Landelijk coördinator racismebestrijding binnen de politie Johan: „Ik vind oprecht dat een grap met racistische intonatie niet in onze organisatie hoort.”

Foto Erik van 't Woud/Hollandse Hoogte

Interview

Een politieagent moet een hoofddoek kunnen dragen, vindt de coördinator racismebestrijding

Johan van Renswoude Johan van Renswoude, landelijk coördinator racismebestrijding binnen de politie, heeft zijn plan van aanpak gereed. De uitvoering wordt „een loodzware opdracht”.

‘De politie wil voor al haar medewerkers een sociaal veilige en inclusieve organisatie zijn. Nu is het moment om daadkrachtig en met urgentie de benodigde cultuurverandering in te zetten.”

Het zijn de openingszinnen uit het plan aanpak uitsluiting discriminatie en racisme, waaraan de politie de afgelopen vier maanden heeft gewerkt. Opsteller van de maatregelen is de Utrechtse commissaris Johan van Renswoude, de deze zomer aangestelde, eerste landelijke coördinator voor de bestrijding van politieracisme. Na een reeks krantenartikelen en de KRO-documentaire De Blauwe Familie over discriminatie en uitsluiting binnen de politie, is Van Renswoude belast met het ontwikkelen en invoeren van effectieve maatregelen voor de door de korpsleiding beloofde strengere aanpak van de problematiek. Nooit meer wegkijken, heet zijn plan.

Lees ook: Politietop ziet documentaire als ‘kantelpunt’ in de aanpak van racisme binnen de politie

Op het hoofdbureau in Utrecht vertelt Van Renswoude, al 44 jaar werkzaam bij de politie, allereerst dat hij „veel mensen binnen en buiten de politieorganisatie tegenkomt die het raar vinden dat ik deze klus doe: een witte man van 63 jaar”. Dergelijke vragen illustreren volgens hem „hoe we allemaal behept zijn met vooroordelen en beelden zonder dat we ons eerst verdiepen in de vraag: hé, wie ben je eigenlijk?”.

Voorbeeldig verbinder

Van Renswoude geldt binnen de politie als een voorbeeldig ‘verbinder’. Dat is volgens hem de reden dat hij gevraagd is voor deze klus. „Ik heb, toen ik van 2009 tot 2018 districtschef was van Utrecht, er met veel energie voor gezorgd dat de politie goede banden had met alle gemeenschappen in de stad. Als het er broeit, weten we dat en hebben we bondgenoten die helpen problemen in te dammen.”

Hij pakt zijn telefoon om een foto te tonen van een recente bijeenkomst waar Van Renswoude afscheid nam van zijn Utrechtse bondgenoten. Je ziet de politieman omringd door onder meer een imam, de voorzitter van een Turkse moskee, een vertegenwoordiger van de hindoestaanse gemeenschap, een oud-gemeenteraadslid van Marokkaanse komaf, een theoloog en een schooldocent. „Allemaal mensen die belangrijk zijn voor het bewaren van de vrede in de stad.”

Van Renswoude wacht naar eigen zeggen een „loodzware opdracht”: maatregelen uitvoeren die binnen de politieorganisatie (63.000 werknemers) een einde moeten maken aan het uiterst gevoelige en al vele jaren voortslepende probleem van discriminatie. Hij is niet bang om zijn vingers te branden, zegt hij. „Ik zit in de comfortabele positie dat ik over een jaar of vier het einde van mijn loopbaan bereik.”

Van Renswoude is met adviseurs bezig te formuleren welke regels nu precies moeten gelden op het gebied van discriminatie en racisme. „De huidige normen zijn onvoldoende duidelijk. Er is te veel ruimte om bijvoorbeeld onder het mom van humor of stoom afblazen je eigen grenzen centraal te stellen en niet die van de organisatie. Collega’s vragen zich nu af: kan ik dan helemaal geen grap meer maken? Ik vind oprecht dat een grap met racistische intonatie niet in onze organisatie hoort. Daar kwets je een ander mee.”

Glashelder tussen de oren landen

De politie heeft een communicatiebureau ingehuurd dat moet bedenken hoe de normen bij elke politiemedewerker „glashelder tussen de oren landen”, aldus Van Renswoude. „We willen dit op een hele indringende manier doen.” Kort na de jaarwisseling moet dit gebeuren.

De politie gaat het interne sanctiepakket herzien en aanscherpen. „We gaan strenger sanctioneren. Wie racistisch is, hoort niet thuis bij de politie. Maar sancties moeten wel proportioneel blijven. We moeten ons niet laten sturen door druk vanuit de media. De politie heeft een eigen verantwoordelijkheid.”

Straffen alleen brengt volgens de coördinator een inclusief arbeidsklimaat ook niet dichterbij. „We moeten ook investeren in verzoening en herstel. Daarvoor is het nodig dat dader, slachtoffer en omstanders met elkaar in gesprek gaan.”

