Recensie

Recensie Boeken

Hoe vier vrouwen in Oxford de filosofie nieuw leven inbliezen

Filosofie Rond de Tweede Wereldoorlog verzetten in Oxford vier vrouwen zich tegen de analytische filosofie en het logisch-positivisme. Een wervelend, zeer gedetailleerd boek vertelt hun geschiedenis.

Lyons tearoom aan Cornmarket Street in Oxford, ca. 1942.
Lyons tearoom aan Cornmarket Street in Oxford, ca. 1942. Foto: Ministry of Information Second World War Official Collection, Imperial War Museum

Atoombom, poëzie, logica. Wie Metaphysical Animals van Clare Mac Cumhaill en Rachael Wiseman leest, komt erachter dat deze woorden de basis vormen voor een boeiend verhaal. Dit boek, nu uit in vertaling met als titel Het Kwartet. Hoe vier vrouwen de filosofie opnieuw tot leven wekten, begint op 1 mei 1956 wanneer een jonge filosofe, genaamd Elizabeth Anscombe, de middeleeuwse vergaderzaal van de Bodleian Old Library van de Universiteit van Oxford betreedt en de volgende woorden uitspreekt: ‘Ik ben vastbesloten mij te verzetten tegen het voorstel om Mr Truman hier in Oxford een eredoctoraat te verlenen.’

Harry S. Truman, tussen 1945 en 1953 president van de Verenigde Staten, had in 1945 zijn handtekening gezet onder een document waarmee hij toestemming gaf twee atoombommen op Hiroshima en Nagasaki te laten vallen. Honderdduizenden burgers werden gedood, waarna Japan spoedig capituleerde. ‘Ik grijp dit niet aan als een gelegenheid voor een „symbolisch protest” tegen de atoombom’, redeneerde Anscombe. ‘Ik teken bezwaar aan tegen ónze daad om Mr Truman een eredoctoraat te verlenen, aangezien men zich door lofprijzingen en vleierij medeschuldig kan maken aan een slechte daad.’

Het betoog van Anscombe, in die tijd ondermeer bekend vanwege haar vertaling en interpretatie van de beroemde Filosofische onderzoekingen (1953) van Wittgenstein, werd aangehoord door een zaal vol geleerde heren. Toen ze naar haar stoel terugliep was het stil. ‘Geen mompeling, geen geritsel, zelfs geen veranderende gelaatsuitdrukking.’ Niet veel later, op 20 juni dat jaar, werden Mr en Mrs Truman in Oxford gefêteerd op perzik-champagnecocktails en een uitgebreid diner. Ook werd de oud-president, uitgedost in een paarse toga, in een zaal met 1200 gasten gehuldigd tot ‘doctor in het burgerlijk recht’.

Lees ook: Het meesterwerk van de briljante (en irritante) Wittgenstein is eindelijk goed vertaald

Logisch-positivisme

De eenzame actie van Anscombe (The New York Times maakte die week melding van een ‘eenvrouwscampagne’), die eind jaren dertig samen met Iris Murdoch, Mary Midgley en Phillipa Foot in Oxford filosofie was gaan studeren, vond plaats in een periode waarin de Britse filosofie aan die universiteit gedomineerd werd door het logisch-positivisme van A.J. Ayer. Deze filosoof had in 1936 het baanbrekende boek Language, Truth and Logic gepubliceerd, ‘een bom van negen shilling’ waarin hij stelde dat morele oordelen slechts uitingen zijn van persoonlijke voorkeuren. Uitspraken die niet door logica of metingen konden worden geverifieerd waren volgens hem uitspraken van waarde en daarom in wezen betekenisloos.

Geïnspireerd door het denken van Wittgenstein en andere analytische denkers, poogde hij de studie, die voorheen bekend stond als ‘filosofie’, tot de grond toe af te breken en te vervangen door een nieuwe verzameling analytische en wetenschappelijke methoden die tezamen logisch positivisme werden genoemd. Vragen als ‘Wat is de zin van het bestaan?’ of ‘Bestaat God?’ overschreden de grenzen van wat we kunnen meten en waarnemen en werden door hem bestempeld als ‘onzinnig’.

