Recensie

Recensie Boeken

Twitter en Facebook gaan ons niet redden

Bingewatch-maatschappij In ‘Kapitalistisch realisme’ van Mark Fisher wordt beschreven hoe de ‘consument-toeschouwer’ doelloos ronddoolt in een gedepolitiseerde maatschappelijke orde. Is opstand nog wel mogelijk?

Nederland, Breda, juni 2022 Foto ANP / Hollandse Hoogte / Peter Hilz foto: ANP / Hollandse Hoogte / Peter Hilz
Nederland, Breda, juni 2022 Foto ANP / Hollandse Hoogte / Peter Hilz foto: ANP / Hollandse Hoogte / Peter Hilz

Karl Marx en J.L. Heldring hadden ten minste één ding gemeen: ze waren goed in wervende slagzinnen. Marx en Engels schreven in hun onlangs opnieuw uitgegeven Communistisch manifest (1848) dat ‘al het vaststaande verdampt’. Een late bundel van Heldring heet Heel ons fundament kraakt (2003). Aan gevoel voor crisis ontbrak het de naamgever van het marxisme noch de liberaal-conservatieve veteraan-columnist van NRC Handelsblad. Je zou benieuwd zijn wat beiden hadden gevonden van Kapitalistisch realisme (2009), de radicaal-linkse klassieker van de Engelse schrijver annex blogger Mark Fisher, politiek theoreticus en cultuurcriticus. Fisher schreef over radicale politiek, maar ook over kunst, punkmuziek en populaire cultuur (onder zijn bloggersnaam k-punk). Een boek over psychedelische tegencultuur, Acid Communism, voltooide hij niet meer; Fisher pleegde in 2017 op 48-jarige leeftijd zelfmoord. Zijn invloed is onverminderd groot; het is dus goed dat zijn bekendste werk nu ook in vertaling beschikbaar is.

In Kapitalistisch realisme legt Fisher ‘met meedogenloze luciditeit’ (Sebastiaan Olma in zijn nawoord) de culturele effecten bloot van het late kapitalisme en de illusie dat er ‘geen alternatief’ zou zijn. In de decennia na de val van de Muur en de ondergang van het ‘reëel bestaande socialisme’ zijn inmiddels hele generaties opgegroeid die het ontbreken van zo’n alternatief niet eens meer als probleem zien, aldus Fisher. ‘Het kapitalisme neemt naadloos de horizon van het denkbare in beslag’. Ook is de relatie vervlogen met het oudere, kapitalistische modernisme, dat nog werd gekenmerkt door paternalistisch geloof in innovatie en collectieve vooruitgang. Wat rest is de figuur van de ‘consument-toeschouwer, die door de ruïnes en relikwieën sjokt’. Series bingen is de ‘post-geletterde subjectiviteit van de laat-kapitalistische consument’ – een observatie die doet denken aan Herbert Marcuse’s One-Dimensional Man (1964).

Ideologisch stilstaand water

Fishers filippica tegen die ogenschijnlijk onwrikbare, gedepolitiseerde maatschappelijke orde sloeg aan onder linkse intellectuelen en activisten. Zijn afkeer van de ‘geen alternatief’-mantra zal ook nu nog tot de verbeelding spreken van cohorten jongeren voor wie sociale mobiliteit en politieke turbulentie hooguit een vaag verhaal uit het verleden zijn (van ‘boomers’) en die zelf alleen het ideologisch stilstaande water kennen van ‘neoliberaal’ Nederland.

Zij zullen zich herkennen in Fishers schets, aan de hand van comics, romans en films, van een ontgoochelde, neo-noir populaire cultuur. Misschien ook wel in zijn typering van studenten die in de greep zijn van ‘depressief hedonisme’; ze kampen met ‘een onvermogen om iets anders te doen dan plezier nastreven’, verslaafd als ze zijn aan ‘de entertainmentmatrix’. Ziehier de ‘politieke fenomenologie’ van het late kapitalisme: ‘verveling en frustratie, onderbroken door opgewekte pr’.

Onder die deken van non-stop behoeftebevrediging broeit onvrede die kenmerkend is voor het ‘post-Fordisme’, de economische orde die niet langer draait om industriële productie maar om eindeloze consumptie en vrije kapitaalstromen. Fisher legt een verband met de geestelijke-gezondheidscrisis in westerse samenlevingen. Stress en angst hebben sociale en politieke oorzaken: de leegheid van consumptie en de totalitaire claim die het post-Fordisme op werknemers legt. Het is de ironie van een bedrijfsvoering die hen empathisch wil behandelen en met interne cursussen nader tot elkaar brengen: de grens tussen professioneel en privé vervaagt, met permanente psychische druk als gevolg. Tegelijk heerst alom een cijfermatige controle-, audit- en beoordelingscultuur.

Wat te doen, om met Lenin te spreken? Het werk van Fisher spreekt vermoedelijk ook aan omdat hij niet de klassenstrijd bezingt, zoals orthodoxe marxisten, maar zijn schuldbewuste lezers oproept te accepteren ‘dat we op het niveau van het verlangen meedraaien in de meedogenloze vleesmolen van het kapitaal’. Eerst moet de neoliberale meeloper in onszelf worden herkend. Als dan de bezwering ‘geen alternatief’ eenmaal is ontmaskerd als een dooddoener en de orde in zijn voegen begint te kraken, kan een ‘gerevitaliseerd links’ ontdekken dat plotseling weer ‘alles mogelijk’ is. Ook dat is een reprise van een oudere slogan: de verbeelding aan de macht.

Fishers analyse is grimmig, maar zijn stijl is, zoals Olma opmerkt, ‘nooit wanhopig of hopeloos’, eerder beweeglijk en opgewekt. Hij bouwt voort op het werk van de marxistische criticus Frederic Jameson en weet ook denkers als Lacan, Deleuze en Zizek, die graag in zelfgebouwde verbale doolhoven ronddwalen, helder te gebruiken. Intussen blijft zijn diagnose steviger dan zijn remedie – en tamelijk massief. Is er geen politisering denkbaar zonder eerst de hele orde tot ‘ruïne’ te verklaren – en hoe is progressieve actie te organiseren?

Niet op Twitter, vermoedelijk. In een geruchtmakend artikel zette Fisher zich in 2013 fel af tegen ‘Left wing Twitter’, dat hij een ‘vampierkasteel’ noemde. Het online vingerwijzen werd volgens Fisher gedreven door ‘een priesterlijke behoefte om mensen in de ban te doen, een pedante neiging om andermans fouten te signaleren en een hipster-drang om bij de incrowd te horen’. Het werd hem niet in dank afgenomen.