Reportage

Een duimafdruk – en weg was het land van boer Musa Moriba

Sierra Leone De komst van één van ’s werelds grootste palmoliebedrijven naar Sierra Leone leidde tot een slepend conflict met lokale bewoners. Gaat een nieuwe wet hen beter beschermen? Onze correspondent in West-Afrika reisde naar Sierra Leone waar landeigenaren voortaan beter beschermd worden.

Landbouwer Musa Moriba op weg naar wat rest van zijn land nadat de bulldozers kwamen.
Landbouwer Musa Moriba op weg naar wat rest van zijn land nadat de bulldozers kwamen. Foto Eva Oude Elferink

Zelfs de vogels houden zich stil. Bedachtzaam, zijn schouders gebogen, loopt een man over het pad, stopt even en verdwijnt dan in de eindeloze rijen oliepalmen. Het geknisper onder zijn slippers is het enige hoorbare geluid. Steeds dieper gaat hij, tot hij stilhoudt bij een drassige open vlakte. Dunne boomstammen steken uit de modder, ervoor de lichtgroene sprieten van jonge rijsthalmen. Dit dus, zegt de man kalmpjes terwijl hij zich omdraait.

Dit is wat hem rest.

Musa Moriba, 63, zal niet beweren dat hij een rijk man was. In zijn dorpje diep in het zuiden van Sierra Leone, waar het pleisterwerk van muren brokkelt en doeken als deuren fungeren, is rijkdom relatief. Maar de vader van tien kinderen had oliepalmen, cacaobomen. Rijstvelden die hem en zijn gezin voedden. Tot op een dag plots gele Caterpillar-bulldozers op zijn land verschenen en Moriba alles kwijtraakte, zijn bomen en palmen opgeslokt door een multinational met grootse plannen.

Ruim tien jaar gingen voorbij sinds de Société Financière des Caoutchoucs (Socfin) neerstreek in Malen, een zogeheten chiefdom (subdistrict) in Sierra Leone’s zuidelijke provincie, het thuis van zo’n 42.000 veelal arme boeren. De in Luxemburg gevestigde holding die via een reeks dochterbedrijven oliepalm- en rubberplantages verspreid door Azië en Afrika bezit, zag een kans in Sierra Leone. Na een allesverwoestende burgeroorlog in de jaren negentig had de regering de deur wijd opengezet voor buitenlandse investeerders.

In 2011 sloot zij een overeenkomst met Socfin om in Malen duizenden hectares grond te pachten voor wat de grootste palmolieplantage van het land zou worden. Maar terwijl de miljoeneninvestering in de hoofdstad Freetown werd gevierd, raakte de gemeenschap in Malen verstrikt in een slepend conflict met beschuldigingen over gestolen land, corruptie en intimidatie door Malens machtige traditionele leider, de paramount chief Victor Kebbie. Hij speelde een cruciale rol bij de komst van Socfin.

Het dorpje Ngandorhun in Malen Chiefdom is ingesloten door de palmolieplantages van de multinational Socfin. Eigen stukken grond om hun gewassen te verbouwen hebben de inwoners nauwelijks meer.Foto Eva Oude Elferink

De kwestie werd onlangs opnieuw actueel. In september zette de president zijn handtekening onder twee nieuwe wetten die vergaande rechten en bescherming geven aan de lokale bevolking. Zo stellen zij landeigenaren in staat direct met investeerders te onderhandelen over de waarde van hun land. Ook wordt voorkomen dat dit kan worden verpacht zonder hun uitdrukkelijke toestemming.

De wetten, omschreven als een win-win voor bedrijven en de bevolking, moeten het straatarme Sierra Leone meer laten meeprofiteren van de rijkdommen in en op haar bodem. En vooral: conflicten zoals in Malen voorkomen.

Push voor ontwikkeling

„Te lang heeft de push voor ontwikkeling door de regering families en gemeenschappen hier van hun stem beroofd”, zegt Sonkita Conteh. De advocaat leidt de lokale tak van Namati, een ngo die gemeenschappen juridisch weerbaar maakt, en was nauw betrokken bij het schrijven van de nieuwe wetten. „Gevolgen? Milieu? Het maakte niet uit, zolang er maar investeringen kwamen. Dat heeft tot al deze spanningen geleid.”

26 (3). Ten minste 10 procent van de aandelen van een buitenlandse investering in Sierra Leone zal worden gereserveerd voor Sierra Leonezen.

De weg naar Malen is er een vol hobbels en kraters waarin de regen dikke roestkleurige modder heeft achtergelaten. Rondom zeeën van groen. Helmgras, loofbomen, palmen. Ze leiden als een poort naar een gebouwtje, achter een touw gespannen over de weg en met ernaast een man in uniform. Een blik van de man in de auto geeft toegang tot het chiefdom en tot de door Socfin gepachte grond die Malen, en naar schatting zo’n 32.000 dorpelingen, voor zo’n 70 procent omsluit. Welcome to Estate B.

