Recensie

Recensie Boeken

Helpt ‘intelligente sabotage’ het klimaat te redden?

Explosieven Klimaatactivist Andreas Malm roept op tot gewelddadige acties in zijn veelbesproken pamflet Eco-sabotage. Apparaten die CO2 uitstoten zijn wat hem betreft vogelvrij. Is dat soort harde actie zinvol?

Illustratie Anne van Wieren

Activistische pamfletten krijgen zelden een verfilming, maar de Zweedse activist en klimaatwetenschapper Andreas Malm (1977) kreeg dat voor elkaar met zijn boek How to Blow Up A Pipeline. Op het filmfestival van Toronto ging vorige maand een speelfilm in première onder dezelfde titel, die mede is geïnspireerd op zijn werk. Een groep jonge klimaatactivisten is in de film zo wanhopig over het klimaat dat ze besluiten eigenhandig een oliepijplijn op te blazen.

Met zijn pamflet – in het Nederlands verschenen als Eco-sabotage. Of hoe je een pijpleiding opblaast – gooit Malm een knuppel in het hoenderhok van het klimaatactivisme. Zulk activisme is massaler dan ooit, mede door het opmerkelijke succes van Greta Thunberg. Tegelijk ziet Malm dat het gebruik van fossiele brandstoffen nog altijd niet snel genoeg afneemt. Het is volgens hem tijd om de brede consensus in de klimaatbeweging – dat het meest effectieve protest altijd geweldloos verloopt – te doorbreken en naar hardere middelen te grijpen.

Malms roep om radicalisering is geen geluid in de marge dat nauwelijks gehoor vindt. Eco-sabotage leidde al tot levendige debatten op Twitter en Facebook. De auteur mocht in de podcast van tijdschrift The New Yorker komen uitleggen waar hij precies naartoe wil met de wereld. Dat er al snel een film op het boek volgde, geeft aan dat Malm een snaar heeft geraakt.

Geen terrorisme

Malm wijst terrorisme resoluut af – door hem gedefinieerd als geweld tegen personen, waarbij geen onderscheid wordt gemaakt tussen burgers en strijdende partijen. Maar geweld tegen objecten – sabotage – zou de klimaatbeweging veel kunnen opleveren, meent hij. Alle voertuigen en andere apparaten die CO2 uitstoten zijn wat hem betreft vogelvrij.

Zulke acties hoeven niet per se een spectaculair karakter te hebben, zoals een bomaanslag op een oliepijplijn. De banden laten leeglopen van energie verslindende zware auto’s zoals SUV’s kan al een effectieve vorm van protest zijn. Malm was zelf in het verleden bij dergelijke acties tegen voertuigen betrokken in de dure buurten van Stockholm.

Met een verwijzing naar de radicale anti-koloniale denker Frantz Fanon pleit Malm voor een ‘Fanoniaanse klimaatbeweging’. Maar Malm verheerlijkt revolutionair geweld niet als een transformerende en emanciperende kracht, zoals Fanon in sommige geschriften deed. Hij maakt een tamelijk kalme en rationele afweging wat sabotage – weloverwogen, proportioneel en vakkundig uitgevoerd – klimaatactivisten zou kunnen opleveren.

Naast de massale klimaatbeweging die binnen de grenzen van de wet opereert zou er wat Malm betreft een radicalere stroming moeten ontstaan, die de daad bij het woord voegt. Hij hoopt zo op een zogeheten ‘positief flank-effect’. Martin Luther King vond volgens die theorie alleen gehoor als gematigd leider van de beweging voor burgerrechten, omdat er op de achtergrond steeds de dreiging was van de aanzienlijk radicalere Malcolm X. Een vergelijkbaar effect zou een radicale stroming in het klimaatprotest kunnen hebben.

‘Negatief flank-effect’

Malm is zich er bewust van dat er ook zoiets bestaat als een ‘negatief flank-effect’. Dat is een politieke beweging die géén gehoor meer vindt en iedere legitimiteit verliest door te grijpen naar geweld. Maar hij opereert in de veronderstelling dat het altijd mogelijk zal zijn om een positief effect in te calculeren en de negatieve effecten uit de weg te gaan – een illusie.

Veelzeggend is dat Malm nauwelijks een pagina wijdt aan de rol van democratie in de strijd voor het klimaat. Democratische staten zijn in zijn ogen niet meer dan de marionetten van het grote bedrijfsleven. Ook rekt hij de definitie van geweld enorm op. De uitstoot van CO2 onder het regime van het ‘fossiele kapitalisme’ is feitelijk al een vorm van geweld. Hij spreekt van ‘het langzame geweld van de klimaatontwrichting’. Daarom is een gewelddadig antwoord daarop legitiem. Vooral de ‘luxe-uitstoot’ van CO2 die afkomstig is van de rijken is voor hem een gerechtvaardigd doelwit. De ‘gevoelloze’ heersende klasse en de ‘zelfzuchtige rijken’ duiken geregeld op in Eco-sabotage. Zijn pleidooi voor geweld – al is dat gericht op objecten – gaat onvermijdelijk gepaard met stevige dehumanisering van opponenten.

Malm komt om zijn gelijk te halen op de proppen met het historische voorbeeld van de suffragettes in het Verenigd Koninkrijk, die met aanslagen en vernielingen het vrouwenkiesrecht afdwongen. De vraag is of dat zo’n gelukkig precedent is. De strijd voor vrouwenkiesrecht was in Engeland gewelddadiger en extremer dan in andere landen, maar Engeland was ook láter dan sommige andere landen met het invoeren van kiesrecht voor vrouwen. Een mogelijke factor daarbij was dat de suffragettes de Britse publieke opinie van zich vervreemdden met hun harde acties.

Malm spreekt zich fel uit tegen het klimaatfatalisme van de schrijver Jonathan Franzen en anderen dat de situatie uitzichtloos is – en de wereld eigenlijk al verloren is gegaan. Er zijn zoveel factoren in het spel dat de toekomst niet te voorspellen valt, de toekomst is principieel open. Tegelijkertijd is zijn pleidooi voor sabotage gestoeld op een even pessimistisch als deterministisch idee van dezelfde toekomst: harde actie is nu geboden, omdat onze doem met rasse schreden nadert. Maar als toch niet zó zeker vaststaat dat het vijf voor twaalf is voor de wereld, verliest Malms pleidooi voor ‘gecontroleerd politiek geweld’ en ‘intelligente sabotage’ een flink deel van zijn morele en praktische rechtvaardiging.