Reportage

‘Als Sistani sterft, is de vrede in Irak in gevaar’

Najaf In het sterk verdeelde Irak speelt de sjiitische geestelijke Ali al-Sistani een verbindende rol. Wat als de 92-jarige er straks niet meer is?

De Imam Alimoskee in de Iraakse stad Najaf
De Imam Alimoskee in de Iraakse stad Najaf Foto Ali Salam

Achter de Imam Alimoskee in de Iraakse stad Najaf ligt een overdekte boekenmarkt. Door de nauwe steegjes van de bazaar wandelen mannen met zwarte gewaden en tulbanden. De geestelijken zijn op zoek naar leesvoer. Dat doen ze hier al zeven eeuwen.

Aan keuze geen gebrek. In de kasten van de boekwinkels staan Koran-commentaren, maar ook werken van Friedrich Nietzsche, een biografie van Che Guevara en een kritiek van religie door Karl Marx. En natuurlijk de zelfhulpboeken van de Amerikaanse televisie-psycholoog Dr. Phil.

„Allemaal bronnen van kennis”, glimlacht Rasoul al Ghourabi, een geestelijke bij een van de boekenkraampjes. „Ik houd wel van een goede discussie met atheïsten. Juist door discussie en kritiek komen we dichter bij de waarheid.”

Die vrijzinnigheid hoort bij Najaf, zegt de man met de tulband trots. „Het is hier niet zoals in Iran. Daar kunnen geestelijken moeilijk kritiek uiten op de Opperste Leider [Ali Khamenei]. In Najaf is er vrijheid van meningsuiting. Dat hebben we te danken aan grootayatollah Ali al-Sistani.”

Najaf is een van de belangrijkste kenniscentra van de sjiitische wereld. Al sinds de elfde eeuw verdiepen de studenten van het Najaf-seminarie (hawza) zich in de islamitische leer. Een klein aantal behaalt na decennialange studie de titel van marja, wat hen de autoriteit verleent om juridische adviezen te geven waar sjiieten wereldwijd gehoor aan geven.

Koran-commentaren en boeken over Westerse filosofie in de boekenmarkt in Najaf Foto Ali Salam

De belangrijkste marja in Najaf is grootayatollah Ali al-Sistani. De 92-jarige staat bekend als gematigd, is een uitgesproken voorstander van democratie en pleit voor een strikte scheiding tussen religie en staat. Daarin onderscheiden Sistani en zijn volgelingen in Najaf zich van hun voornaamste rivalen, de geestelijken van het sjiitische seminarie in de Iraanse stad Qom, waar velen juist religieuze interventie in de politiek voorschrijven.

Toch lopen ook in Najaf de politiek en het goddelijke behoorlijk door elkaar. De adviezen van de geestelijken hebben directe invloed op de koers van de sjiitische politieke partijen en milities in Irak, waar zo’n 60 procent van de bevolking sjiiet is. Ook valt niet te ontkomen aan Iraanse invloeden. De seminaries van Najaf en Qom zijn historisch met elkaar vervlochten, en dat geeft Teheran grote invloed over de Iraakse politiek.

Lees ook Voor Irak is het ene scenario nog hopelozer dan het andere

Een recent voorbeeld is het plotselinge aftreden van de in Qom gevestigde grootayatollah Kazem al-Haeri eind augustus. De in Najaf opgeleide Haeri gold ondanks zijn verblijf in Qom nog altijd als marja van de Sadristen, de Iraakse politieke beweging van Moqtada al-Sadr. De populistische sjiitische leider, die vorig jaar de verkiezingen won maar de regeringsvorming niet naar zijn hand wist te zetten, heeft zelf niet voldoende doorgestudeerd voor de titel van marja, en dus zat hij na het plotselinge vertrek van Haeri met een probleem: zijn Sadristen waren ineens marja-loos.

De officiële reden voor Haeri’s vertrek was dat de 83-jarige te oud en ziek zou zijn. Dat is hoogst ongebruikelijk, want marja ben je tot de dood. Eerder lijkt het erop dat het Iraanse regime een hand had in de beslissing, temeer daar Haeri zijn volgelingen opriep om voortaan te luisteren naar grootayatollah Ali Khamenei, Irans Opperste Leider. Een vernedering voor Sadr, die Irans invloed in Irak juist wil terugdringen.

De licht ontvlambare Sadr kondigde mede vanwege deze gebeurtenis aan dat hij zich dan maar volledig zou terugtrekken uit de politiek. Daarop bestormden zijn aanhangers regeringsgebouwen in Bagdad en kwamen zeker dertig mensen om het leven.