Musa Moriba had wel gehoord over de buitenlanders die hun land wilden overnemen. De chief van het dorp had hen bijeen geroepen, verteld hoeveel beter hun leven straks zou worden. Ontwikkeling, ontwikkeling. 1 miljoen Leones boden de witte mannen per 0,4 hectare, destijds zo’n 250 dollar. „Veel geld”, zegt Moriba, een pezige man met grijs baardje. Meer geld dan de meesten in zijn familie ooit hadden vastgehouden. Evenmin als hij gingen ze veel naar school.

„Maar zonder ons land hebben we niets”, zegt de boer. Dus weigerde hij zijn duimafdruk te zetten. Toch raakte hij zijn land kwijt.

Musa Moriba uit het dorpje Ngandorhun in Malen Chiefdom weigerde zijn familiegrond aan de multinational Socfin te verkopen, maar zegt dat de bulldozers toch kwamen. Nu resten hem alleen nog enkele cacaobomen en een klein rijstveld nabij de moerassen. Foto Eva Oude Elferink

In andere dorpen klinken soortgelijke verhalen. Inwoners zeggen niet te hebben getekend. Of wel, maar ze hadden geen keus. Ze zouden onder druk zijn gezet. Door de dorpshoofden en vooral door Victor Kebbie, de paramount chief. Onder het in Sierra Leones provincies geldende gewoonterecht, waar grotendeels ongeschreven regels en gebruiken voorschrijven wie land kan bezitten en overdragen, heeft hij als ‘beheerder’ van het land het laatste woord. „Ze zeiden dat ik het geld maar beter kon aannemen”, vertelt een oude man. „Mijn land zou ik toch kwijtraken.”

Een andere beschuldiging: Kebbie en de door hem aangewezen dorpshoofden zouden onwillige familiehoofden hebben omzeild door iemand anders van zo’n familie te laten tekenen. Zo ging het bij hem, zegt Moriba. Pas veel later, toen de bulldozers alweer waren vertrokken, hoorde hij dat een familielid stiekem hun land had weggetekend. „1 miljoen Leones is veel geld”, murmelt hij.

Andere landen hebben fabrieken, industrie. Kijk naar de Verenigde Staten, zij zijn superb. Wij willen ons ook ontwikkelen

Victor Kebbie paramount chief

Witte villa

Het is niet lang zoeken naar het huis van chief Kebbie. In Sahn, het stadje in het hart van Malen, steekt een brede, witte villa uit boven betonnen huisjes. Op de veranda wachten mannen op plastic stoelen tot ze naar binnen worden geroepen, sommigen met plastic tasjes in de hand. Kebbie zelf is een imposante man, nog imposanter door de grote leren fauteuil waarin hij onderuitgezakt is. Hij is niet blij.

„Onzin. Het is allemaal onzin”, foetert hij. Tien jaar al kloppen ze aan zijn deur. Ngo’s, journalisten. Gaan hem vertellen dat hij mensen onder druk zou hebben gezet. Leugens. „Denk je echt dat ik iemands land kan afpakken? De enigen die geluid maken, zijn mensen die zéggen dat ze landbezitters zijn, maar dat niet waren. Of die gewoon meer geld willen.” Het is allemaal een „politiek spel”, zegt hij. Met zijn aartsvijand als aanvoerder.

Mamie Sama uit het dorpje Bassaleh probeerde de bulldozers tegen te houden toen ze haar land kwamen omploegen voor oliepalmen van multinational Socfin. Een familielid had zonder overleg de koop toegezegd. Foto Eva Oude Elferink

Die man, een invloedrijke lokale parlementariër genaamd Shiaka Sama, leidt de Vereniging van Getroffen Landeigenaren van Malen (Maloa) die zich vanaf het begin fel tegen de komst van Socfin verzette. Dat leidde in de loop der jaren meermaals tot confrontaties en ook arrestaties. Sama werd vastgezet op beschuldiging van „opruiing”, „samenzwering” en „vernieling” van Socfins oliepalmen (hij ontkent dit).

De waarheid, volgens Kebbie, is dat héél Malen blij is met de multinational. „Andere landen hebben fabrieken, industrie. Kijk naar de Verenigde Staten, zij zijn superb. Wij willen ons ook ontwikkelen.” Socfin geeft mensen werk, zegt hij. Ze bouwen scholen. Hij hoeft de manager maar te bellen en ze verzorgen wat hij nodig heeft. Kebbie knikt naar de felle lampen aan zijn plafond. „We hebben elektriciteit, dat hadden we nooit.” In andere dorpen in Malen is dat er nog steeds niet, nee. Maar: „ Zelfs in Freetown hebben ze niet overal licht.”

