Kritiek op Amsterdamse aanpak jeugdcriminaliteit: ‘Stem ouders en kind ontbreekt’

Top400 Misdaadpreventie bij jongeren in Amsterdam werkt stigmatiserend en is „niet proportioneel”, aldus een kritisch rapport.

Oud-burgemeester Eberhard van der Laan (tweede van links) in 2011, tijdens een persbijeenkomst over het Top600-project. De Top400, opgezet in 2016, was bedoeld voor ‘lichtere’ categorie veelplegers.
Oud-burgemeester Eberhard van der Laan (tweede van links) in 2011, tijdens een persbijeenkomst over het Top600-project. De Top400, opgezet in 2016, was bedoeld voor ‘lichtere’ categorie veelplegers. Foto Rein van Zanen / ANP

De Amsterdamse aanpak om jeugdcriminaliteit te voorkomen, de zogenoemde Top400, werkt stigmatiserend en „gaat in tegen de principes van proportionaliteit”. Het inzetten van zorgverlening voor misdaadpreventie, dat de kern vormt van het programma, is bovendien „problematisch”. Het leidt er in sommige gevallen zelfs toe dat jongeren verder afglijden in de criminaliteit. Daarom zou het stadsbestuur de Top400 „in zijn huidige vorm” moeten stopzetten.

Dat stelt Fieke Jansen, onderzoeker bij het Data Justice Lab van Cardiff University, in een vrijdag verschenen rapport. Samen met mensenrechtenadvocaat Jelle Klaas onderzocht Jansen meer dan vijfhonderd pagina’s aan interne documenten van de gemeente Amsterdam over de Top400, verkregen met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).

De Top400 werd in 2016 ingesteld op initiatief van toenmalig burgemeester Eberhard van der Laan. In de jaren ervoor had hij veel geïnvesteerd in zijn belangrijkste bestuurlijke project, de Top600, een aanpak van jonge veelplegers van high impact crimes als straatroof en gewelddadige overvallen. Die aanpak bestaat nog steeds. Met een combinatie van lik-op-stuk-straffen en zorg wordt gepoogd de kans op recidive te verminderen.

De Top400 was bedoeld voor de ‘lichtere’ categorie onder de veelplegers: jongens tussen de 12 en 24 jaar die niet altijd veroordeeld zijn voor een vergrijp, maar volgens de gemeente en de politie wel grote kans lopen op het verkeerde pad te geraken. Door ze in een vroeg stadium op te sporen en twee jaar lang intensief door een ‘regisseur’ te laten begeleiden, probeert de gemeente ze te behoeden voor het verder afglijden in de criminaliteit.

Volgens de huidige criteria kom je in aanmerking voor een plek in de Top400 als je tenminste twee keer bent aangehouden als verdachte en er daarnaast sprake is van minimaal drie ‘zorgcriteria’, zoals schoolverzuim, betrokkenheid bij huiselijk geweld of een aanhouding voor het dealen van nep-dope.

Verstrekkende gevolgen

Op deze lijst belanden heeft verstrekkende gevolgen voor de jongens en hun familie, blijkt uit de documentaire Moeders. In deze film, die eind vorige week in première ging op documentairefestival IDFA, komen vier moeders van jongens uit de Top400 – anoniem – aan het woord. De ‘notering’ van hun zoon voelde stigmatiserend, vertellen de moeders, leidde tot veel stress en spanning in het gezin en in sommige gevallen juist tot verder afglijden in de criminaliteit.

Ook kregen de moeders aanvankelijk geen helder uitsluitsel over de criteria op basis waarvan hun zoon geselecteerd was voor de lijst, vertellen ze. Uit de stukken die regisseur Nirit Peled voor haar documentaire opvroeg, en die door Jansen en Klaas werden bestudeerd, blijkt waarom. In 2016 maakte de gemeente bij de selectie van 125 jongens voor de Top400 gebruik van een computerprogramma voor risicotaxatie, ProKid Plus, dat via een algoritme voorspelde of jongeren verder op het verkeerde pad zouden geraken.

Lees ook: NRC checkt: ‘’Die jongens’ uit de Top 600 recidiveren minder’

Ouders van Top400-jongeren die belden met vragen, zo blijkt uit interne memo’s van de gemeente, werden bewust niet geïnformeerd over ProKid Plus. Na 2018 stopte de gemeente Amsterdam met het instrument, omdat er intern te veel vragen over waren. Een woordvoerder van de Nationale Politie laat weten volgend jaar een proef te willen houden met een „doorontwikkelde” versie van het algoritme in twee gemeenten in Oost-Nederland.

Dat de Top400-ouders destijds in het ongewisse werden gelaten over ProKid Plus is „problematisch” en „zorgelijk”, aldus onderzoeker Fieke Jansen. „Als je als ouder niet beschikt over alle informatie, kun je ook niet aanvechten dat je kind op zo’n lijst staat.”

Behalve het gebruik van het algoritme heeft Jansen nog andere bezwaren tegen de Top400. Uit de gemeentelijke documenten, zegt ze, blijkt dat de preventie van criminaliteit onder Amsterdamse jongeren een „politiek gedefinieerd probleem” is. „De Top600 was volgens de gemeente succesvol, en dus moest hij worden uitgebreid. Maar die vierhonderd plekken kreeg de gemeente in de eerste jaren niet gevuld. Dus werd er gezocht naar manieren om de criteria aan te passen, zodat er wél vierhonderd jongeren op de lijst zouden komen.”

De consequenties voor de jongeren en hun familie voor een notering in de Top400, zegt Jansen, staan lang niet altijd in verhouding tot wat ze werkelijk hebben gedaan: ook kinderen die nergens voor veroordeeld zijn, kunnen in de aanpak belanden. Het risico is volgens haar dat overlastgevend gedrag op die manier gecriminaliseerd wordt – en zelfs dat de jongeren daardoor verder afglijden. Jansen: „Het is heel invasief om twee jaar lang een ‘regisseur’ van de gemeente in je leven te hebben, of de uitkomst nou positief is of negatief. Dus dat moet wel goed onderbouwd zijn.”

Volgens Jansen zijn er principiële vragen te stellen over de kern van de aanpak: de combinatie van zorg en repressie. „De Top400 is in de basis een programma voor misdaadpreventie. Maar de politie en het OM zouden niet betrokken moeten zijn bij zorgverlening, en vice versa.”

Top-down

Al met al, zegt Jansen, vormt de Top400 een „top-down-aanpak”, waarin niet of nauwelijks aandacht is voor het perspectief van de kinderen en hun ouders. „Als je zo structureel beslag legt op iemands leven, verwacht je dat er goed geluisterd wordt naar de ervaringen van ouders en kinderen. En die stem miste ik totaal in de documenten.”

De gemeente komt later deze week met een reactie op het rapport, zegt een woordvoerder van burgemeester Halsema. Het stadsbestuur en de „betrokken partners” willen het onderzoek eerst „zorgvuldig bestuderen”.