Thom Hoffman

Foto Merlijn Doomernik

Interview

Thom Hoffman over zijn persoonlijke zoektocht naar het koloniale Indië: „Nederland heeft een onjuist zelfbeeld.”

Thom Hoffman Acteren doet Thom Hoffman bijna niet meer. Hij schreef een boek over Indië, een onderwerp dat hem als kind al bezighield. „Zet in Hoorn een standbeeld neer voor Soekarno en Hatta.”

Toen Thom Hoffman nog klein was werd hij elke avond aangestaard door een tijger. Het beest hing boven zijn bed – de poten vastgespijkerd tot in de hoeken van het plafond – en zou volgens de overlevering geveld zijn door Hoffmans grootvader, die begin twintigste eeuw bij de Bataafse Petroleum Maatschappij op Sumatra werkte. „Ik denk dat toen mijn fascinatie voor Nederlands-Indië begonnen is.”

Zijn oma van vaderskant was half-Moluks. Ze woonde met Hoffmans opa tot 1932 in Palembang. Maar zij sprak nooit met haar kleinzoon over Indië. Hetzelfde gold voor haar zoon, Hoffmans vader. „Dat is toch dat fameuze Indische zwijgen.” Hij was amper elf toen hij Joop Hueting op televisie zag, die in 1969 als eerste openlijk vertelde over oorlogsmisdaden die Nederlandse militairen hadden begaan in Nederlands-Indië. Hoffman hield er een spreekbeurt over op school. In 1974 zag hij De Stille Kracht op televisie, de serie naar het boek van Louis Couperus. „Ik vond het geweldig. Daarin kwam voor mij als jonge jongen alles samen: acteren, Indië en Couperus.” In 1983 besloot hij zelf naar Indonesië te gaan. Indië liet hem nadien nooit meer los.

Hoffman heeft zich door de jaren heen steeds meer ontpopt als Indië-chroniqueur. Zo gaf hij als gastdocent aan de Universiteit van Tilburg in 2009 colleges over Multatuli. Drie jaar geleden stelde hij een fototentoonstelling over Nederlands-Indië samen voor het Wereldmuseum in Rotterdam (Dossier Indië) en verscheen er een gelijknamig fotoboek. En nu is er het achthonderd pagina’s dikke boek Indië, betovering en desillusie. „Het is eigenlijk een compendium bij het fotoboek en de expositie. Ze vertellen hetzelfde verhaal, met voor het grote publiek onbekende bronnen. Historici kennen die bronnen. Maar ik wil dat mijn buurman, de bakker en de slager er ook kennis van nemen.” Viereneenhalf jaar werkte hij eraan. „Maar in mijn bovenkamer was ik er al zeker dertig jaar mee bezig.”

Wat wilde je precies vertellen?

„Ik wilde achterhalen wat het verband is tussen de overrompelend esthetische bekoring van Nederlands-Indië - de foto’s, de verhalen, de geuren en kleuren - en de totale wreedheid van de geschiedenis. Want wie de geschiedenis overziet, moet vaststellen dat het land tussen 1817 en 1913 bijna onafgebroken in een koloniale oorlog met Nederland verwikkeld is geweest. En die draad werd tussen 1945 en 1949 rustig weer opgepakt. Een dieptreurig gegeven, waarmee wij als land nog steeds niet in het reine zijn gekomen. Want als de Indonesische ambassadeur op 15 augustus bij de Indië-herdenking óók een krans wil leggen, ontstaat er onmiddellijk groot tumult. Er zijn kennelijk veel vervelende geheimen die ons nog steeds dwarszitten.”

In het boek bespreek je talloze publicaties die al over de geschiedenis van Indië verschenen zijn. Wat was precies je bedoeling?

„Ik wilde eer bewijzen aan al die schrijvers en historici die het verleden indringend beschreven hebben. Wat er tot nu toe alleen vaak aan ontbrak, was een brug naar de gewone lezer. Die wilde ik leggen. Ik wilde de geschiedschrijving over dit onderwerp als een soort tolk voor het voetlicht brengen. Academici deden het voorwerk, ik zette het laatste stapje naar de lezer.”

