Opinie

4 oktober 1992

Gemma Venhuizen

Eén keer was ik er met een vriend die in de Bijlmer woonde langsgevaren. „Daar is de plek van de ramp”, wees hij vanuit de kano. We zwegen, keken naar een overvliegende reiger, maar stapten niet uit. Volgende keer, nam ik me voor. Pas afgelopen maandag kwam ik terug. Metro 53 vanaf Amsterdam Centraal naar Ganzenhoef in de avondspits, en dan te voet verder. Het was een impulsbezoek, daags voor de herdenking. Morgen zou de burgemeester komen, zouden de kransen worden gelegd, de namen worden voorgelezen. Nu speelden jongens volleybal op een nabijgelegen grasveld. De lage zon scheen tussen de flats, twee kraaien beloerden een meerkoet. Langs het water had iemand herfstasters neergezet ter ere van Pa Sem, die tijdens de ramp een jongen uit de vuurzee redde. Ik dacht aan 3 oktober 1992, dertig jaar geleden. 18.36 uur werd 18.37 uur werd 18.38 uur zonder dat iemand doorhad dat het de laatste normale avond was.

Bijna zeven was ik toen het gebeurde. Groep 4 van de basisschool, we praatten er maandagochtend over in de klas. El Al, Boeing 747. Daarna pakte meester Manders zijn gitaar en zongen we een liedje. Op het schoolplein zei een moeder „te jong om het te bevatten”. Thuis vroeg ik wat bevatten betekende.

Bij het monument was het rustig. Eén vrouw zat met gesloten ogen onder De Boom Die Alles Zag: een uit de kluiten gewassen populier – een grauwe abeel, las ik later – die de crash en daarna ook de sanering had overleefd.

Op de brug, vernoemd naar Pa Sem, stonden een vader en zoon uit Alphen aan den Rijn. Eigenlijk gingen ze naar De Dijk in de Ziggo Dome, veertig minuten lopen vanaf hier. „Maar eerst wilden we deze plek bezoeken.”

De vloer rond de boom was versierd met mozaïektegels; op de wand erachter stonden fragmenten uit gesprekken met nabestaanden: ‘Ik heb een tegel gemaakt omdat me vrientje is doodgegaan.’ Op de achterkant de namen van de 43 slachtoffers van wie de identiteit bekend was. Voor de naamloze doden was één vak opengelaten.

Opeens een stem achter me. „U bent een dag te vroeg mevrouw. Morgen komt de burgemeester.” Ik voelde me opgelaten, maar hij lachte en stelde zich voor als Eugene. „Dertig jaar terug was ik dertig jaar oud. Ik woonde in de Pijp, nu woon ik overal en nergens. Maar mijn hart ligt in de Bijlmer.” We praatten over zijn geboortestad Paramaribo, over zijn werk bij de gemeentelijke reinigingsdienst. „Ik heb een baan, maar te weinig geld voor een eigen plek.” Hij lachte weer, alsof hij een mop vertelde. Er vloog een vliegtuig over.

Er stopte een stel op de fiets. De man wilde afstappen, de vrouw schudde nee: „Kom schat, naar De Dijk!” Is er ooit een leeftijd waarop je rampen wél bevatten kunt, vroeg ik me af.

Eugene schudde me de hand. „Tot ziens”, zei hij. En: „Je weet nooit wat de dag van morgen brengt!”

In de metro terug ontdekte ik vogelpoep op mijn jas. Net te vroeg voor Dierendag.

Gemma Venhuizen is biologieredacteur bij NRC en schrijft elke woensdag een column op deze plek.