Mariëtte van der Voet : „De helft van de Nederlanders beweegt onvoldoende.”

Annabel Oosteweeghel

Interview

Haar zoon werd ernstig ziek, en toen zag de directeur van de Sportraad pas echt hoe weinig aandacht er is voor beweging

Mariëtte van der Voet Mariëtte van der Voet neemt afscheid als secretaris-directeur van de Nederlandse Sportraad. Toen haar zoon Pim ernstig ziek werd liet het ziekenhuis hem nauwelijks sporten. „Het systeem dat we met elkaar hebben gecreëerd voorkomt vaak dat er wordt bewogen en gesport.”

Ze kijken samen voetbal. Mariëtte van der Voet, haar zoons Pim en Sam, dochter Eva en ex-man Geert-Jan. Het is 15 mei 2019, de laatste dag van de Eredivisie dat jaar. Ze zitten op de kamer van Pim, zijn bank is naar de televisie gedraaid. Ruim een jaar daarvoor is bij Pim leukemie gevonden. Behandelingen zijn niet aangeslagen. Hij is steeds verder achteruit gegaan. Lopen kan niet meer, hij ziet slecht, hij heeft besloten zijn leven te beëindigen. Toch wil hij nog voetbal kijken, samen met zijn gezin. Zien dat Ajax kampioen wordt, en ADO Den Haag – de club uit zijn stad – met 6-2 wint van Willem II.

„Door wat wij samen hebben doorgemaakt realiseer ik me dat sport dus zó belangrijk kan zijn voor mensen. En hoe vreemd het is dat sport en bewegen in onze samenleving zo vaak geen hoofdrol krijgen”, zegt Van der Voet, die deze maand afscheid nam als secretaris-directeur van de Nederlandse Sportraad, een belangrijke adviseur van het kabinet.

Na het overlijden van Pim schreef Van der Voet een aangrijpend boek over het ziekteproces van haar zoon. Superbro, naar de bijnaam die Pims zusje hem gaf tijdens de ziekte. Het gaat over de diagnose („Ik wil blijven slapen. Ik weet niet hoe Pim zal reageren als het besef er wél is”), de fysieke en mentale gevolgen van de zware behandelingen („Hij is in de overlevingsstand. Er is geen echt contact mogelijk. Als hij met je praat, komt zijn stem van ver”), de band tussen moeder en zoon („Ik scheer Pims laatste haar af met de tondeuse en mijn zoon buigt verslagen het hoofd”) en verhult niets, tot aan het half opgedronken glas chocolademelk dat op Pims slaapkamer achterblijft nadat hij op 16 mei 2019 euthanasie krijgt.

22 kilo verloren

In het boek wordt ook al duidelijk hoe belangrijk sport voor Pim was. Met vrienden ging hij vaak naar de sportschool, hij hield van zijn brede schouders en flinke borstkas. Die waren nadat zijn behandeling begon vrij snel verdwenen, maar dat hij zo fit was hielp hem ook om heftige chemokuren en een stamceltransplantatie te verdragen. Zelfs tussen de chemokuren door ging hij naar de sportschool. Als enige mocht hij van het personeel een petje op, om zijn kale hoofd te verbergen. Sport hielp hem zijn impulsieve karakter en driftaanvallen onder controle te krijgen, als die hem – zeker in de puberteit – in de problemen brachten.

Beweging hád hem ook kunnen helpen tijdens zijn ziekteproces, maar het ziekenhuis bleek daar niet voor open te staan. Terwijl Pim wilde sporten, waren daar eigenlijk helemaal geen mogelijkheden voor. Hij verloor 22 kilo in een week en alle spiermassa die hij jarenlang zorgvuldig opbouwde. Zelfs dagelijkse beweging werd door de artsen uit zijn leven gebannen. In het ziekenhuis leek de gedachte: je ligt hier, meer niet.

Toen Mariëtte van der Voet een keer met haar zoon ging wandelen kreeg ze zelfs een uitbrander van het personeel. Het was aan de welwillendheid van één fysiotherapeute te danken dat Pim soms mocht sporten in een zaaltje met wat fitnessapparaten die voor fysiotherapie werden gebruikt. Een creatieve oplossing in feite, want de fysiotherapeute hield hem in de gaten terwijl ze andere patiënten (die dat vergoed kregen van de zorgverzekering) aan het behandelen was.

