In deze voedselbank hoeft niemand te weten waarom je er komt

Voedselhulp In Almere runt Millicent Schepman een ander soort voedselbank. „We maken ons een beetje zorgen, kom je snel weer?”

Oprichter Millicent Schepman van Stichting Buitengewoon vult boodschappentassen met voedseloverschotten.
Oprichter Millicent Schepman van Stichting Buitengewoon vult boodschappentassen met voedseloverschotten.

‘Hé lieverd, kom je straks je tas halen of gaat het niet goed? Kun je wel eten wat we erin stoppen?” Millicent Schepman is net aangekomen bij kinderopvang Ikky in Almere Buiten. Vier vrijwilligers hebben zo’n vijftig kratjes al half gevuld. In het ene een overmaatse courgette, margarine en boterhamworst, in een ander krat een maaltijdpakket, Heks’nkaas en bloedworst. Dat vullen ze straks nog aan met wat nu nog wordt opgehaald. Er zijn kratjes ‘groot gezin’, ‘gezin 4 personen’ en kleine kratjes voor één of twee personen. Een groot deel halal. Schepman kijkt welke namen er vandaag op de lijst staan en heeft er één uitgepikt. „We maken ons een beetje zorgen, kom je snel weer?”

Twee keer per week deelt de stichting Almere Buitengewoon, bij deze kinderopvanglocatie en vanuit een buurtkamer in Almere Haven van woningcorporatie Ymere, tassen met verse voedseloverschotten uit aan circa honderd gezinnen die moeilijk rondkomen. Het eten komt van supermarkten en winkels, maar ook van tuinders en akkerbouwers uit Flevoland, die met hun te kleine appeltjes of te grote courgettes nergens naartoe kunnen. Uit Oosterwold, een wijk waar bewoners zelf veel voedsel telen, komt deze ochtend iemand met de moestuinoogst. „Je moet de stad toch wat teruggeven”, zegt de Oosterwolder.

Vijf jaar geleden begon Millicent Schepman (52) met het eerste vrachtje aardappelen, rode biet en postelein dat ze had opgehaald bij boeren uit de buurt. Vanuit de simpele gedachte: aan de ene kant is er te veel, aan de andere kant te weinig. In Flevoland barst het van de verse groenten. Tegelijkertijd telt Almere 12.000 huishoudens rond het sociaal minimum, met vaak een tekort aan gezond, vers voedsel.

Het begon met maaltijden. Maar waar mensen samen eten, zag Schepman, worden al snel recepten uitgewisseld. En zelf koken maakt zelfredzaam. Daarom krijgen ‘cliënten’ nu een voedseltas, zodat ze zelf kunnen beslissen of ze van aardappelen en boontjes roti of stamppot maken.

Lees ook: Voedselbanken kampen met krimpende voorraden..

Het eerste jaar kreeg Schepman als projectleider betaald met subsidie van de gemeente. Maar sinds de zomer van 2018 is Buitengewoon een stichting met nul betaalde krachten, 35 vrijwilligers en tientallen donateurs en sponsoren. Ze had kunnen aansluiten bij andere voedselbanken in Almere. Maar Schepman wil het ánders. Geen lange distributieketens waarin voedsel (te) lang onderweg is, geen voorraden, geen winkeltje. Zoveel mogelijk ophalen en uitdelen op dezelfde dag. Wie een tas wil, betaalt daar 2 euro voor. Want: „Voedsel heeft waarde.”

‘Eettafel’-gasten in de Volkskantine eten voor zes euro drie gangen.
Foto Bram Petraeus
Mildrid Rack (l.) met een vrijwilliger in de keuken van de Volkskantine.
Yvonne Wanrooij met een volle boodschappentas.
Foto Bram Petraeus

Bovenal wil Schepman geen drempels voor gezond eten. Als hulpverleners in de wijk zien dat gezinnen het zwaar hebben, bellen ze Schepman. Nieuwe ‘cliënten’ hoeven geen bankafschriften te overleggen. „Hun verhaal blijft bij mij. Niemand hoeft te weten waarom je hier komt.”