Thom Hoffman in zijn werkkamer: „Nederland heeft een onjuist zelfbeeld. Wij zien onszelf graag als moreel onfeilbaar.” Foto Merlijn Doomernik

Waarom wilde jij die tolk zijn?

„Omdat het verhaal verteld moet worden. Nederland heeft een onjuist zelfbeeld. Wij zien onszelf graag als moreel onfeilbaar. Dan komt toch de schoolmeester in mij boven, die graag uitlegt hoe het écht zit.”

Waar was je zelf verbaasd over?

„Verrassend genoeg zijn er heel veel mensen geweest die al vanaf 1600 het andere geluid hebben laten horen en die het VOC-geweld en het koloniale stelsel aan de kaak hebben gesteld. Niet alleen Multatuli, maar ook mensen als Vondel, Barlaeus, Laurens Reael en cartograaf Blaeu spraken schande van het geweld van J.P. Coen. Franse filosofen als Voltaire, Raynal en Rousseau gingen al in de achttiende eeuw tekeer tegen kolonialisme en slavernij. Daarbij namen ze de Nederlandse situatie als voorbeeld. En je had Wolter Robert baron van Hoëvell, een dominee die in 1848 rondreisde op Java. Hij zag de honger en ellende bij de Javaanse bevolking met eigen ogen. Hij veroordeelde de slavernij en vond dat Indiërs dezelfde rechten behoorden te hebben als Nederlanders. Onbegrijpelijk dat zo iemand geen plek heeft gekregen in ons collectieve geheugen.”

We horen dit allemaal te weten. Het is ónze geschiedenis

Thom Hoffman

Hoffman was bij zijn literatuuronderzoek elke keer opnieuw verbaasd over hoe onbekend de Indische materie bij Nederlanders is. „Hoeveel mensen kennen Kartini? De prinses uit Japara die in 1901 met een verfijnd pennetje stelling nam? Of neem de fantasieverhalen die rond Soekarno zijn geweven; dat hij een geharde communist zou zijn. Het is onze meest succesvolle koloniale leugen. Waarom zijn al die Nederlandse soldaten op zoek gegaan naar ‘de communist Soekarno’? Omdat generaal Simon Spoor die notie met zijn eigen behendige propaganda-apparaat had verzonnen en verspreid. En al is dat 75 jaar geleden: dat raakt mij diep. Claude Lanzmann [maker van de documentaire Shoah] zei al: ‘Geschiedenis is niet iets van vroeger, maar iets van nu.’ Ik wind me net zo over Indië op als over Rusland en Oekraïne. Omdat dit verhaal onderdeel is van wie wij zijn. Voor mij is Indië heel dichtbij; mijn vrouw heeft Indonesisch bloed en mijn eigen kind dus ook. Wij horen dit allemaal te weten. Omdat het ónze geschiedenis is.”

Wat trof je het meest?

„Dat die hele negentiende eeuw eigenlijk één onafgebroken koloniale oorlog is geweest. Alleen al in de Java-oorlog vielen 200.000 doden. In een paar jaar tijd gaf Nederland er 45 miljoen gulden aan uit. Daar kwam ‘de vijandschap van bodem en ziel’ uit voort, zoals Couperus dat zo goed omschrijft. Een onderhuidse houding van verzet die de Nederlanders niet begrepen. Daarom is ‘dekolonisatieoorlog’ [voor de periode 1945-1949] ook zo’n idiote term. Dat was gewoon een nieuwe koloniale oorlog. Pure agressie van onze kant. Indonesiërs noemen de politionele acties niet voor niks Agresi 1 en Agresi 2.”

Waarom werd die tegenstem van mensen als Van Hoëvell en Multatuli niet gehoord?

„Wat weinigen weten is dat wie in Indië verbleef, een verblijfsvergunning kreeg met een stempel van de resident; een doeltreffend machtsmiddel. Dwarsliggers werden geëxcommuniceerd, gearresteerd of het land uitgezet. De koloniale gemeenschap zat helemaal niet te wachten op criticasters. Als je een verblijfsvergunning voor Nederlands-Indië kreeg, kon je daar twintig jaar lang belastingvrij je zakken vullen. Couperus beschrijft dat mooi in De stille kracht; een stoet van witte mannen in witte pakken, ‘gedreven door een andere koorts dan malaria’. Ze liepen rustig hun rondjes uit en dachten: wat kan mij het schelen? Ik ga straks lekker rentenieren in Aerdenhout of Apeldoorn.”