28. Er zal geen investering plaatsvinden [...] zolang de investeerder geen vrije en vooraf geïnformeerde toestemming heeft van ten minste 60 procent van de volwassen familieleden of vertegenwoordigers van de gemeenschap.

De overeenkomst die de regering destijds met Socfin sloot, was één van de grootste sinds de burgeroorlog. In ruil voor een pachtovereenkomst van ten minste 50 jaar voor om en nabij zo’n 19.000 hectare, waarvan 12.000 nu is beplant, investeerde het bedrijf het afgelopen decennium naar eigen zeggen zo’n 285 miljoen dollar. Door alle spanningen die volgden werd het ook één van de meest omstreden deals. Het voorbeeld, zegt Sonkita Conteh van Namati, van hoe het níet moet.

De kritiek komt niet alleen van ngo’s en de bewoners. Ook ambtenaren waarschuwden vooraf. Ze waren niet gerust op het besluit van de regering om als de hoofdpachter op te treden, waaraan de dorpelingen hun land zouden verhuren. De regering verpachtte het vervolgens weer door aan Socfin. „Zo schep je een situatie waarin mensen zich tot niemand kunnen wenden. Het bedrijf zegt: je moet bij de regering zijn. En hoe neem je het nu op tegen de regering?”, vraagt John Kamara.

In zijn kantoortje met gelige muren op het ministerie van Landbouw in Freetown tikt de directeur Gewassen op zijn bureau. Kamara kent de kwestie goed. Bij zijn verkiezing in 2018 beloofde de huidige president, wiens achterban de regio van Malen domineert, dat hij met een oplossing voor het voortslepende conflict zou komen. Zo liet hij een commissie samenstellen die alles rond de deal zou uitpluizen en die met aanbevelingen zou komen.

Een jaar later stuurde deze commissie, waar Kamara lid van was, 17 pagina’s met bevindingen naar de vicepresident. Daarna: stilte. Officieel werd het rapport nooit gepubliceerd. Toch lekte een kopie uit, waarvan Kamara de authenticiteit tegenover NRC onderschrijft.

De gehandicapte Murie Fullei uit het dorpje Ngandorhun in Malen Chiefdom verkocht in 2012 zijn stukje land met oliepalmen aan de multinational Socfin. Nu zegt hij nauwelijks te kunnen rondkomen. Foto Eva Oude Elferink

Gesjoemel

Hun kritiek is hard en onderschrijft veel klachten van de dorpelingen. Zoals de beloftes voor ‘groene buffers’ tussen de plantage en dorpen die onvoldoende werden nageleefd. Zoals het gesjoemel door lokale leiders met handtekeningzetters. Ook plaatsen ze vraagtekens bij de ruim 45.000 dollar die de Raad van het chiefdom, met Kebbie aan het hoofd, jaarlijks ontvangt als hun aandeel in de pacht die Socfin betaalt – onduidelijk bleef waar dat geld aan was uitgegeven. „De rol van de regering in deze overeenkomst acht de commissie bovendien even onnodig als onderdrukkend en belemmerend […] bedoeld om de vrije wil van de landeigenaren te beperken.” Hun oordeel: de oude overeenkomsten moeten in de prullenbak. Daarvoor in de plaats moet het bedrijf een nieuwe overeenkomst sluiten, met de landeigenaren zelf.

Waarom hun rapport nooit is vrijgegeven? Geen idee, zegt Kamara. De ambtenaar wijst erop dat veel van de misstanden die zij aankaartten in de nieuwe wetten worden aangepakt. Veel meer macht voor de familieleden, minder voor de chief. Een kadaster waarin precies staat wie hoeveel land waar bezit. Meer controle, meer transparantie. „Misschien wilden ze eerst op die wetten wachten?”, oppert hij.

30. De regering kan gemeenschappen ondersteunen met toegang tot juridische en professionele hulp tijdens onderhandelingen voor investering in land.

In het moeras klinkt geritsel. Musa Moriba stapt naar een boom en draait aan één van de bonen, zo groot als een kleine rugbybal. Nog enkele van zijn oude cacaobomen staan hier. Uit de nabije grond steken takken omhoog, stekjes van nieuwe bomen die hij er heeft geplant. Anders dan veel buren is Moriba niet op de plantages van Socfin gaan werken. Een principekwestie. „Als ik hun geld aanneem, accepteer ik wat ze hebben gedaan.”

Even dacht Moriba eraan naar de rechter te stappen. Maar wat ging hij nou beginnen tegen een miljoenenbedrijf? En daarbij, hoe ging hij dit bewijzen? Eigendomspapieren heeft hij niet, die heeft niemand in de provincies. Toch weigert de boer de hoop op te geven. „Ik wil geloven dat ik op een dag mijn land terugkrijg.”