Reportage

‘Na dit alles kan ik niet meer in Izjoem blijven leven’

Graven in Izjoem De Russen gaven hem voedsel, in ruil daarvoor begroef hij de doden uit de ruïnes in de stad. Nu Izjoem is bevrijd, vreest Romas Eesalu dat hij als collaborateur wordt gezien.

Romas Easalu hielp tijdens de Russische bezetting van Izjoem met het begraven van oorlogsslachtoffers.
Romas Easalu hielp tijdens de Russische bezetting van Izjoem met het begraven van oorlogsslachtoffers. Foto Kostyantyn Chernichkin

‘Hier groeven we de lichamen uit.” Romas Eesalu (36) heeft een rossige baard en een geel petje op. Hij staat naast wat over is van een flat van vijf verdiepingen, aan de rand van Izjoem. Het gebouw is door het midden in tweeën gereten en ingestort. Zo’n veertig bewoners die schuilden in de kelder kwamen daar begin maart om het leven. Het Oost-Oekraïense stadje was toen omsingeld door Russische troepen. Tijdens beschietingen raakte 80 procent van alle gebouwen beschadigd.

Medio september werd Izjoem bevrijd. De vondst van wat aanvankelijk een massagraf leek, met 447 lichamen, schokte de wereld. Hier leek sprake van een tweede ‘Boetsja’, een verwijzing naar de vlak bij Kiev gepleegde oorlogsmisdaden. Oleg Kotenko, de Oekraïense commissaris voor ‘vermiste personen onder bijzondere omstandigheden’ nuanceerde dat later. „Mensen zijn hier, laten we zeggen, beschaafder begraven dan in Boetsja”, zei hij.

Door Romas Eesalu bijvoorbeeld. Hij was een van de Oekraïners die tijdens de bezetting de lichamen naar de geïmproviseerde begraafplaats in het bos bracht, onder toeziend oog van Russische militairen en in ruil voor levensmiddelen. Nu maakt hij zich zorgen dat hij om die reden als collaborateur kan worden gezien.

Romas Easalu troost een bewoner van Izjoem Foto Kostyantyn Chernichkin

Groep 200

Romas maakte deel uit van ‘groep 200’ – vernoemd naar het Sovjet-militaire codenummer voor dode soldaten. De ploeg haalde mensen onder het puin vandaan, groef kuilen en dekte de lichamen, genummerd en in plastic zakken, toe met grond. Op de graven werden houten kruizen gezet. Vanaf eind maart tot eind juni meldde Romas zich elke ochtend voor het werk om 08.00 uur bij de voetgangersbrug over de rivier Siversky Donets. Weekenden bestonden niet. Iedere vrijwilliger kon één keer een week vrij nemen. Bij checkpoints werden leden van de groep gecontroleerd, soms moesten ze zich daarbij ook uitkleden om te laten zien dat ze geen pro-Oekraïense tatoeages hadden.

Kijk ook naar deze fotoserie over Izjoem: martelkamers, littekens en honderden doden

Onder de in tweeën gereten flat vond Romas het lichaam van een van zijn collega’s, die voor de oorlog in het gemeentehuis werkte. De vrouw, Ljoedmilla Sergejevna, stierf met haar man, hun zoon en diens vriendin in de kelder van haar woning. „We legden de lichamen daar neer”, wijst Romas naar een stukje asfalt voor een overgebleven ingang. „Familie of buren konden dan komen kijken of ze iemand herkenden. Zodra duidelijk was wie iemand was, dan namen we het lichaam mee in de auto en brachten het weg naar de begraafplaats.”

Een orthodoxe priester loopt met een rinkelende bol met wierook langs de graven in het naaldboos. Hoewel de meeste kuilen inmiddels leeg zijn, hangt de zoete geur van ontbinding nog tussen de bomen. Het werk op de begraafplaats was gespannen, omdat er pal naast Russische militairen gelegerd waren die geregeld onder vuur werden genomen. „We hebben ons een keer daar tussen het zand verstopt toen we van boven werden gebombardeerd”, zegt Romas.