Den Haag heeft Jakarta bij de soevereiniteitsoverdracht in 1949 ook nog een oorlogsboete opgelegd van 6,5 miljard gulden.

„Absurd. Indonesië heeft daarvan 4 miljard betaald. Jakarta heeft daarmee in feite zijn eigen doden bekostigd. Hoe cynisch wil je het hebben? Soekarno stemde ermee in na vier jaar zware militaire dreiging. Hij en Hatta waren steeds bereid tot oplossingen, leiders die vanaf 1923 alles gaven voor vrijheid en democratie, Nederlandse onderdanen. Ze verschilden niet van Hannie Schaft, Willem Arondeus of Gerrit van der Veen. Zet in Hoorn ’n standbeeld neer voor Soekarno en Hatta, tegenover dat van J.P. Coen.”

Op de fototentoonstelling kwam destijds kritiek van een handjevol geschiedkundigen: ‘Hoffman is geen historicus, maar gewoon een BN’er’. Dat stoorde hem niet, zegt hij. Hij pakt resoluut het gastenboek van de tentoonstelling erbij, alsof hij de vraag had verwacht. „Dit boek staat vol met emotionele uitingen van bezoekers. Hartverscheurend soms. Dát telt voor mij. Niet de mening van een jaloerse enkeling.” Het dwong hem bij het schrijven van zijn boek wel tot een uitgebreide verantwoording en een omvangrijk notenapparaat. „Vanwege zeiksnorren die het niet om de strekking gaat, maar die liever met een vergrootglas zoeken naar een foutje.”

Nederlands-Indië besloeg de afgelopen viereneenhalf jaar bijna al zijn tijd. Van acteren kwam het nauwelijks, op een rol in de tv-serie Klem na. „Al heb ik acteren op zich ook nooit allesbevredigend gevonden. Het hoofd moet blijven groeien, en dat gebeurt op een filmset of op het toneel te weinig. Tijdens de repetities heb je het nog een beetje over de inhoud, maar in de periode daarna niet meer. Daarom ben ik de wereld ingetrokken met mijn fotocamera. Ik wilde graag verder kijken dan mijn neus lang is.”

Maar laat hij eerlijk zijn: als Paul Verhoeven morgen belt, staat hij al met zijn koffer in zijn hand. „Toen Paul op tv bij Zomergasten vertelde dat hij misschien een verfilming van De stille kracht gaat maken, heb ik hem de volgende dag direct een lange brief geschreven. Verder houd ik vrijwel alles af. Ik mocht auditeren voor de rol van Pim Fortuyn, in Het jaar van Fortuyn. Ik heb het niet gedaan. Die teksten krijg ik mijn mond niet uit. Dan is de afkeer van wat er gezegd wordt groter dan mijn ambitie als acteur. Ik heb hem ooit gefotografeerd, voor het magazine van VNO-NCW. Ik belde aan: ‘Goedemorgen, ik ben de fotograaf.’ ‘Haha, de fotograaf’, sneerde hij, ‘er komen hier honderden fotografen. Nou, loop maar door dan’. Ik was voetvolk voor hem.”

Je schrijft in je boek dat je de verfilming van Max Havelaar door Fons Rademakers misschien wel de beste Nederlandse film ooit vindt, en de rol van Peter Faber Oscar-waardig.

„Rademakers heeft bij De Aanslag de Oscar gekregen die hij voor Max Havelaar verdiende. Je ziet Fons op z’n allerbest, met geweldig camerawerk van Jan de Bont en een meeslepend script van Gerard Soeteman. En Peter Faber speelt zo intens, zo oprecht. Echt onvergetelijk.”

Is het verhaal van Indië na je boek, je fotoboek en je tentoonstelling nu verteld?

„Zeker niet. Er is nog zoveel niet verteld. Eén van de motto’s voorin in mijn boek komt uit het boek De tolk van Java, van Alfred Birney. ‘Wat niemand weet is nooit gebeurd’. Door het verhaal van Indië te vertellen wordt het hopelijk deel van ons collectieve geheugen.”