Deze zienswijze, aldus de auteurs, kwam voort uit het feit dat Franse en Britse filosofen heel verschillend hadden gereageerd op de post-nazistische tijd. Terwijl de Franse naoorlogse filosofie en literatuur waren doortrokken van de ervaringen van de bezetting, hadden de Britten een dergelijke crisis niet gekend. Ayers ‘doodverklaring aan de filosofie’ werd zo de heersende trend op de filosofieafdelingen in Oxford en kon, nadat de mannelijke filosofen tijdens de oorlog in het Britse leger hadden gediend, na 1945 probleemloos worden voortgezet.

Althans, tot op zekere hoogte. Want in de tussentijd hadden Anscombe, Murdoch, Midgley en Foot, die tijdens hun studiejaren met elkaar bevriend waren geraakt, niet stilgezeten. Terwijl Ayer en zijn volgelingen afwezig waren, streek in Oxford een grote groep Europese geëmigreerde filosofen neer. Deze gevluchte gewetensbezwaarden verdiepten zich wel in morele kwesties en vroegen zich af wat ‘God en de plicht van hen eisten’. Hierdoor geïnspireerd kwamen de vier vriendinnen samen in kantines, cafés en theesalons om, al sigaretten rokend tegen de honger, een nieuwe theorie over het menselijk bestaan te ontwikkelen. Net als de oude Grieken en de idealisten uit de 19de eeuw, wilden zij terug naar een meer metafysische blik op de werkelijkheid en een daarmee gepaard gaande ethiek. Tegen deze achtergrond verzette Anscombe zich tegen het eredoctoraat van Truman.

Herontdekte ethiek

Hoe het deze vier vrouwen lukte om ‘de filosofie opnieuw leven in te blazen’ is wat Mac Cumhaill en Wiseman in het Het Kwartet willen aantonen. Daarin schuilt zowel de kracht als de zwakte van hun boek. Want hun uitleg over de denkbeelden van het geleerde viertal gaat verloren in een stortvloed aan wetenswaardigheden over het academische leven in Oxford. In hun enthousiasme om werkelijk alles over het dagelijkse leven in kaart te brengen verliezen de auteurs zich te vaak in uiterst gedetailleerde beschrijvingen over bijvoorbeeld de tafelschikking in de eetzaal van Sommerville College of met welke tafelkleedjes, kunstbloemen en asbakken de tearoom aan Cornmarket Street was opgesmukt.

Lees ook: Isaiah Berlin: Four Essays on Liberty, 1969

Ook de relletjes en ruzies van de Oxfordse intelligentsia komen uitvoerig aan bod – zo had de beroemde ideeënhistoricus Isaiah Berlin, tussen 1940 en 1946 werkzaam voor de Britse buitenlandse dienst, een hartgrondige afkeer van de radicale Elizabeth Anscombe – hij noemde de wijze waarop ze sprak ‘afschuwelijk gestamel’ en wees op haar ‘geperverteerde katholicisme’. Het zijn vermakelijke wetenswaardigheden, maar het leidt af van het verhaal.