In haar boek speelt deze discussie geen hoofdrol, maar toen Van der Voet een tijd na het overlijden van Pim werd gevraagd om een praatje te houden voor zorgbestuurders, wilde ze er meer over kunnen vertellen. Ze had veel vragen. Ging dit in elk ziekenhuis zo? Hadden andere ziekenhuizen wél oog voor het belang van beweging?

Lees ook: een reportage over Nabil Azarkan, een buurtsportcoach in Utrecht die arme kinderen aan het bewegen wil krijgen

Ook de Nederlandse Sportraad vond het een belangrijk onderwerp en zo werd besloten dat Van der Voet er samen met een collega onderzoek naar zou doen. Ze namen daarvoor interviews af met ziekenhuismedewerkers in het hele land.

De resultaten van dat onderzoek moeten nog uitkomen. Maar bij haar afscheid van de Nederlandse Sportraad schreef ze er uitgebreid over in een afscheidscolumn. De voorlopige conclusies stemmen niet vrolijk. Wat Pim meemaakte, kan in de meeste ziekenhuizen gebeuren. Erger nog, zegt Van der Voet: hun ervaringen in de zorg zijn tekenend voor de manier waarop de samenleving naar sport kijkt.

Hoe heeft Pims ziekte uw kijk op sport veranderd?

„Ik was er al veel mee bezig bij de Sportraad natuurlijk en ik heb mijn kinderen ook altijd overal mee naartoe genomen. Beachvolleybal, tennis… als er ergens een tribune was, wilde ik er naartoe. Ik wist dus hoe leuk het was, maar dat het ook zo belangrijk is realiseerde ik me toen pas.”

Hoe merkte u dat?

„Sport was voor Pim een middel om er steeds weer bovenop te komen na een zware periode van behandelingen. Als hij weer naar de sportschool ging, dan wist ik (ze klikt met haar vingers): we zitten weer in de lift. De periodes dat hij fysiek niks kon waren voor hem verschrikkelijk. Op het laatst raakte hij verlamd. Zijn broer Sam is wat meer intellectueel ingesteld. Hij zei: mam, ik had misschien in een rolstoel nog wel willen leven, want ik hou ook van boeken lezen en dat soort dingen. Maar voor Pim was dat niet zo. Toen hij in de gaten kreeg dat hij niet meer zou kunnen lopen, was het klaar. Dat was voor hem de scheidslijn tussen leven en dood.”

„Sport verbond hem ook met anderen. Hij had vrienden in de sportschool en op de voetbalclub, keek vaak naar sport met weer een andere vriendengroep. Ook dat zag ik tijdens zijn ziekte: wat een lichtpuntje het kan zijn om nog Studio Sport te kunnen kijken, om je nog ergens op te kunnen verheugen. Zoals die laatste dag op zijn kamer met ons gezin. Het was ook extreem zo met de Champions League, toen Ajax in 2019 in de halve finale kwam en door Tottenham Hotspur werd uitgeschakeld. Als ze de finale hadden gehaald, dan zou Pim de datum van zijn euthanasie hebben uitgesteld. Dan was hij twee weken later overleden. Dat je niet dood wil voordat je weet hoe het afloopt…wauw.”

Toch verdween sport uit zijn leven toen hij in het ziekenhuis kwam.

„Om te beginnen dacht Pim: waarom moet ik de hele tijd in bed liggen? Hij had alleen spijkerbroeken bij zich bij zijn eerste ziekenhuisopname in 2018. Dat ligt natuurlijk niet lekker. Maar het gaat allemaal om het bed. Terwijl je in het begin nog helemaal niet zo ziek bent. Waarom moet je dan gaan liggen? Hij vroeg al vrij snel of er een hometrainer was of iets dergelijks. Niet dus. We hadden geluk dat die ene fysiotherapeute een onderhandse afspraak wilde maken, waardoor hij kon sporten als hij fit genoeg was.”

Waarom werd het tegengehouden?

