Reportage

‘Soms ben ik al dankbaar als de zaal voor een kwart vol zit’

Muziekpodia Concertzalen overal in Europa worstelen met dezelfde vragen. Mogen Russische musici spelen? Hoe krijg je de zaal na corona weer vol, liefst met een divers publiek? Twintig directeuren staken deze week de hoofden bij elkaar.

Concertzaal Nospr in Katowice, Polen.
Concertzaal Nospr in Katowice, Polen. Foto Grzegorz Mart

Veel grijze en blauwe colbertjes, rinkelende koffiekopjes en een vol lezingenprogramma – van sprekers als minister van staat Jan Peter Balkenende („van goede bedoelingen naar concrete actie”) tot een ‘flashcourse diversiteit en inclusie’.

Vanuit twintig Europese steden zijn directeuren van concertzalen naar landgoed Marquette bij Heemskerk gereisd. Ze praten over de gemeenschappelijke uitdagingen van hun zalen, die alle zijn aangesloten bij de European Concert Hall Organisation (ECHO). Hoe trek je een divers(er) publiek? Hoe zorg je ervoor dat, ook na corona, het publiek weer terugkeert? Wat kun je, voorbij ledlampen, doen aan duurzaamheid? En hoe om te gaan met ethische kwesties?

In een pauze schuiven vijf directeuren aan voor een gesprek. De podia waaraan zij leiding geven zijn, zoals de meeste ECHO-zalen, oorspronkelijk gebouwd voor klassieke concerten, maar bieden allang een bredere programmering. In de Kölner Philharmonie, sinds 2005 geleid door de Nederlander Louwrens Langevoort, klinken naast klassiek (300 concerten per jaar) ook jazz, world en musical (150 concerten). „We bieden een afspiegeling van wat Keulen is en wil horen”, zegt Langevoort. „Mahler én carnavalsconcerten.”

Klassieke muziek elitair? Niet meer dan wiskunde – en dat leer je wél op school

Louwrens Langevoort directeur Kölner Philharmonie

„En wij faciliteren naast klassiek allerlei Weense bals”, zegt Matthias Naske van het Konzerthaus Wenen. „Het publiek heeft dat soort wensen, maar wij stellen wel eisen aan kwaliteit. En ik koester ook idealen. Goed gecureerde programma’s kunnen ook publiek creëren. Nog een scheidslijn: te hard versterkte muziek doen we niet. Soms komen er bands langs met technici die de akoestische grenzen van onze zaal totaal tarten. Die zijn zelf dan veelal te doof om te horen dat het niet gaat.”

Het streven naar een meer divers publiek – oud en jong, rijk en arm, wit en van kleur – is een onderwerp dat leeft bij vrijwel alle deelnemende zalen. Subsidiegevers eisen het, maar de zalen willen ook zelf zoveel mogelijk publieksgroepen bereiken. De vraag is: hoe ga je daarbij te werk? Moet je voor een symfonisch concert ook streven naar een veelzijdig publiek? Of programmeer je een afwisselend aanbod voor goeddeels gesegregeerde groepen?

Oud en wit

Simon Reinink, directeur van het Amsterdamse Concertgebouw: „Op een concert van de zangeres Karsu komt Turks publiek af, dat is een feit. En het publiek van onze Vocale Serie is overwegend ouder en wit. Afrikaanse muziek is een prachtig voorbeeld van muziek die echt mensen van alle leeftijden en afkomsten aantrekt. Onlangs nog bij Youssou N’Dour: een stampvolle zaal, volstrekt divers.”

Minder vol zitten de zalen bij ‘kwetsbare’ klassieke genres als het Duitse romantische lied of series met strijkkwartetten. Telt het voortzetten van zulke ‘niche’-series ook als een vorm van diversiteitsbeleid?

