Opinie

Max Havelaar staat op nr. 1 in de canon. Nu nog in de klas

Literaire canon Multatuli staat op nummer één in de vernieuwde literaire canon, maar op school wordt hij niet meer gelezen, constateert . Terwijl zijn visie nog altijd jongeren aanspreekt.
Beeld van Multatuli, in Amsterdam.
Beeld van Multatuli, in Amsterdam. Foto Marcel Antonisse / ANP

Multatuli staat nummer één in de nieuwste canon van de Nederlandse literatuur. Dat is goed nieuws: de voormalige koloniale ambtenaar Eduard Douwes Dekker alias Multatuli is immers de schrijver van Max Havelaar, de roman die in 1860 „een rilling door het land deed gaan”. Het boek leidde zelfs tot, toen nog uitzonderlijk, vragen in de Tweede Kamer, omdat Multatuli misstanden in ‘Insulinde’ aan de kaak stelde en Nederland ronduit „een roofstaat aan de Noordzee” noemde. En Multatuli schreef daarna natuurlijk onder meer Minnebrieven, Woutertje Pieterse, dat nog altijd bij veel lezers geliefd is, en vele, vele Ideeën. Het is dan ook goed dat dit talent nog altijd wordt erkend, al is het maar in een canon op basis van een enquête onder bijna tweeduizend professionele lezers en liefhebbers van literatuur.

In reactie op de canon zette NRC, en ook onder meer Trouw, Multatuli samen met andere schrijvers weg als „dode, witte mannen”. Dat is niet alleen een modieuze knieval voor de cancel culture, het is vooral bizar.

Het is ook bizar dat literair historicus René van Stipriaan Multatuli in NRC karakteriseerde als een auteur die „in de eerste plaats aanbevelingen deed om de exploitatie van de kolonie Nederlands-Indië te verbeteren”. Van Stipriaan weet wel beter: bijvoorbeeld dat de Indonesische schrijver Pramoedya Ananta Toer, jarenlang kandidaat voor de Nobelprijs voor literatuur, de roman ruim twintig jaar geleden in The New York Times karakteriseerde als „the book that killed colonialism”.

Het valt toe te juichen dat er weer felle discussie is over de canon. Al duiken er ook nu weer misverstanden op. Een eerste misverstand is dat een canon een verplichte literatuurlijst is. Dat is hij niet. Maar zo vrijblijvend als NRC hem in zijn hoofdredactioneel commentaar maakt, dat „je zelf ontdekt wat te lezen”, is hij ook weer niet. Een canon is wel een (vaak virtuele) lijst van literaire teksten waarover op een zeker moment in een bepaalde groep de overeenstemming bestaat dat zij van grote cultuurhistorische betekenis zijn.

‘Dode witte mannen’

Een tweede misverstand is dat er vooral levende auteurs in zouden moeten staan. Die gedachte zit ook verscholen in het verwijt over ‘dode witte mannen’ in de canon. Maar bij het begrijpen van het werk van levende schrijvers kan kennis van het werk van schrijvers uit eerdere perioden een verrijking zijn. Schrijvers uit het heden zijn via hun werk ook in gesprek met hun tijdgenoten (ook in andere taalgebieden) en met hun voorgangers. Kennis van Max Havelaar helpt bij de interpretatie van De tolk van Java van Alfred Birney.

Sommigen vinden dat het lezen van schrijvers uit het verleden een elitaire bezigheid is. Ik zou zeggen: niet de kennis van gecanoniseerde werken is elitair, maar het onthouden van deze kennis aan anderen terwijl je er zelf wel over beschikt – dat is elitair.

En natuurlijk is het irritant dat zo’n canon voornamelijk wordt bevolkt door mannen. Die oververtegenwoordiging laat zich verklaren door het feit dat een canon ook een weerspiegeling is van historische maatschappelijke verhoudingen is. Hetzelfde geldt voor de witheid van die lijst.

Maar afwezig zijn vrouwen niet: elke periode had en heeft haar belangrijke vrouwelijke auteurs: Hadewich, Anna Bijns, Tesselschade, Betje Wolff en Aagje Deken.