„Dat ben ik me later ook gaan afvragen. Toen bleek dat fysiotherapie niet is meeverzekerd bij de behandeling van leukemie. Het is namelijk nooit bewezen dat een leukemiepatiënt baat heeft bij beweging, dus er is geen geld van de zorgverzekeraars beschikbaar. Dat zit in het systeem, terwijl het voor Pims welzijn juist heel belangrijk was. Sport hoorde bij wie hij was. Dat werd hem afgenomen. Dat speelt in alle ziekenhuizen, bleek uit ons onderzoek. Je moet overal het geluk hebben dat iemand het onofficieel voor je regelt.”

Lees ook: lichten uit en niet douchen: hoe de energiecrisis sportclubs raakt

Gaat het om geld of is het ook een cultuurkwestie?

„Allebei. Als patiënt lig je bijvoorbeeld veel uren op een dag te wachten op de behandelend arts. Je weet nooit wanneer die langskomt, terwijl je natuurlijk wil weten hoe je eigen behandeling verloopt. Veel mensen durven niet van de kamer, uit angst om de dokter te missen. Nou, als iéts makkelijk op te lossen is, is het dit wel. Laat even je telefoonnummer achter en de arts kan toch bellen? Angst is er sowieso veel. Dat wij niet mochten wandelen had daarmee te maken. Er was letterlijk een gele lijn om het ziekenhuis waar je als patiënt niet overheen mocht. Stel dat Pim daar was omgevallen… heel krampachtig allemaal, ook uit angst voor schadeclaims, denk ik.”

Gaat het ook weleens goed?

„We zijn in ons onderzoek op zoek gegaan naar goede voorbeelden. Dan stuit je op eenlingen die tegen de stroom in volhielden, de gekken die sport tóch mogelijk hebben gemaakt door geld te regelen uit allerlei potjes of het bestuur aan het hoofd hebben gezeurd om iets te regelen. In het OLVG in Amsterdam hield bijvoorbeeld een verpleegkundige enorm van sporten en heeft ze een sportzaal ingericht voor oncologie- en hematologiepatiënten. Het Máxima kinderziekenhuis in Utrecht, voor jonge kankerpatiënten, heeft een geweldige inrichting. Daar gaat het leven door. Kinderen gaan naar school, kunnen bewegen in de speeltuin. Voor kinderen kan het vaak wel. Maar Pim was achttien-plus, voor hem was er niets.”

Waarom wilde u na zijn overlijden juist dit onderzoek doen, terwijl het u steeds herinnert aan Pim?

„Hij is er niet meer, maar ik kan nog wel mensen zoals hij helpen. Ik wil mensen wakker schudden. Pim is helaas geen uniek voorbeeld. Sport is een sluitstuk in de zorg, maar in het onderwijs wordt er weinig gymles gegeven, bij gemeenten wordt te weinig nagedacht over beweging bij het aanleggen van openbare ruimte. Het systeem dat we met elkaar hebben gecreëerd voorkomt vaak dat er wordt bewogen en gesport.”

Hoe komt dat volgens u?

„Sport is van oudsher een eigen keuze, een hobby die mensen zelf organiseren. Zo hebben overheden er ook altijd naar gekeken, daardoor hebben ze het nooit officieel geregeld. Maar langzamerhand weten we hoe belangrijk sport en bewegen is. Je wordt er gezonder van – niet voor niks hebben we beweegrichtlijnen voor minimale inspanning per dag. Toch moet de gemeenten nog altijd wettelijk een bibliotheek aanbieden aan inwoners, maar als het zwembad dichtgaat – actueel met de stijgende energieprijzen – hebben burgers geen poot om op te staan. Dat is een chronisch gebrek in de samenleving.”

Wat hoopt u achter te laten bij de Nederlandse Sportraad?

„De Sportraad heeft in 2020 een advies gegeven aan het kabinet waarin staat dat sport erkend moet worden als publieke voorziening. Bijna de helft van de Nederlanders beweegt onvoldoende. Dat is slecht voor de gezondheid – met corona hebben we dat heel duidelijk gezien, want mensen die sporten zijn weerbaarder. De overheid moet dat erkennen en sport en beweging faciliteren, daar hoop ik een steentje aan bijgedragen te hebben. In feite gaat mijn verhaal, over Pim, daar ook over. Het laat ook zien dat we nog een lange weg te gaan hebben. Maar ik denk dat het onontkoombaar is om sport een centrale rol te geven in ons land. De waarde en betekenis van sport en bewegen zijn zó groot. Daar kan niemand meer omheen.”