Op deze donderdagochtend in september staan al voor 10 uur de eerste mensen voor de deur te wachten. Ali Barke, een muzikant uit Syrië, die van 120 euro per week een gezin met vier puberzoons te eten moet geven. En een moeder met een baby en een dochter van zeven met een budget van 50 euro per week. „Ik kan de eindjes net aan elkaar knopen, maar m’n boodschappenmandje wordt steeds leger. Ze zeggen dat je kinderen eerst hartig beleg op brood moet geven. Ik geef meestal hagelslag, want dat is goedkoper. Vleeswaren of kaas koop ik nooit.”

Alleen al daarom betaalt ze graag 2 euro voor een voedseltas. Als er een pakje kipfilet in zit, heeft ze het er alweer uit. Al loopt ze nu wel zes weken achter met betalen. „Mijn naam hoeft niet in de krant. Zo leuk is het niet om te zeggen dat je hier komt.”

Yvonne Wanrooij (41) gaat nog eens extra rechtop staan als ze haar naam spelt. Ze schaamt zich niet, zegt ze. „Ik ben blij dat ik hier terechtkan. En ik heb hier ook niet om gevraagd.” Tien jaar geleden kreeg ze een hersenbloeding, reïntegratie mislukte. Wanrooij wil niet naar de Voedselbank. „Daar moet je je hele hebben en houwen op tafel leggen. En als je net te veel geld hebt, gooien ze je er weer uit.”

In haar eenpersoonskrat zit vandaag ham, worst, yoghurt, paprika, cordon bleu, aardappels, appels, bosui. Ze hevelt de inhoud van het kratje over in haar boodschappentas. „Ook melk! Die was nét op. En Heks’nkaas, dat alleen al kost bijna 3 euro.” Ze is niet de enige die van veel producten tot op de cent nauwkeurig weet hoeveel duurder ze zijn geworden. „Een tube mayonaise is van 50 cent naar 1,05 euro gegaan. Ik doe nooit meer een impulsaankoop, je wordt je zo bewust van alles.”

Op de prijzen letten, doet iedereen hier. Op het plein voor de bso bespreken mensen met elkaar welke supermarkten afgeschreven spullen weggeven, hoe laat er waar wordt afgeprijsd en waar de kortingsacties zijn. Ze fietsen soms langs drie supermarkten per dag voor de aanbiedingen.

Het omgekeerde ziet Millicent Schepman ook: „Aan het begin van de maand, als er even geld is, gaan ze naar McDonald’s en kopen ze een Staatslot. Lang niet iedereen natuurlijk. Maar wat bekend is van mensen met fulltime financiële shit: je kunt door de stress alleen nog maar kortetermijnbeslissingen nemen.”

De regels van Buitengewoon zijn duidelijk: cliënten mogen 52 weken een tas halen, daarna moeten ze de boel weer op de rit hebben en plaatsmaken voor mensen op de wachtlijst. De hulp is tijdelijk. In principe. Want als je hoort hoe lang veel mensen hier al komen – 15 maanden, anderhalf jaar – weet je ook: armoede is zelden tijdelijk.

En het is niet iets dat de laatste tijd opspeelt, door inflatie en stijgende energieprijzen. Tijdens de eerste coronalockdown zag Schepman ook al een toename van het aantal aanmeldingen. „Laatst was in het nieuws dat kinderen in Rotterdam met honger naar school gaan. Dat gebeurt hier ook. Het verbaast me eerder dat ik niet méér aanmeldingen krijg.”

Het gaat haar om de kinderen, zegt Schepman, die veel gezinnen ziet met drie, vier, vijf kinderen. Haar punt: als ze niet goed eten, kunnen ze zich niet concentreren, blijven ze achter op school en zullen ze nooit ontsnappen aan de situatie van hun ouders. Investeren in gezonde voeding bespaart de hele samenleving geld. Schepman heeft haar verhaal al zo vaak verteld dat ze soms in stopwoorden praat: „Armoede. Overerfbaar. Stoppen.”