Pelgrims lezen de Koran op de binnenplaats van de Imam Alimoskee Foto Ali Salam

Pelgrimstocht

Na het geweld sloot Iran begin september tijdelijk de grenzen met Irak. Even leek daarmee de jaarlijkse pelgrimstocht van miljoenen sjiieten uit Iran in het water te vallen. Die bezoeken dan het graf van imam Hoessein (de kleinzoon van de profeet Mohammed) in de Iraakse stad Kerbala, en vaak ook Najaf.

Maar grenzen zijn slecht opgewassen tegen gelovigen, weet buschauffeur Mohammed Ali, die vermoeid aan het stuur hangt van zijn toerbus in Najaf. „Ik heb vandaag weer 55 Iraniërs afgeleverd”, zegt hij. „Ze werden gek toen de grens dicht ging, dus na een dag deden ze hem weer open. De hele bus begon te gillen: ‘we moeten naar imam Hoessein!’ Ze zien het als hun heilige plicht.” En dus zag Najaf toch zwart van de pelgrims, naar schatting ruim 21 miljoen, de grootste samenkomst van mensen ter wereld.

Met zwarte vlaggen en onder het gedreun van religieuze liederen wandelen ze de tachtig kilometer van Najaf naar Kerbala. Langs de wegen delen Iraakse geloofsgenoten gratis eten uit. In Najaf doen veel pelgrims eerst de Imam Alimoskee aan, waar imam Ali, de neef en schoonzoon van de Profeet, begraven zou liggen. Een volgende halte is de begraafplaats Wadi al-Salam. Omdat sjiieten wereldwijd dichtbij imam Ali begraven willen worden, is het met meer dan vijf miljoen graven uitgegroeid tot de grootste begraafplaats ter wereld. Veel pelgrims komen een familiegraf bezoeken.

‘Iraniërs en Irakezen zijn broers. Die maken weleens ruzie, maar we blijven broers’

„Najaf is heilig voor ons”, zegt een man uit Teheran die langs de rijen pas aangekomen toerbussen wandelt. De recente spanningen tussen Iran en Irak wuift hij lachend weg. „Iraniërs en Irakezen zijn broers. Die maken weleens ruzie, maar we blijven broers.”

Pelgrims in de Iraakse stad Najaf bezoeken de Wadi al-Salam (Vallei van de Vrede), de grootste begraafplaats ter wereld. Foto Melvyn Ingleby

Ook de banden tussen Iraakse en Iraanse geestelijken zijn hecht. Tijdens het bewind van de seculiere Iraanse sjah weken veel Iraanse geestelijken uit naar Najaf, waaronder ayatollah Ruhollah Khomeiny, de ideoloog van de Iraanse Revolutie (1979) en eerste Opperste Leider van de islamitische republiek. Omgekeerd vluchtten veel Iraakse geestelijken in de jaren tachtig en negentig naar Qom om te ontkomen aan de vervolging door Saddam Hussein.

Na de val van Saddam in 2003 keerden veel geestelijken terug naar Najaf. Mede dankzij Sistani’s vrijzinnige koers bloeide het seminarie weer op tot dé trekpleister voor sjiitische studenten uit de hele wereld. „Natuurlijk zijn de Iraniërs een beetje jaloers op ons”, grinnikt Abdul Latif al-Hamidi, een geestelijke die onder de zoon van Sistani studeerde. „Ze willen dat we terugkomen naar Qom.”

Geestelijke Abdul Latif al-Hamidi in zijn moskee in Najaf. Foto Melvyn Ingleby

Hamidi – zwarte tulband, netjes bijgehouden baard – zit op een plastic stoel in zijn moskee in Najaf. Op het mintgroene tapijt liggen nog de gebedskleedjes van de Iraanse pelgrims die hier overnachtten. De geestelijke laat foto’s zien waarop hij samen met zijn gasten vrolijk staat te roeren in een grote pot eten. Theologische verschillen maken op zulke momenten niets uit.

Maar die verschillen zijn er wel degelijk. Het belangrijkste struikelblok tussen Najaf en Qom is het concept van velayat-e faqih, wat ‘voogdij van de islamitische jurist’ betekent. Ayatollah Khomeiny werkte het uit tot een doctrine waarin de islamitische jurist niet alleen in beperkte gevallen als voogd optreedt (bijvoorbeeld van weeskinderen), maar de voogdij over de hele natie krijgt. Na de Iraanse Revolutie werd deze radicale interpretatie verankerd in de grondwet van de islamitische republiek, waarmee Iran een theocratie werd.

