Opinie

Is de kastanje wel genoeg bezongen?

Marjoleine de Vos

De kastanje ligt te glanzen op het grint van een plein en ik kan het niet laten, ik raap hem op. Die levende glans van zijn hout, de zachte fluwelige plek in het midden. Ik ruik eraan, hoewel iedereen weet dat kastanjes geen geur hebben. Maar ik weet dat ze die wél hebben want dat staat in het gedicht dat nu in mijn hoofd opklinkt: ‘hij ruikt zo goddelijk licht en ruist van het begin’.

Dat laatste hebben we net nog, maar in veel prozaïscher woorden, tegen elkaar gezegd: dat het toch een wonder is dat uit zo’n houten bolletje weer zo’n hele enorme kastanjeboom kan groeien. We wezen elkaar op opschot naast een afgezaagde stronk.

Deze kastanje, dit plein, ze zijn als het ware aan het licht gebracht door een paar dichtregels

Maar nu ik ruik aan de kastanje denk ik het anders, niet zo tuiniersachtig. Ik denk ‘goddelijk licht’ en ‘ruist van het begin’. Ik zou niet eens aan die kastanje geroken hebben als Tom van Deel zich nooit in een gedicht zou hebben afgevraagd ‘Is de kastanje wel genoeg bezongen?’

Goeie vraag. Vond ik destijds toen ik zo’n dertig jaar geleden het gedicht voor het eerst las, een niet zo aantrekkelijke vraag omdat die al direct in de eerste regel verwees naar het feit dat dit een gedicht was en ik hield toen niet zo van gedichten die wisten dat ze een gedicht waren. Dat is wel veranderd in de loop der jaren.

Hoe dan ook, nu vind ik het een goede en zangerige eerste regel, grappig ook wel, en voor altijd weet ik dat je aan een kastanje kunt ruiken en dat je dan, inderdaad, een heel lichte geur waarneemt. Een jonge geur. Korte tijd maar – na een poosje is alles verdoft.

Deze kastanje, dit plein, een groot, parkachtig plein bij de universiteit van Nancy op een lichtgrijze dag, ze zijn als het ware aan het licht gebracht door die paar dichtregels. Een ongelooflijk vermogen is dat toch van gedichten, dat ze je ervaring zo enorm kunnen uitbreiden.

Het is niet zo dat er al een ervaring was voor je het gedicht las, niet zo dat een gedicht altijd maar een herkenning is. Misschien was er wel een indruk maar dan nog zo ongevormd dat de ervaring er bijkans níet was. Pas door woorden, of door een geschreven of anderszins gevormd beeld, of zelfs door zoiets abstracts als muziek, kun je bij je houden wat je ervaren hebt.

Ik zou zonder het gedicht die kastanje waarschijnlijk ook wel hebben opgeraapt, en er even over gewreven hebben, en misschien had ik nog machteloos ‘mooi hè’ gezegd, maar dat was dan dat. Dan waren het plein en de kastanje direct weer in de mist van het half-ervaren verdwenen.

Het zit nogal verwonderlijk met die gedichten. Soms, als je erin slaagt om een beeld uit het verleden op te roepen, wat maar heel zelden écht lukt, heb je een gevoel dat zich op geen enkele manier uit laat drukken of beschrijven. En op een dag lees je een gedicht en daar staat iets wat heel wat anders is, maar waarin die ervaring toch gevangen wordt – of een andere die je al evenmin ooit had kunnen grijpen. Je weet niet eens of wat je ervoer, echt is wat hier te lezen staat, maar wat er te lezen staat, zoveel is zeker, is wél wat je ervoer. „jaren zocht ik het/ zo nergens dat het zich hier vinden laat” schreef de dichter Erik Menkveld eens, en dat is misschien precies wat een gedicht doet. Je zocht nergens naar, maar je vindt die kastanje op een plein in Nancy en het hele leven, einde en begin, opent zich in de goddelijk lichte geur die je zonder woorden nooit geroken hebt.