Recensie

Recensie

‘Lourdes aan de Maas’: over de onvoorwaardelijke clubliefde voor Feyenoord

Lourdes aan de Maas Michel van Egmond schrijft geestig over ‘zijn’ Feyenoord waar ruzies stoppen op een uitvaart maar de volgende dag alweer oplaaien.

Feyenoord-supporters vieren in 2017 het kampioenschap op de Coolsingel in Rotterdam.
Feyenoord-supporters vieren in 2017 het kampioenschap op de Coolsingel in Rotterdam. Foto Jerry Lampen / ANP

„Feyenoord-supporter ben je niet voor je lol”, luidt de belegen maar nog veel geciteerde uitspraak van Gerard Cox. Zoals een andere, anonieme fan nauwelijks was uitgejuicht na de 3-1, of de 3-2 was al in de maak. „Godver, je kunt hier ook nooit eens even stilzitten”, wordt hij geciteerd in het geestige boek Lourdes aan de Maas van de Feyenoord-watchers Michel van Egmond en Martijn Krabbendam.

De titel is even veelzeggend als de twee citaten. Een wedstrijd van de club van rood en wit is als een bezoek aan de tandarts: hopen dat het meevalt. En de Kuip is een veredeld Lourdes, een bedevaartsoord. Nergens in Nederland wordt het voetbal zo intens beleefd als in het vervallen maar sfeervolle stadion ‘op Zuid’.

Nergens ook worden de supporters samengebald in de geuzentitel ‘Het Legioen’. De eerste keer dat het begrip werd gebezigd, zo leren we in het boek, was in 1963 bij een beslissingsduel in Antwerpen. Zo’n 40.000 Feyenoordfans waren van de ene naar de andere havenstad gereisd. In hetzelfde jaar volgde de boottocht met De Groote Beer en De Waterman naar Benfica in Lissabon.

Baby eerst aangemeld als lid

In voor- en tegenspoed staat Het Legioen achter de ploeg. Daarin onderscheidt de Feyenoord-fan zich bijvoorbeeld van de Ajax-fan. Supporters stellen hun huwelijksreis uit voor een Europa Cup-duel, plannen hun kampeervakantie op de Veluwe pal naast Feyenoords trainingskamp in Ermelo. En een pasgeboren baby wordt eerst aangemeld als lid, pas daarna bij de burgerlijke stand.

De invloed van Het Legioen reikt tot in de bestuurskamer. Vorig seizoen nog vluchtte directeur Mark Koevermans na diverse bedreigingen aan zijn privéadres. De discussie over een nieuw stadion werd – los van de geldproblemen – beïnvloed door dreigende supporters die de Kuip koesteren.

Hoofdauteur Van Egmond – hij laat co-auteur Krabbendam in interviewvorm aan het woord – vertelt in zijn boek ook het levensverhaal van Fred Blankemeijer, alias Mister Feyenoord, die in 2010 overleed. De reusachtige ‘Ome Fred’, van speler tot bestuurslid tot perschef tot manusje-van-alles, maakte in bijna 70 jaar in totaal 38 trainers mee. De oer-Rotterdammer had een hekel aan het clublied Hand in Hand Kameraden, dat hem aan nazi-Duitsland deed denken.

Mooi zijn de observaties over cultheld József Kiprich, een weinig atletische en nog minder charismatische Hongaar die Feyenoord in 1993 aan de landstitel hielp. Van Egmond bij Jinek vorige week: „Hij leek meer op een glazenwasser dan op een voetballer.” Blankemeijer: „Als je hem dood schiet, is hij nog te lui om te gaan liggen.”

Toen Het Legioen een inzamelingsactie begon om de op Cyprus schijnbaar ongelukkig Kiprich terug naar Rotterdam te halen, schamperde Blankemeijer: „Ik heb veel meegemaakt, maar een collecte voor een miljonair is nieuw voor me.” De transfer van de ‘verloren zoon’ ging overigens niet door.

Blankemeijer zwijgt in zijn gesprekken met Van Egmond over zijn rol bij het aannemen van drugsgeld voor de club. Na zijn dood was zijn weduwe Joke openhartiger over deze keerzijde van zijn onvoorwaardelijke clubliefde. „Fred verdiende zelf geen stuiver maar voor Feyenoord deed hij alles. Moest ik op de uitkijk staan of niemand hem betrapte.”

Niet nieuw, wel opmerkelijk zijn de notities over dopegebruik bij Feyenoord in de jaren 70 en 80. De weduwe van de (opgefokte) verdediger Theo Laseroms over het medisch handelen van clubarts Max Abarbanel: „De spelersvrouwen kregen ook pilletjes. Stonden we ’s nachts keukenkastjes uit te soppen.” Spits Jan Peters (niet de gelijknamige AZ-speler) snoepte ook uit de pot. „Na een wedstrijd liep ik in een disco nog salto’s te maken. Nooit ergens last van gehad, behalve dat ik niet kon slapen.”

Over het huidige Feyenoord is Van Egmond – drie keer winnaar van de NS Publieksprijs voor zijn boeken Gijp, Kieft en Derksen – positief. De afgelopen veertien maanden onder trainer Arne Slot noemt hij een transitieperiode. Feyenoord speelt mooi, technisch voetbal. Het cliché dat Het Legioen vooral opgestroopte mouwen wil zien, klopt niet, wist Blankemeijer al. „Feyenoord speelde na de oorlog al schuifie-schuifie-voetbal.”

Buiten het veld zal het nooit rustig worden, voorspellen de auteurs. De club is organisatorisch te veel verdeeld: profclub, amateurtak, Stadion NV. En binnen de profclub hakketakken directie, commissarissen en de zogenaamde Vrienden van Feyenoord (rijke Rotterdammers met een rood-wit hart) om geld, invloed en aandacht.

Alleen rond begrafenissen van club-iconen als Coen Moulijn en Wim Jansen en de Ghanese publiekslieveling Christian Gyan wordt de strijdbijl begraven. Maar een dag later vechten ze elkaar weer de tent uit. In de woorden van Michel van Egmond, meester van de beeldspraak: „Zodra de kist ter aarde is, kruipt iedereen weer uit de loopgraven.”