Dat sommige Almeerders al zo lang bij Buitengewoon komen voor een voedseltas, heeft ook voordelen. Ze leren elkaar kennen, brengen elkaar een tas als iemand niet kan komen, of draaien mee als vrijwilliger. De grens tussen helpen en geholpen worden, tussen geven en nemen, wordt dunner.

Op het tweede uitgiftepunt, in Almere Haven, komt op de valreep José binnen voor een tas. Vanochtend moest ze naar haar man in het ziekenhuis, maar ze helpt soms ook als vrijwilliger bij Buitengewoon. En dan zit ze nog in een andere groep die verzorgingsproducten inzamelt. „Als je dát ziet; mensen die naar azijn stinken omdat ze geen shampoo hebben om hun haar te wassen, die oude kranten gebruiken in plaats van wc-papier.”

Lees ook: Voor bewoners van de L-flat wordt het allemaal te duur.

Bami met kipkluifjes

„Mag ik even jullie aandacht? Deze maaltijd is gemaakt van extra overschotten, die gaat dus niet ten koste van jullie tassen.” Millicent Schepman verwelkomt een gezelschap van ongeveer twintig mensen bij de Volkskantine, een klein restaurantje in Almere Centrum, tegenover fastfoodketen KFC. Na het uitdelen van de tassen is ze vanmiddag met een bestelauto vol eten naar ‘tante Mildrid’ gereden, een Surinaamse oud-verpleegkundige (75). Mildrid Rack is gewend voor grote groepen te koken. Ze bracht elf pleegkinderen groot en kookt nog steeds geregeld voor tweehonderd kinderen op een kinderdagverblijf. Vandaag maakt ze saotosoep en bami met kipkluifjes en groente.

Deze donderdag organiseert Schepman hier voor de derde keer na de lockdowns een ‘eettafel’. Er zijn een paar mensen die vanochtend al een tas ophaalden. Ali Barke heeft behalve zijn vrienden zijn tanbur meegenomen, een soort gitaar. Maar ook Schepmans kinderen zijn er, twee mensen van sponsor Rabobank en een paar toevallige voorbijgangers. Gasten betalen 6 euro voor twee of drie gangen, of meer als ze het dat waard vinden. Maar ook weleens minder, als Schepman weet dat 6 euro al te veel is.

Constant Schoers (47) en Rob van Garderen (56) zitten breeduit tegen de muur, met zicht over het hele gezelschap. Hoe ze hier zijn terechtgekomen? Het lange verhaal: schulden, arbeidsongeschiktheid en iets met de reclassering. Het korte verhaal: met de scootmobiel. „Niet in optocht, maar naast elkaar, zodat niemand er meer langs kon.” Schoers lacht.

Via de bewindvoerder die zijn financiën heeft overgenomen krijgt hij 60 euro per week. Daar moet hij alles van doen. „Maar nu met die energieprijzen ben ik er blij mee, want die rekeningen zie ik niet. Ik weet wat ik heb en dat geeft rust.”

Ook hij merkt dat hij voor hetzelfde geld minder boodschappen krijgt. En kennissen die nog lang de schijn ophielden, komt hij nu ook bij de Lidl tegen. „Iedereen krijgt nu klappen.” Naast hem suggereert de buurman dat ‘ze’ om te beginnen de grenzen eens dicht moeten gooien. Schoers snapt het wel, zegt hij, dat mensen naar een land willen waar het beter is. Zou hij ook doen. Als Ali Barke weer begint te spelen, zegt hij: „Je doet je ogen dicht en je bent op vakantie.” Intussen eet Van Garderen met smaak zijn bami op. „Straks even vragen hoe ze dat zuur maakt.”