Recensie

Recensie Beeldende kunst

De vergeten keramische meesterwerkjes van Hein Andrée

Keramiek Ambachtsman of kunstenaar? Het Kunstmuseum in Den Haag stelt die vraag over de vergeten keramist Hein Andrée.

Vaasjes met glazuurproeven van Hein Andrée, circa 1920-1935.
Vaasjes met glazuurproeven van Hein Andrée, circa 1920-1935. Foto Jan Zweerts

Was keramist Hein Andrée een ambachtsman of een kunstenaar? De kleine tentoonstelling Hein Andrée – Ambachtsman wordt kunstenaar-keramist in het Kunstmuseum in Den Haag werpt die vraag op.

Hoewel, klein – er zijn zo’n honderd werken van Andrée te zien, maar allemaal van een zo bescheiden formaat dat ze in tien vitrines passen.

Johannes Henricus ‘Hein’ Andrée (1882-1961) werkte al op zijn twaalfde in het familiebedrijf in Apeldoorn. De Andrées maakten eenvoudige gebruiksvoorwerpen, van bloempotten tot pannenkoekborden. Nadat zijn vader zich had teruggetrokken uit het bedrijf werden de producten eigentijdser, en Andrée begon te experimenteren met glazuren. Op de tentoonstelling is een fraaie verzameling potjes met glazuurproeven te zien. In zijn hoekje van de werkplaats maalde Andrée namelijk zijn eigen pigmenten en stelde hij zijn eigen glazuren samen.

Intussen bekwaamde hij zich verder in de kunst van het draaien: zijn stukken werden kleiner en ranker; soms met een wand van amper een millimeter dik. Daarmee waren ze ongeschikt als gebruiksvoorwerp, het werden puur decoratieve stukjes.

Een acht centimeter hoog kruikje met ‘pantervel’-glazuur uit 1923-1932.
Foto Alice de Groot
Drie vaasjes uit circa 1925-1935 waarvan de grootste 11,1 centimeter hoog is.
Foto Jan Zweerts

Streven naar perfectie

Waarom steeds kleiner? Het Kunstmuseum denkt dat dat te maken heeft met de invloed van de Chinese Song-dynastie, waar ook miniatuurpotjes en -vaasjes werden gemaakt. Andrée zelf heeft er nooit uitspraken over gedaan, hij was een gesloten man die amper zijn woonplaats uitkwam. Mogelijk is dat een verklaring waarom Andrée vrijwel vergeten is, terwijl van een tijdgenoot als Chris Lanooy (1881-1948) keramisch werk in belangrijke Nederlandse museumcollecties te vinden is.

Een groot verschil met Lanooy is dat Andrée tot in het extreme naar controle en perfectie streefde – opvallend bij keramiek, waarvan de glazuren zich bijzonder moeilijk laten dwingen. Daarnaast is in zijn werk geen smetje van onregelmatigheid te vinden. Misschien is ook dat een verklaring waarom Andrée niet als kunstenaar, maar als ambachtsman gezien bleef: een meester in zijn vak. Of misschien was het verschil tussen hem en Lanooy domweg dat de laatste naast keramist ook tekenaar, schilder en beeldhouwer was en daardoor ook diens keramische werk werd gezien als kunst.

In de expositie in het Kunstmuseum is de kunde van Andrée adembenemend: al die fragiele, perfect gevormde potjes, kommetjes en vaasjes maakte hij met de hand. Maar juist de werken die enige toeval en spontaniteit toelaten – of dat lijken te doen – vallen het meest op door hun schoonheid: een vaas (1924) in mosgroen, crèmewit, roze en zachtblauw in een vlameffect dat doet denken aan een veld tulpen, en een oorvaas (ca. 1918) in sprankelend donkerblauw, dieprood en zeegroen.

Deze twee vazen, qua formaat nog net als zodanig bruikbaar, hebben de meest persoonlijke signatuur op de tentoonstelling. Al het andere is fraai, maar vooral doordat het kunstig is gemaakt. Of het daarmee ook kunst is, dat blijft de vraag die deze kleine tentoonstelling niet werkelijk kan beantwoorden. Meesterlijk en mooi is het wel, het werk van Hein Andrée.

Beeldende kunst Bekijk een overzicht van onze recensies over beeldende kunst