Opinie

Verhoog het sociaal minimum in onze bijzondere gemeenten

Ongelijkheid Bewoners van Bonaire, Sint-Eustatius en Saba verdienen een gegarandeerd menswaardig bestaan, schrijven . Maar al twaalf jaar weigert de regering voor deze gemeenten een sociaal minimum in te voeren.
Premier Mark Rutte tijdens zijn bezoek aan Jong Bonaire, een opvangplek van jongeren voor naschoolse opvang en educatie.
Premier Mark Rutte tijdens zijn bezoek aan Jong Bonaire, een opvangplek van jongeren voor naschoolse opvang en educatie. Foto Evert-Jan Daniels / ANP

Tijdens de laatste begrotingsbehandeling Koninkrijksrelaties vorige maand in de Tweede Kamer gloorde er eindelijk hoop. Staatssecretaris Alexandra van Huffelen (Financiën, D66) deed in dat debat, in reactie op vragen van Sylvana Simons (BIJ1), namelijk de toezegging om in 2024 een echt sociaal minimum in te voeren. Niet een laag ‘ijkpunt’, maar een normbedrag waarmee de regering invulling geeft aan haar grondwettelijke en verdragsrechtelijke zorgplicht voor een menswaardig bestaan voor ál haar onderdanen.

In Europees Nederland is dat al lang geregeld. Voor de burgers van Bonaire, Saba en Sint-Eustatius, sinds twaalf jaar óók gemeenten van Nederland, niet. Voor hen weigerden opeenvolgende kabinetten Rutte halsstarrig zo’n minimum vast te stellen. En dat is voor een deel van de inwoners van de zogenoemde BES-eilanden ongelooflijk schrijnend. Zij leven in bittere armoede omdat de hoogte van de bijstand (onderstand) en AOW niet aansluit bij de hoge kosten van bestaan op de eilanden. Die kosten zijn zelfs hoger dan in het Europese deel van Nederland, de onderstand en AOW zijn er tegelijkertijd aanzienlijk lager.

Schrijnende armoede

Voor de duidelijkheid; er wonen zo’n 27.000 mensen op de eilanden. Ongeveer 700 mensen zitten in de bijstand en plusminus 4.500 mensen in de AOW. Het gaat dus om maar een handvol mensen, afgezet tegen de ruim zeventien miljoen Nederlanders.

Lees ook: Consumentenbond Bonaire daagt het Rijk voor de rechter: ‘Nederland moet waardig bestaan verzekeren’

De minimale bestaanskosten voor een echtpaar op de eilanden zijn door de overheid berekend op rond de tweeduizend dollar per maand, het bedrag van de bijstand voor zo’n echtpaar is in realiteit nog geen duizend dollar (zo’n 970 euro). Het gat tussen wat minimaal nodig is en wat mensen in werkelijkheid ontvangen, is groot. Als gevolg neemt de armoede op de eilanden de afgelopen twaalf jaar alleen maar verder toe. 40 procent van de bevolking heeft geen geld voor gezonde voeding, kampt met gezondheidsproblemen, zit vast in schulden en kapotte huizen en kinderen die zonder ontbijt naar school gaan, zijn in onze gemeenten helaas al lang geen nieuws meer.

Gastvrij ontvangen de eilanders jaarlijks de vele Nederlandse politici die er graag op een zonnig werkbezoek komen; Kamerleden, bewindspersonen en ook hoge ambtenaren. Elk jaar opnieuw gaan de gesprekken dan over de schrijnende armoede. Telkens wordt de eilanders lippendienst bewezen, maar concreet resultaat blijft uit. De BES-gemeenten zelf mogen niet aan inkomenspolitiek doen. Ze zijn dus volledig afhankelijk van de weigerachtige politici in Den Haag.

Gelijkheidsbeginsel

De wantoestand is al jaren bekend bij bewindslieden. Het eerste armoederapport verscheen ruim tien jaar geleden. Even later, in 2015, was het de Commissie Spies die de gebrekkige aanpak van de regering in heldere bewoordingen bekritiseerde. Het College voor de Rechten van de Mens concludeerde nauwelijks een jaar later onomwonden dat Nederland de rechten van haar onderdanen in Caribisch Nederland schendt. En in datzelfde jaar zijn in de Tweede Kamer en de senaat zelfs moties aangenomen om op de eilanden overzee een sociaal minimum in te voeren. Ook de Nationale Ombudsman en de Kinderombudsvrouw oordelen negatief over de aanpak van de regering. „De regering gebruikt drogredenen om armoede stap voor stap aan te pakken. Hou op met die flauwekul”, zei de Ombudsman een jaar geleden nog. Kennelijk realiseren coalitiepartijen zich niet dat hun strategie van kleine stapjes duizenden Nederlanders veroordeelt tot een langdurig bestaan in armoede. Als je bedenkt dat een minimum voor de BES-eilanden de staat ongeveer veertien miljoen euro per jaar gaat kosten, dat is minder dan 0,004 procent van de totale Rijksbegroting, is het lastig om deze voortslepende misstand te rechtvaardigen.

De opluchting was dus ook enorm na de toezegging van staatssecretaris Van Huffelen. Een einde aan twaalf jaar weigerbeleid en daarmee aan de realiteit van armoede op onze eilanden per 2024. Hoera! Maar toen stuurde minister Carola Schouten (ChristenUnie), verantwoordelijk voor armoedebeleid, kort voor het weekend een brief naar de Kamer. Daarin houdt zij vast aan een veel te laag ijkpunt voor het sociaal minimum met een vaag gedefinieerde ‘deadline’ in 2025. Alweer onduidelijkheid en verwarring, kortom. Wil de bewindspersoon die de burgers van Bonaire, Saba en Sint-Eustatius uit de armoede verlost alsjeblieft opstaan?

Het beleid van het afgelopen decennium is moreel verwerpelijk en druist in tegen het in de Grondwet opgenomen gelijkheidsbeginsel én mensenrechtelijke verdragen. Heel even geloofden wij dat een structurele oplossing eindelijk in de maak was en alwéér lijkt het een wassen neus. Rechtmatigheid afdwingen via de rechter zou niet nodig moeten zijn.