Scholieren wordt toch ook niet gevraagd of ze de Stelling van Pythagoras leuk vinden

Teksten van vrouwen zijn ook helemaal niet onvindbaar, zoals wel eens wordt geklaagd: tussen 1997 en 2016 werden onder auspiciën van de Nederlandse Taalunie zeven vuistdikke literatuurgeschiedenissen van de Middeleeuwen tot nu gepubliceerd. Die bevatten een schat aan gegevens, ook over vrouwelijke auteurs, en zijn nota bene digitaal beschikbaar. Bovendien richten Met en zonder lauwerkrans van Riet Schenkeveld en Een kleine literatuurgeschiedenis 1880-2010 van Thomas Vaessens en mijzelf zich uitsluitend op vrouwen.

Bij dit alles moeten we niet vergeten dat een canon geen doel is maar een middel. En dan niet alleen om een goed gesprek te voeren over literatuur, zoals het NRC-commentaar stelde, maar om iets dat voor de samenleving als geheel veel wezenlijker is: kennisoverdracht.

De ontlezing onder Nederlandse jongeren is groot. Er wordt weinig aandacht aan literatuur in de lessen Nederlands besteed – geweldige leraren uitgezonderd. Maar op de lerarenopleidingen hoeven studenten slechts teksten vanaf 1880 te lezen. Als het aan de opleiding ligt, zullen aspirant-leraren Multatuli, de nummer één van de canon, dus nooit onder ogen krijgen. En hun leerlingen later wellicht dus ook niet.

Lees ook: Multatuli en ik verkondigen exact dezelfde boodschap

Glitterboeken op Booktok

En toch is goed literatuuronderwijs de enige mogelijkheid om dit tij te keren. Dat onderwijs moet niet beperkt zijn tot boeken die leerlingen ‘leuk’ vinden. Scholieren wordt toch ook niet gevraagd of ze de stelling van Pythagoras ‘leuk’ vinden? School is bedoeld om scholieren in aanraking te brengen met teksten die ertoe doen. Leraren spelen een cruciale rol. Natuurlijk kunnen zij gebruik maken van glitterboeken op Booktok om jonge scholieren te laten zien hoe leuk lezen is. Maar kennis van Nederlandse klassiekers is een must. Net zoals elke Brit weet wie Shakespeare is, zo moeten Nederlandse scholieren Multatuli en zijn werk leren kennen, al is het in versimpelde vorm.

Dit is geen nationalistisch pleidooi – wel een pleidooi voor meer tijd voor literatuur op school met aandacht voor moderne literatuur, maar ook voor de grote klassiekers. Dat is niet vrijblijvend, en daarom zou het goed zijn om leraren bij deze taak te helpen. Dat kan door een brug te slaan tussen de leraar en die monumentale zeven delen tellende literatuurgeschiedenis die in opdracht van de Taalunie tot stand kwam. Maak de kennis bereikbaar voor het klaslokaal door die digitale literatuurgeschiedenis te vertalen in voor leerlingen aantrekkelijke concrete lespakketten. Laat hen kennismaken met de onvermoede diversiteit in de Spaanschen Brabander van Bredero, het fascinerende non-binair idool van Couperus, Heliogabalus, in De berg van licht, de worsteling van Eva met haar seksualiteit in de gelijknamige roman van Carry van Bruggen of het opstandige Buiten het gareel van Soewarsih Djojopoespito.

Tot slot: het is belangrijk dat wij jongeren van nu, en ook latere generaties, niet afsluiten van ons culturele verleden. Nu is dat verleden nog relatief eenvoudig te bereizen door oudere literatuur te lezen. Maar de kennis en vaardigheden die ons kunnen gidsen mogen we dan niet verliezen. En dat dreigt wel te gebeuren door verwaarlozing van het literatuuronderwijs.

Multatuli werd meer dan tweehonderd jaar geleden geboren, maar nog altijd spreekt hij met zijn relevante visie jongeren aan; over de principiële gelijkwaardigheid van mensen, bijvoorbeeld. Zo inspireerde hij ook een jonge auteur als Lale Gül. Zij nam als VU-student deel aan een zogeheten ‘straatcollege’ voor het Multatuli Huis in Amsterdam, gegeven door voorzitter Elsbeth Etty van het Multatuli Genootschap, over Multatuli’s Idee 195: „Wat maakt ge van onze dochters, o zeden! Ge dwingt haar tot liegen en huichelen. Ze mogen niet weten wat ze weten, niet voelen wat ze voelen, niet begeeren wat ze begeeren, niet wezen wat ze zyn.” Vanaf dat moment begon Güls pen te vloeien.

Multatuli mag dan dood zijn, zijn werk is springlevend.