Door het bos ruist geluid dat klinkt als een metalen zweepslag. Dan weer, en opnieuw, een minuut lang. Oekraïense omstanders – zonder militaire training maar inmiddels burgerspecialist – vermoeden dat verderop een raketlanceerder van het type Grad wordt afgeschoten. De snelheid waarmee de Oekraïense strijdkrachten het gebied ontzetten is wat getemperd, maar er wordt nog steeds vooruitgang geboekt. Afgelopen weekend werd vijftig kilometer ten zuidoosten van Izjoem de volgende, voor het Russische leger belangrijke logistieke hub, Lyman, bevrijd.

Lees ook: Poetin heeft nu alle schepen achter zich verbrand
Het lokale politiebureau van Izjoem waar aangehouden burgers werden gemarteld
Foto Kostyantyn Chernichkin
Het lokale politiebureau van Izjoem waar aangehouden burgers werden gemarteld
Foto Kostyantyn Chernichkin
Het lokale politiebureau van Izjoem waar aangehouden burgers werden gemarteld
Foto’s Kostyantyn Chernichkin

Ingeblikte vis

Romas deed het werk voor ‘groep 200’ als vrijwilliger, maar niet uit idealisme. „Hoe moet ik het zeggen”, zegt Romas. „Ik stond op 20 maart in de rij voor humanitaire hulp. Er kwam een Oekraïner. Die zei dat ze mensen nodig hadden om puin te ruimen in ruil voor eten. Ik moest mijn familie voeden. We hadden helemaal niets meer en hadden kunnen verhongeren.”

In het begin kreeg hij twee of drie keer eten per week. „In de tas zat ingeblikt vlees. Macaroni. Spaghetti. Ingeblikte vis. Soms zaten er schoonmaakproducten bij. Soms ook thee, niet altijd”, zegt Romas.

Intussen maakt de politie in Izjoem jacht op collaborateurs. Het hoofd van de lokale politie, Oleh Tkatsjenko, wil er weinig over kwijt maar zegt schoorvoetend dat er „zo’n honderd” mensen vastzitten op verdenking van heulen met de vijand. Romas vreest dat zijn werk op de begraafplaats verkeerd uitgelegd kan worden. Tkatsjenko zegt dat de grens voor collaboreren ligt bij betaald krijgen – en dat eten aannemen niet strafbaar is. Romas is er echter niet gerust op.

Bewoners van Izjoem ontvangen noodhulp Foto Kostyantyn Chernichkin

Wat Romas niet helpt is dat sommige leden van de ploeg naar Rusland zijn vertrokken. Volgens hem om praktische redenen. Een van de collega’s raakte gewond aan zijn benen en werd „ergens in Rusland” naar een ziekenhuis gebracht. Twee anderen zijn weggegaan omdat ze hun huis zijn kwijtgeraakt.

Romas heeft gehoord dat vrijwilligers van zijn groep zouden zijn ondervraagd en meegenomen. Zeker weten doet hij het niet: informatie is een schaars goed in de stad. Telefoonverbinding is er lang niet altijd en zeker niet overal. Internet werkt niet meer. Hoe dan ook wil Romas zo snel mogelijk weg uit Izjoem. „Je snapt toch wel dat ik hier na dit alles niet meer kan leven. Als ik nu door de stad loop, in de buurt van die plekken. Dan kan ik niet anders dan denken aan wie daar is uitgegraven. Hoe iemand daar lag. Het hele centrum is bezaaid met dat soort plekken.”

’s Avonds ziet hij de gezichten van zijn omgekomen stadsgenoten in zijn gedachten. „Het is geen grote stad, ik woon hier al mijn hele leven, dat betekent dat ik veel van de slachtoffers ook wel een beetje kende.”

Bewoners van Izjoem proberen op de Kremenets-heuvel, het hoogste punt van de regio Charkov, signaal te krijgen om hun familieleden te kunnen bellen. Foto Kostyantyn Chernichkin