Een slecht idee, vinden de geestelijken in Najaf. Niet alleen omdat theocratie al snel uitmondt in dictatuur, maar ook omdat Khomeiny’s theorie volgens hen simpelweg niet strookt met de Koran. „Er bestaat geen sterke juridische basis voor”, zegt Mehdi al-Hakim, een andere geestelijke in Najaf met dikke brillenglazen en een zachte stem. Na ontbijt te hebben geserveerd in zijn woonkamer, pakt hij een met gouden glitters versierde uitgave van de Koran om zijn punt kracht bij te zetten.

Sistani wil dan ook dat geestelijken zich afzijdig houden van regeringszaken, legt Hakim uit. „We kunnen advies geven, maar mensen zijn vrij om hun eigen keuzes te maken. Tijdens verkiezingen zal Sistani daarom hooguit adviseren dat het verstandig is om te stemmen, maar nooit zeggen voor wie.”

‘Sistani is de tent die alle Irakezen herbergt’

Toch heeft Sistani ongekende politieke invloed. Juist vanwege zijn onpartijdige opstelling is hij in het verdeelde Irak zo’n beetje de enige figuur naar wie alom geluisterd wordt. „Sistani is de tent die alle Irakezen herbergt”, zegt Hamidi stralend. „Hij zit niet in de regering, maar in de harten van mensen. Dat maakt hem de machtigste man van Irak. Eén advies van Sistani kan enorme massa’s op de been krijgen.”

Geestelijke Mehdi al-Hakim in zijn woonkamer. Foto Ali Salam

Defensieve jihad

Dat bleek in juni 2014, toen Islamitische Staat grote delen van Irak veroverd had en razendsnel oprukte naar Bagdad. Sistani kondigde een fatwa (juridisch advies) af waarin hij opriep tot een ‘defensieve jihad’ om Irak van de ondergang te behoeden. De daarop opgerichte Volksmobilisatie-eenheden (al-Hashd al-Shaabi), een verbond van milities dat al snel 140.000 vrijwilligers had, speelden een doorslaggevende rol in het verslaan van IS.

Vanwege hun militaire samenwerking met Iran kwam een deel van deze milities onder grote Iraanse invloed te staan. Na de val van IS ontpopten ze zich tot politieke partijen, en zo werkte die Iraanse invloed steeds verder door in de Iraakse politiek. Sistani wil dat de milities politiek neutraal blijven en worden opgenomen in het Iraakse leger, en biedt zo belangrijk tegenwicht aan Iran.

Ook weet Sistani impulsieve Iraakse politici in het gareel te houden. Toen Moqtada al-Sadr eind augustus zijn aanhang de Groene Zone in Bagdad liet bestormen, was het de 92-jarige grootayatollah die hem terugfloot, concludeert persbureau Reuters op basis van anonieme Iraakse regeringsbronnen.

Zowel Hamidi als Hakim bevestigen die lezing. Volgens de geestelijken stuurde Sistani via via een bericht aan Sadr waarin hij waarschuwde dat hij hem publiekelijk zou veroordelen als het geweld niet zou stoppen. Om die vernedering te voorkomen, zou Sadr hebben ingebonden. „Sistani bewaakt altijd de vrede”, zegt Hamidi. „Wanneer er Iraaks bloed op het spel staat, grijpt hij in.”

Maar wat als de 92-jarige Sistani er straks niet meer is? De verkiezing van zijn opvolger verloopt niet volgens een vast protocol en kan maanden duren. Daarbij is een veel genoemde kandidaat, de Afghaanse marja Muhammad al-Fayadh, 92 jaar oud en geniet hij bij lange na niet het aanzien van Sistani.

De geestelijken in Najaf vrezen dat Iran daar gebruik van zal maken. Als het erin slaagt Sistani’s opvolging te beïnvloeden, of zelfs een kandidaat naar voren weet te schuiven die de doctrine van velayat-e faqih onderschrijft, zal dit Najafs vrijzinnigheid bedreigen. Bovendien zullen de machtige milities van de Volksmobilisatie-eenheden dan nog meer onder Iraanse invloed komen te staan.

„We zijn bang, heel erg bang”, zegt Hamidi in zijn moskee in Najaf. „Als Sistani sterft, is de vrede in Irak in gevaar.”