Foto Frank Ruiter

‘Sommigen vroegen of ik gevlucht was’, zegt Jan Jaap van der Wal, langzaam in een Vlaming veranderd

Interview Jan Jaap van der Wal (43), comedian, 25 jaar in het vak, doet zijn carrière in België dunnetjes over. Vlamingen laten zich graag door hem kastijden.

Jan Jaap van der Wal (43) toerde dit jaar langs de Vlaamse theaters met zijn derde Vlaamse show Troisième. Met zijn vrouw (de Nederlandse actrice Eva Duijvestein) en nu vijfjarige zoon verhuisde hij vijf jaar geleden naar Antwerpen. Een raadselachtige zet voor vrienden en bekenden. „Sommigen vroegen of ik gevlucht was.” Maar een bevlieging was het niet. Hij staat op het punt echt Belg te worden, de identiteitskaart is in de maak. Vanaf januari presenteert hij op de Belgische commerciële zender Play4 wekelijks een satirische latenightshow, Jan Jaap op Zondag. Hij verandert langzaam in een Vlaming.

We ontmoeten elkaar in Boker Tov, een drukke Israëlische deli-bar in de buurt waar hij woont. Er zijn weinig zitplaatsen, we delen een hoek van een tafel waaraan meer mensen zitten te lunchen. Geruime tijd probeert hij met een arm in de lucht de aandacht van de bediening te trekken. „Ze hebben een hekel aan Hollanders waarschijnlijk.” Al is dat op hem soms niet meer van toepassing, merkt hij. „Ik heb meegemaakt dat mijn autootje al in zo’n grijper zat om weggesleept te worden, dat ik zei ‘mannen mannen rustig’ en tien minuten later stond ik met iedereen op de foto en stond mijn auto weer netjes op zijn plek. Bij een andere Hollander was er waarschijnlijk nog een deuk in getrapt.”

Zijn Nederlandse carrière kende lang een raketachtig verloop. Op zijn 21ste stond hij als jongste ooit met een soloprogramma in Carré. Nog voor zijn dertigste had hij een oudejaarsconference. Acht jaar was hij artistiek leider van Comedytrain – een gezelschap van stand-upcomedians in Amsterdam. Dan is het misschien ook wel aan te raden rond het veertigste levensjaar eens helemaal opnieuw te beginnen. Bijvoorbeeld in een ander land, met een net iets andere humor en een maagdelijk publiek. Ook al omdat de succescurve bij de Nederlandse televisie wat was afgevlakt. Lang voor Arjen Lubach lanceerde hij al eens een dagelijkse latenightshow maar die was al snel weer van de buis.

Maar nee, zegt hij bij zijn challah-broodje gerookte zalm, er zat geen masterplan achter zijn migratie. Hij was niet uitgekeken op Nederland, noch andersom. „Als ik in Nederland een theatertour zou boeken, zou ik zestig of tachtig keer kunnen spelen, geen probleem.” De kiem werd gelegd in Bosnië, waar hij in 2013 eens optrad. Hij merkte dat hij het spannend vond in een ander land af te tasten waarover wel en geen grappen konden worden gemaakt. „Dat heb ik hier in extremis doorgetrokken.”

In België trad hij voor het eerst op rond 2015 en het klikte. Al snel kreeg hij er ook klussen op televisie – zo was hij jurylid bij de Belgische De slimste mens. Vier jaar presenteerde hij De ideale wereld, een satirisch actualiteitenprogramma.

Was hij bij de Nederlandse televisie „een beetje radioactief” geworden toen niet alles lukte, in België krijgt hij alle vertrouwen. „Dan durf ik mijn zoontje hier wel op school te doen, snap je.”

Kindsterretje

Vreemdeling in een vreemd land, dat was hij altijd al. Zijn uiterlijk maakte hem „vanaf seconde één” anders dan anderen. Zolang hij zich herinnert heeft hij de al dan niet bewuste reacties van mensen die hem zagen met humor gepareerd. Hij had het geluk dat zijn spraakgebrek daarbij geen obstakel vormde. „Kinderen die met een schisis worden geboren, leren niet op een natuurlijke manier goed praten. Je moet daar logopedielessen voor volgen en hulp bij krijgen. Dat wordt soms een beetje vergeten omdat er operatief ook een hoop moet gebeuren. Mijn ouders hebben spraak altijd belangrijk gevonden, daar zijn ze heel streng in geweest.”

Als scholier in Leeuwarden werd hij niet gepest. Hij zou niet graag zijn opgegroeid in de huidige tijd, zegt hij. „Met social media, online pesten, dat is een heel ander verhaal.”

Op zijn zeventiende ging hij naar Amsterdam om rechten te studeren, maar begon in plaats daarvan al snel bij Comedytrain. Hij was daar bijna tien jaar jonger dan de een-na-jongste comedian, Najib Amhali, en er was instant succes. Dat bracht wel met zich mee, zegt hij, dat zijn ontwikkeling als mens gaandeweg wat achterbleef bij die als artiest. Wat later dan gemiddeld was hij rijp voor dingen als een serieuze relatie, samenwonen, trouwen. „Ik zal niet zeggen dat ik een kindsterretje was, maar ik voel daar soms wel verwantschap mee. Succes kan met je op de loop gaan.”

