De judobond wil op weg naar ‘Parijs 2024’ tot een betere samenwerking op de mat komen

WK judo Bij de WK in Oezbekistan kunnen Nederlandse judoka’s een belangrijke slag slaan in het nieuwe olympische kwalificatietraject. „We strijden vooral tegen de rest van de wereld.”

Zwaargewicht Roy Meyer (links) tijdens een training op Papendal. De judoka is op weg naar de Spelen van Parijs in 2024 verlost van zijn rivaal Henk Grol.
Zwaargewicht Roy Meyer (links) tijdens een training op Papendal. De judoka is op weg naar de Spelen van Parijs in 2024 verlost van zijn rivaal Henk Grol. Foto Robin van Lonkhuyzen / ANP

In sommige opzichten was 2021 een memorabel judojaar, maar niet op de manier zoals de Judo Bond Nederland (JBN) het graag ziet.

Sportief was het een domper: bij de Olympische Spelen in Tokio werd (opnieuw) slechts één medaille behaald, brons. Maar veelbesproken was de onderlinge strijd tussen Nederlandse judoka’s in aanloop naar die Spelen in Japan, waarvoor elk land zoals gebruikelijk per gewichtsklasse maar één sporter mocht afvaardigen.

Die strijd liep tweemaal behoorlijk hoog op. Eén keer op de mat, waar Henk Grol zijn deelname afdwong door concurrent Roy Meyer te verslaan in een uitzonderlijk fel duel op de EK in Portugal, inclusief een vinger in het oog (Meyer bij Grol) en een extra duw na een ippon (Grol bij Meyer).

En één keer bij de bezwaarcommissie, waar Kim Polling – tevergeefs – de beslissing van de judobond aanvocht om voor Sanne van Dijke te kiezen. Van Dijke pakte later in Tokio die enige medaille.

Alleen resultaten tellen

Dat moet anders, besloot de judobond. Om een einde te maken aan onduidelijkheid en onderlinge strubbelingen werd het olympisch kwalificatietraject dit jaar gewijzigd. Het is nu „volledig geobjectiveerd”, zegt Gijs Ronnes, die sinds januari directeur topsport van de JBN is. Waar voorheen een selectiecommissie ruimte had om afwegingen te maken, tellen nu alleen resultaten. Allereerst de positie op de wereldranglijst, acht weken voor de Spelen: top-6 voor de mannen, top-4 voor de vrouwen.

Bij meerdere kandidaten, tellen vervolgens WK-medailles. En als die óók geen uitsluitsel geven, dan wordt deelname één-tegen-één op de mat uitgevochten. Alleen een dokter kan nog een eigen afweging maken, als een sporter niet topfit is. Ronnes: „Daar ontkom je niet aan.” Tijdens de WK judo in Tasjkent, Oezbekistan, die deze donderdag beginnen, kunnen de Nederlandse judoka’s op weg naar ‘Parijs 2024’ alvast een belangrijke slag slaan. De bond heeft drie medailles en zes top-8-plekken als doel gesteld.

Volgens Ronnes is het nieuwe kwalificatiesysteem, dat in juni inging, door de judoka’s verwelkomd. „Sporters wilden heel graag dat dit objectief zou worden. Dat ze meteen weten: zo sta ik ervoor.” Vroeger had een directeur, de functie die hijzelf nu bekleedt, ook een vinger in de pap. En dat kon Ronnes merken. „Als ik even met een sporter praatte, dan kreeg ik al scheve gezichten van anderen.”

Individuele animositeit

Gaat het nieuwe systeem dan voor een betere sfeer zorgen in de Nederlandse ploeg? „Het is de eerste keer dat we dit proberen. Hoe het gaat werken weten we niet”, zegt Ronnes. „Maar over het algemeen geldt wel: duidelijkheid geeft rust. En daarnaast wil ik ook dat sporters goed beseffen: uiteraard is er een onderlinge strijd, maar we strijden vooral tegen de rest van de wereld.”

Dat klinkt vanzelfsprekend, maar dat is het in het topjudo niet. Nog los van individuele animositeit zoals die tussen Meyer en de inmiddels gestopte Grol, zijn er binnen het judo verspreid over het land verschillende kampen. De centralisatie naar nationaal sportcentrum Papendal, die enkele jaren geleden werd ingezet met als doel het judo op een hoger niveau te krijgen, riep veel verzet op. En ook op Papendal verloopt de onderlinge samenwerking tussen coaches nog niet optimaal, zegt Ronnes. „Daar ligt wel een opdracht, daar zijn we mee bezig. Maar het gaat wel beter. Het wordt al normaler om samen op Papendal te zijn. Maar het is soms nog hard werken om coaches in eenzelfde ruimte te zetten en op een constructieve wijze met elkaar in gesprek te laten gaan.”

Hij snapt het ook wel, zegt Ronnes, die zelf afkomstig is uit het volleybal en als trainer heeft gewerkt in het beachvolleybal. „Iedere coach wil de beste zijn. Ik heb zelf ook moeten leren om kennis te delen. Maar als je kennis deelt, wordt je kritisch bevraagd en juist daar kan je van leren.”

Ook de judoka’s wil Ronnes doordringen van dit principe van onderling aanscherpen. Sporters, juist directe concurrenten in dezelfde gewichtsklassen, moeten veel samen trainen, vindt Ronnes. Iets wat niet altijd gebeurde. „Als we elkaar uit de weg gaan, dan trainen we op een minder hoog niveau. Soms wordt wel gezegd: ‘maar dan maak ik mijn concurrent beter’. Ja, klopt, maar jezelf ook.”