Louwrens Langevoort (Keulen): „Ja, volmondig ja! Kamermuziek, jonge musici die nog niet beroemd zijn: daarvoor moeten we onze verantwoordelijkheid nemen. Als onze zaal met tweeduizend stoelen voor een concert in de serie Rising Stars voor aanstormende klassieke talenten maar voor een kwart vol zit, ben ik al dankbaar.”

Matthias Naske (Wenen): „Wij noemen dat Pflege der Rezeptionskultur; investeren in de publieke waardering. Ons vak heeft veel ondernemende aspecten, maar uiteindelijk ligt dáár onze meerwaarde, onze hoofdtaak. Juist na corona, nu een deel van het publiek concertbezoek is ontwend en vooral beroemde artiesten nog volle zalen trekken.”

Ewa Bogusz-Moore van concertzaal Nospr in de Poolse stad Katowice knikt instemmend. „Als wij de kwetsbare genres en onbekendere topartiesten niet brengen, doet niemand het. In Katowice koesteren we een biënnale voor eigentijdse muziek; daar zijn we al blij met 30 procent zaalbezetting. Maar wij worden – erfenis uit de communistische tijd – wel ruim gesteund door de overheid. Dat scheelt. Het maakt ons overigens ook minder goed in efficiëntie en innovatie.”

Matthias Naske (Wenen): „Dat is heel herkenbaar. Ik werkte een tijd in Luxemburg voor een rijke zaal. Toen ik terug was in Wenen en moest woekeren met de middelen, merkte ik dat het je bezorgder, maar óók creatiever maakt.”

Triangel

Uiteindelijk, vinden alle directeuren, zijn concerten het puntje van een complexe piramide. Louwrens Langevoort (Keulen): „Ik werk sinds 25 jaar niet meer in Nederland. In die tijd is het aantal gesubsidieerde orkesten meer dan gehalveerd. Dat vind ik zorgwekkend, want die orkesten bespelen de zalen en hebben alle hun eigen publiek, dat daardoor ook verloren gaat. Politici zijn geen goden die genadebrood voeren, het zijn vertegenwoordigers die zich moeten verantwoorden. Waarom nemen ze zulke besluiten?”

Simon Reinink (Amsterdam): „Het gaat om het hele ecosysteem. Dat heeft in Nederland ook door de teloorgang van de muziekscholen een knauw gekregen: zowel voor musici als publiek. Een goede graadmeter vind ik het aantal Nederlandse musici in de Europese topjeugdorkesten. Dit jaar zaten er in het Gustav Mahler Jugendorchester twee Nederlandse jongens – op trombone en triangel. Daarnaast dan 25 Spanjaarden, 23 Duitsers, 18 Oostenrijkers….”

Langevoort: „Dus als een politicus zegt dat kunst moeilijk is, of elitair, kun je dat pareren met de opmerking: inderdaad, en wiskunde ook. Het is belachelijk te denken dat je kunst meteen snapt, terwijl je alle andere vakken moet leren.”

Andere thema’s die worden besproken zijn duurzaamheid en ethiek. Hoe kun je er als concertzalen samen voor zorgen dat orkesten tournees over het continent voortaan per trein doen, in plaats van per vliegtuig? En – het meest beladen onderwerp – hoe moet je tijdens de oorlog in Oekraïne omgaan met Russische musici en orkesten? Wie nodig je wel uit en wie niet, en onder welke voorwaarden?

„Oorlog verdeelt mensen automatisch in twee kampen: vrienden en vijanden. Dat is ingewikkeld”, zegt Matthias Naske (Wenen).

„De situatie eist nuance en maatwerk”, beaamt Risto Nieminen (Gulbenkian-auditorium, Lissabon). „In onze orkesten spelen veel Russische musici, vaak al decennia. Hun aanblijven staat echt niet ter discussie.”

Louwrens Langevoort (Keulen): „Je moet niet in de val van nodeloze cancel culture vallen. Blijven discussiëren.”

Ewa Bogusz-Moore (Katowice): „Ik zou vooral bruggen willen slaan, ook straks – hopelijk snel – ná de oorlog.”