Met zijn eerste oudejaarsconference in 2007 trad hij in de voetsporen van louter legenden (Seth Gaaikema, Wim Kan, Freek de Jonge, Youp van ’t Hek). „Youp heeft er inmiddels vijf gemaakt en Freek zes. Ik ben nog maar 28 dus dat aantal ga ik met gemak overtreffen”, zei hij met kenmerkende bravoure in Vara TV Magazine. Maar de ontvangst was niet onverdeeld positief. „Dat was even schrikken”, zegt hij nu, „dat er ook mensen zouden kunnen zijn die het verschrikkelijk vonden.” Hij snapt het wel, heel goed zelfs. „Het was veel te groot geworden in mijn hoofd. Ik ging dingen uitzoeken, met journalisten praten, het werk van de socioloog Amitai Etzioni lezen omdat premier Balkenende zich door hem liet inspireren. De conference matchte niet meer met de jongen van 28 die ik was. Daardoor kun je als publiek denken: nou zeg ho ho, dat maken we zelf wel uit.” Het was geen slechte show, vindt hij nog steeds. Twee jaar later deed hij een tweede oudejaarsconference, en daar bleef het bij. Zou hij het ooit nog eens willen doen? Afgemeten: „Dat weet ik niet.”

Smalltalk

Als teamcaptain in Dit was het nieuws, een van de bestbekeken programma’s van de publieke omroep, heeft hij nog altijd een stevig lijntje met Nederland. De toon van dat programma klopt, denkt hij. „Mensen kijken ernaar na een lange, vaak ook deprimerende nieuwsweek. Dan heeft het niet zoveel zin dat wij gaan zeggen hoe erg het allemaal is. Ik probeer steeds vaker de humor en de onnozelheid op te zoeken.” Dat is weleens anders geweest. „Ik was lang iemand die graag iets over de wereld wilde zeggen. Ik heb zelfs een tijdje gedacht dat wat ik over de wereld zei, de wereld zou kunnen veranderen. Daar ben ik wel op stukgelopen. Op het moment dat je er humor van kunt maken, heeft dat een louterend effect en zegt het veel meer over de wereld. Humor is wat wij kunnen. En daar kijken mensen ook voor.”

Foto Frank Ruiter

In de stadsschouwburg van Mechelen, waar hij eind oktober zijn derde Vlaamse show bijna voor het laatst speelt, ligt de moraal er ook niet dik bovenop. Het is een persoonlijke voorstelling waarin hij de Vlamingen goedmoedig fileert. Hij vertelt de uitverkochte zaal dat hij zich onder meer zo thuisvoelt in Vlaanderen omdat hij slecht is in smalltalk, en „het is jullie gelukt om smalltalk terug te brengen tot klanken”. In een mompeldialoog met zichzelf doet hij voor hoe dat gaat, de zaal lacht hard.

Venijnig wordt het niet, hoogstens steekt het even als hij zegt dat het maar goed is dat hij uit een westers land naar België is geëmigreerd, „anders zat ik nog steeds in dat busje” (van de politie, wegens foutparkeren). Hierop volgt weinig respons, wat wellicht anders was geweest met een minder wit publiek. Op straat wordt hij „extreem veel” aangesproken door mensen met een migratie-achtergrond, vertelt hij bij de lunch in Antwerpen, „die in mij iemand zien die ook namens hen de Vlamingen aanpakt”. „Het is net als in Nederland: systemisch racisme is ook hier aan de hand. Kennelijk denken mensen: ‘hij durft het tenminste te zeggen’.”

Hoe pijnlijk dan dat hij vorig jaar op televisie een zwarte vrouw als schoonmaakster aanduidde: zij bleek een belangrijke medewerkster van de Vlaamse premier te zijn.

Hoe kon dat gebeuren?

„Er was een persconferentie van de Vlaamse regering, in een sjieke renaissancistische balzaal, over de toekomst van Vlaanderen, en tussen de sprekers door kwam telkens een donkere vrouw met gele handschoentjes van alles poetsen. Ik heb in De ideale wereld een opmerking gemaakt in de trant van: het mag over de toekomst gaan, sommige dingen veranderen nooit. Ik wist niet dat zij een medewerkster van de minister-president was en ze was daadwerkelijk aan het schoonmaken. Maar goed, zij moest huilen, de hele regering was in shock en stelde een statement op dat het schandalig was.”

Ging u door de grond?

„Nee. Ik dacht alleen: dit was totaal niet de bedoeling. Het was wel een fout dat ik niet wist wie ze was. Als ik dat had geweten, had ik die grap nooit gemaakt, dan klopt hij helemaal niet.”

Hij vindt niet, los van het incident, dat een comedian alles moet kunnen zeggen. „Humor heeft met relativering te maken. Als ik mijn hazenlip geen plek had gegeven, had ik er nooit grappen over kunnen maken. Als die relativering er nog niet is, in het racismedebat bijvoorbeeld of bij non-binaire mensen, is het niet aan mij om daar eens even grappen over te gaan maken. Vind ik. Toch? Ik zal het wel proberen, maar als mensen uit die gemeenschap daar geen zin in hebben, dan wordt het een heel ander soort daad.

„Ik vind het ook heel logisch dat we het n-woord niet meer gebruiken. Daar zijn we mee gestopt. Punt. Klaar. Begin september vond Gert Verhulst van Studio 100 het nodig het toch te zeggen in een talkshow. Mijn boksleraar – zijn vader komt uit Rwanda – heeft hem gemaild: ‘Mijn vader heeft zich in tien jaar een totaal nieuwe taal eigen gemaakt. En jou lukt het niet om één woord van je eigen taal niet meer te gebruiken.’ Dat is precies wat het is.”

Hij staat op om een laatste gemberthee te bestellen. „Ik ben in bloedvorm”, zegt hij als hij weer zit. „En op een gelukkige plek in mijn leven.” En de Vlamingen laten zich graag door hem kastijden. In de schouwburg van Mechelen zit een man na afloop zwijgend naast zijn vrouw aan een pintje. Ja, hij heeft genoten van de vrijpostige Hollander. „Wij zijn timide”, zegt hij met nauwelijks hoorbare stem. „Maar eronder zit frustratie. Hij legt de vinger op de wonde.”