Ook een diender die deugt, kan fouten maken

Van Renswoude zegt dat de politie een „lerende organisatie” wil zijn. „Wat we heel graag willen is dat een collega die denkt iets te hebben gedaan dat niet oké is, in gesprek gaat met een leidinggevende zonder angst te hebben disciplinair gestraft of meteen ontslagen te worden. Ook een diender die deugt, kan fouten maken.” Het leiderschap binnen de politie vereist volgens Van Renswoude wel versterking. „We gaan in alle chefs binnen de politie, van teamchefs tot leden van de korpsleiding, investeren om hen beter toe te rusten op de rol die ze hebben de gewenste cultuurverandering.”

Groepsgedrag

Uitsluiting is ook bij de politie volgens Van Renswoude vaak groepsgedrag. Het speelt zich nogal eens af in de kantine. „Met collega’s erbij. Want degene die zich op een ongewenste manier uit, wil niet alleen iemand treffen maar hij of zij is ook op zoek naar steun. Naar de lach van collega’s.” Ook de omstanders hebben volgens hem op dit soort momenten een taak te vervullen. „Iedereen heeft een verantwoordelijkheid. Collega’s moeten elkaar aanspreken op fout gedrag. Net zoals je op straat lef toont door mensen te corrigeren die in de fout gaan en het slachtoffer te beschermen. Ons doel is namelijk niet het zo veel mogelijk sanctioneren van collega’s, maar een veilige organisatie worden voor iedere medewerker.”

In dat verband is het volgens Van Renswoude verstandig nog eens goed na te denken over de vraag of agenten ook een hoofddoek of andere religieuze kleding of symbolen moeten kunnen dragen bij het politieuniform. Vijf jaar geleden zei de toenmalige Amsterdamse politiebaas Pieter-Jaap Aalbersberg te willen overwegen bijvoorbeeld een hoofddoek bij het uniform toe te staan. Het zou helpen agenten met een migratieachtergrond te werven. Toenmalig korpschef Erik Akerboom verwees het idee meteen naar de prullenbak. Er was volgens de politiebaas „geen draagvlak” voor dit idee dat „de gelederen polariseert”.

Van Renswoude denkt er anders over. „We hebben als politie altijd gezegd: uniformiteit is belangrijk want dat straalt neutraliteit uit. Dat was heel lang een houdbaar argument. Maar in de huidige superdiverse en sterk polariserende samenleving is deze uniformiteit in de ogen van veel groepen niet neutraal en een exponent van overheidsgezag dat veel minder wordt geaccepteerd. Versterking van neutraliteit van de politie is juist in deze tijd essentieel. Mijn persoonlijk inzicht is dat het beter bij deze tijd past door diversiteit, ook in hoe je eruit ziet, toe te laten. Daarmee communiceer je als politieorganisatie pas echt goed dat je van en voor iedereen bent.”

Neus-piercings

Van Renswoude verhaalt over een werkbezoek dat hij onlangs bracht aan stadsdeel Amsterdam-Zuidoost. Hij raakte in gesprek met een jonge collega-in-opleiding van Surinaamse afkomst. „Een hele opvallende verschijning: korte mouwen met sleeves, haar in een knot, oorbellen en twee neus-piercings. Ik zei tegen hem dat ik het mooi vond dat hij zich als werkstudent met Surinaamse roots in volledige eigenheid durft te laten zien in onze organisatie. Dat getuigt van moed en laat zien hoe belangrijk identiteit is. Daar kun je alleen maar respect voor hebben.”

Collega’s moeten elkaar aanspreken op fout gedrag

Alleen het dragen van oorbellen en piercings is volgens Van Renswoude uit veiligheidsoverwegingen niet verstandig. Voor het overige is hij zeer te spreken over deze collega. „Hij vertelde me dat op straat heel veel mensen laten blijken dat ze hem appreciëren. Hij heeft een geweldige ingang bij de jeugd in de Bijlmer. Ze vinden hem allemaal ongelooflijk stoer en interessant. Hij maakt heel makkelijk contact en is daardoor van ongelooflijke meerwaarde voor onze organisatie.”

Van Renswoude wil een groep van experts om advies vragen de discussie verder te brengen. Het debat ligt „politiek, maatschappelijk en intern bij de politie hartstikke gevoelig”, zegt hij. „Ook binnen de islamitische gemeenschap is er bijvoorbeeld geen consensus over. Ik heb verschillende moslima’s gesproken die zeggen dat we echt heel goed moeten nadenken voor we dit pad op gaan. Ik heb me daarom voorgenomen een groep deskundigen advies te vragen over deze kwestie. Uiteindelijk is het aan de politiek te beslissen maar wij moeten er vanuit ons vak er en als werkgever ook een standpunt over bepalen.”