, Parijs