Opinie

Kiezen tussen Wolkers en het WK

Frits Abrahams

Behalve C. Buddingh’ en Nico Scheepmaker ken ik niet veel schrijvers die zó verslingerd waren aan voetbal als Jan Wolkers. Daarom was het een goed idee van Onno Blom, al schrijver van een boeiende biografie over Wolkers, om nu een apart, fraai vormgegeven boekje over de voetballiefde van Wolkers te maken: Genialiteit staat nooit buitenspel.

De titel bevat een uitspraak van Jan Wolkers over zijn grootste voetbalheld, Piet Keizer. Wolkers liet in een uitzending van Zomergasten in 1991 – een aflevering die ik me herinner als een van de beste ooit – enkele briljante acties van Keizer zien. Zo was er een splijtende pass met buitenkant voet op Johnny Rep, die vervolgens kon scoren. „Dat was buitenspel, dacht ik”, zei tv-commentator Herman Kuiphof destijds. „Nee, dat dacht je helemaal niet”, zei Wolkers, „genialiteit staat nooit buitenspel.”

Wolkers praatte in die uitzending zo euforisch over Keizer, dat die zich er thuis voor de buis ongemakkelijk bij voelde. Keizer was een nuchtere, enigszins wantrouwige man die alle poeha rond het topvoetbal overdreven vond. Tegen een journalist zei hij: „Het was buiten alle proporties en voor het eerst van mijn leven wilde ik reageren. Ik heb me suf gepiekerd hoe ik deze vorm van onzin kon aanpakken, uiteindelijk heb ik het maar zo gelaten.”

Theun de Winter, vriend van Wolkers en kennis van veel Ajacieden, relativeert in dit boekje de afwijzende houding van Keizer. „Keizer woof alles weg. Maar hij genoot ervan als zijn kwaliteiten op waarde werden geschat.”

Tien jaar na die uitzending zagen Jan en Karina Wolkers Keizer in de rij van een levensmiddelengroothandel staan. Ook genialiteit moet soms gewoon in de rij staan. Wolkers haalde twee flessen Chablis uit zijn boodschappenwagen en schoot op Keizer af om ze te geven. „Ze spraken een kwartiertje met elkaar. Lachten. En namen allerhartelijkst afscheid. Twee ouwe jongens.”

In de voetballers die hij bewonderde – naast Keizer vooral Cruijff en Van Hanegem – zag Wolkers zijn eigen biografie weerspiegeld, schrijft Blom. Dat lijkt me een juiste constatering. Het waren jongens van eenvoudige komaf die net als hij de top hadden gehaald met een groot creatief talent. Ze waren niet zomaar aardige voetballers, maar spelers met veel ruimtelijk inzicht en een verbluffende techniek. Wolkers zag hen als artiesten, hij vergeleek Keizer met Rimbaud en Van Hanegem met Rembrandt. Overdreven? Als het om genialiteit ging, wilde Wolkers geen onderscheid maken tussen kunstenaars en sportmensen.

Dat voetbal, met name Ajax, zoveel voor Wolkers betekend heeft, is mij vooral dankzij dit boekje duidelijk geworden. Hij had het geluk dat hij een generatie jonge voetballers zag opkomen, die in Nederland niet gauw meer overtroffen zal worden. Wolkers ging zelden naar het stadion, hij genoot liever voor de televisie. Bij wedstrijden van Ajax kon hij zich nauwelijks in bedwang houden, hij sprong op, schreeuwde. „Nee, geen spreekkoren van hi ha hondenlul of zo, maar wel roep ik vaak: Godverdomme, dááár moet die bal heen – en dan gaat-ie er ook vaak heen.”

Ik herken wel iets in die overgave, moet ik bekennen. Als ik moest kiezen tussen een ongepubliceerd, opeens ontdekt, boek van Jan Wolkers en een WK-finale met Nederland? Sorry Jan, ik zou het wel weten.