Recensie

Recensie Boeken

Een waarachtig kinderboek over de dubbelzinnige relatie tussen mens en natuur

Natuur Waarom spreekt de natuur zo tot de verbeelding van kinderen? Daan Remmerts de Vries spoort aan in de natuur te zien wat erin verborgen ligt.

Foto Daan Remmerts de Vries

Dat de natuur dit jaar tot Kinderboekenweek-thema is uitgeroepen, moest er een keer van komen. Behalve dat de klimaatapocalyps zich min of meer voor onze ogen afspeelt, wordt de kinderboekenwereld al jaren overspoeld door boeken over insecten, vogels, schimmels, bloemen, bomen, noem maar op. De één visueel nog aantrekkelijker dan de ander en qua informatie vaak bewonderenswaardig accuraat. Veel van die non-fictie lijkt geschreven vanuit een moreel educatieve intentie: voordat het te laat is moet de jongste generatie zich bewust worden hoe bijzonder en onmisbaar de natuur wel niet is. Mooi meegenomen, de meeste kinderen voelen zich sterk verbonden met alles wat groeit en bloeit.

Jammer is dat in die boeken meestal wordt voorbijgegaan aan de onderliggende vraag waarom dit eigenlijk zo is. Natuurlijk, een makkelijk eenduidig antwoord is er niet. Zit de ‘herinnering van miljoenen jaren geleden’, toen iedereen nog in de wilde natuur leefde, diep in onze genen verankerd en zijn wij eigenlijk dieren, zoals Yuval Noah Harari stelt in zijn eerste kinderboek Hoe wij het machtigste dier op aarde werden? Voelen kinderen zich aangetrokken tot moeder natuur vanuit een onbewust terugverlangen naar de Hof van Eden, een romantisch idee waarnaar De wereld van Sofie-auteur Jostein Gaarder lijkt te verwijzen in zijn nieuwe boek Wij zijn de wereld, als hij beschrijft hoe hij als tiener op ‘een oerniveau’ met ‘een diepere laag’ in de natuur en hemzelf contact heeft? Of worden kinderen door hun nieuwsgierigheid gedreven? Is het hun aangeboren ontdekkingsdrang die ze het Verboden Bos in de Harry Potter-boeken in stuurt, en ze aanspoort de geheimen van Tonke Dragts Wilde Woud te ontrafelen? Dat de natuur zich daarbij ook tegen het kind kan keren moet overigens niet vergeten worden: bomen kunnen vallen, wilde planten kunnen giftig zijn en hongerige dieren onheilspellend onvoorspelbaar.

Bij de wilde dieren

Een waarachtig kinderboek schrijven over die dubbelzinnige relatie tussen mens en natuur is dan ook geen sinecure. De beste boeken zijn eigenlijk die waarin dit, verpakt in een spannend avontuur, tussen de regels door wordt aangestipt. Niet voor niets hebben klassiekers als Nils Holgerssons wonderbare reis (1906) van Selma Lagerlöf en Rudyard Kiplings Jungleboeken (1894) een legendarische status. Niet alleen draaien deze fictieverhalen om kinderen die, doordat ze bij wilde dieren verblijven, worden geconfronteerd met de schoonheid, wreedheid en vrijheid van een leven in de natuur en de vraag wat het betekent mens te zijn, ze brengen ook een ode aan het mysterie van de kringloop van het leven. Dat spoort aan verder te kijken dan het oog reikt en prikkelt de verbeeldingskracht.

Toch is er een boek in de stapel non-fictie over natuur dat erbovenuit springt. Dat is Achter de bomen stond een leeuw, niet toevallig geschreven door Daan Remmerts de Vries: de recente winnaar van de Theo Thijssen-prijs koestert al zijn hele leven een diepe liefde voor de natuur en trekt de wereld rond om dieren in het wild te treffen. Die ontmoetingen keren terug in zijn werk, in zijn jeugdroman Tijgereiland (2013) bijvoorbeeld en in Het Jungleboek (2020), zijn sprankelende vrije bewerking van Kiplings boeken. Maar in Achter de bomen stond een leeuw vertelt hij voor het eerst hoe die ontmoetingen werkelijk waren, oprecht van toon en alsof ze gisteren plaatsvonden. En vooral vertelt hij wat ze voor hem betekenden als mens.

Lees ook een portret van Daan Remmerts de Vries, die eerder dit jaar werd onderscheiden met de Theo Thijssen-prij

Zo vraagt hij zich af, middels observaties van ‘dwaalgasten’, ‘de zwervers onder de vogels’, die bij toeval ergens opdagen waar ze niet thuishoren: hoe vrij zijn wij? Al net zo relevant is zijn gedachte over de gelijkenis tussen mens en (zoog)dier na een bezoek aan een Parijse dierentuin zonder hokken. Hun verkregen bewegingsvrijheid maakt dat de dieren zich schuilhouden voor de bezoekers. Door het schuwe gedrag beseft Remmerts de Vries ineens hoezeer dieren net zo van ruimte, een eigen slaapplek en zelfgekozen eten houden als mensen en dat ze ‘net als mensen gevoelens hebben over wat prettig is en wat niet’. Ook veelzeggend: zijn overpeinzing dat dieren, in tegenstelling tot mensen, ‘je nooit kunnen teleurstellen, omdat ze altijd zichzelf zijn’.

Lees ook de recensie van twee hertaalde kinderboekklassiekers: Waar Mowgli en Nils Holgersson hun onsterfelijke status aan te danken hebben

Kathedraal van stammen

Maar het meest tot de verbeelding sprekend in dit met eigen foto’s geïllustreerde natuurdagboek zijn de hoofdstukken waarin Remmerts de Vries door het Indiase oerwoud dwaalt. Geheimzinnig en poëtisch beschreven is het moment dat het bos zich als ‘een kathedraal van stammen, met een dak van bladeren’ om hem heen sluit. Dat zich daar ergens tijgers schuilhouden, vindt Remmerts de Vries iets ‘sprookjesachtigs’ hebben. Het woord past uitstekend bij het idee waar hij als kind al van overtuigd was: ‘dat er een wereld lag verscholen áchter alles wat [hij] zag’ en dat hij die ‘wonderen’ ooit zou kunnen waarnemen. Hierom, zegt hij, is hij naar dieren gaan zoeken: ‘Zij zijn eigenlijk een soort boodschappers – zij geven aan wáár dat verstopte leven zit.’

Zo lijkt het verlangen naar het verborgen leven van de natuur een verlangen naar verhalen: een mooie uitkomst voor een Kinderboekenweek waarin de natuur centraal staat.