Ook de vrouwengeschiedenis die wordt geschetst – vrouwen konden pas vanaf 1948 in Cambridge een diploma krijgen en 1951 was de eerste keer ‘in de 850 jaar van het bestaan van Oxford’ dat er colleges te volgen waren bij vijf vrouwelijke filosofiedocenten – is bijzonder interessant maar leidt af van de hoofdkwestie: hoe hebben de vier filosofes uiteindelijk de koers van de Britse filosofie bijgestuurd? Heel wat moraalfilosofen in Oxford, waaronder Harold Prichard en G.E. Moore, hadden de ethiek niet afgezworen en wezen op de ratio of de intuïtie als het ging over het vermogen tot oordelen over goed en kwaad. Was de ethiek die deze vier vrouwen voorstonden werkelijk zo vernieuwend? Bovendien hingen ze verschillende denkrichtingen aan. Anscombe, die op latere leeftijd de voormalige leerstoel van Wittgenstein in Cambridge overnam, was een toegewijd katholiek en werd ondermeer bekend met ‘Modern Moral Philosophy’ – een artikel waarin ze de term ‘consequentialisme’ introduceerde: een theorie waarbij het ethisch juist handelen gekenmerkt wordt door een goed resultaat van dat handelen. Foot, die zich ontwikkelde tot een belangrijk analytisch moraalfilosoof, was daarentegen een atheïst die zich later bekwaamde in de toegepaste ethiek. Iris Murdoch, vooral bekend geworden als romanschrijver, voelde zich aangetrokken tot het communisme en het existentialisme terwijl Midgley steeds meer geïnteresseerd raakte in de overeenkomsten tussen mens en dier.

De kracht van poëzie

De uitvoerige beschrijvingen van al die ideeën en carrières maakt van Het Kwartet geen makkelijk leesbaar boek. Toch wordt de volhardende lezer hier en daar beloond. Zo laat Iris Murdoch, die zich later een ‘wittgensteiniaan’ noemde maar meende dat zijn filosofie tekort schoot, tijdens een symposium van analytische filosofen in 1951 op een ontroerende manier zien dat in het denken de taal onlosmakelijk is verbonden met het gevoel. Om dit te onderstrepen citeerde ze een fragment uit een gedicht van John Clare over een slak op een zomerse heg:

Frail brother of the morn,

That from the tiny bents and misted leaves

Withdraws it timid horn

And fearful vision weaves

De werkelijkheid, zo redeneerde Murdoch, kunnen we ook vatten door middel van een metafoor. Net als Midgley beweerde ze dat poëzie tot de gereedschapskist van de metafysicus behoorde, omdat gedichten contradicties en verbanden aan het licht kunnen brengen die nog niet eerder zijn opgemerkt. De mens moest dan ook worden bekeken als ‘een metafysisch dier’: een taal gebruikend, vragen stellend en beelden makend wezen. Dit soort inzichten deelde Murdoch met Anscombe, Midgley en Foot en legde, aldus de auteurs, de basis voor hun ethiek, die daardoor inderdaad vernieuwend was. Want ‘als metafysische dieren veranderen we met onze uitvindingen, symbolen en kunstwerken onze Umwelt en daarmee tot op zekere hoogte onze eigen natuur’, schrijven Mac Cumhaill en Wiseman. Het zou dan ook verklaren waarom we in een desintegrerende wereld makkelijk uit het oog kunnen verliezen wat werkelijk van belang is en dat, om dit te voorkomen, er wel degelijk een moraalfilosofie nodig is om daarmee ‘onze rommelige, dierlijke aard te overstijgen’. In dat licht is het volgens de auteurs dan ook te begrijpen waarom de katholieke Anscombe in 1956 voor een zaal vol zwijgende heren haar betoog hield.

Lees ook: De Hiroshimafoto’s die geheim waren

Truman mocht dan van mening zijn dat hij een man was geweest die zijn morele principes zo goed mogelijk had toegepast, ondertussen maakte hij wel een beslissing waarbij de menselijke schaal volledig ontbrak. De oud-president aanwijzen als symbool van wat eervol is, hield dus in dat ook de gruwelijke daad, die hem zo bekend had gemaakt, de kwalificatie ‘moedig’ of ‘rechtvaardig’ kreeg. Daartegen verzette Anscombe zich. Haar ‘nee’ tegen Truman was zo een duidelijke uiting van hoe we als mensen het risico kunnen lopen om uit het oog te verliezen wat werkelijk van belang is om het leven goed te laten verlopen.