Mama Betty, één van de overlevenden van de Bijlmerramp, dertig jaar geleden.

Foto Aurelien Goubau

Interview

Dertig jaar na de Bijlmerramp: ‘Als ik mijn ogen sluit, voel ik weer de hitte’

30 jaar na de Bijlmerramp Dertig jaar geleden boorde El Al-vlucht 1862 zich in de flats Klein-Kruitberg en Groeneveen in de Amsterdamse Bijlmer. Drie getuigen vertellen over de ramp en de nasleep: „Mensen gooiden hun kinderen in het grachtje onder de flat.”

„Ik neem aan dat het een zeer grote brand is? Over.”

„Nou, zo groot heb ik hem nog nooit gezien.”

„En nog even, wat voor vliegtuig is het, is het een Boeing? Over.”

„Dat is niet meer na te gaan. Er staan hier veertig, vijftig à zestig flats volop in de glorie. Nou, er ligt hier zoiets als een vliegtuig, dat is het. Over.”

De Bijlmerramp kostte het leven aan zeker 43 mensen, onder wie 18 kinderen. Foto ANP

Het gesprek dat een brandweerman ter plekke om 18.47 uur voert met de meldkamer, vat de shock en verbijstering op zondag 4 oktober 1992 goed samen. Een vrachtvliegtuig van de Israëlische maatschappij El Al heeft zich enkele minuten eerder door de flats Klein-Kruitberg en Groeneveen in de Amsterdamse Bijlmermeer geboord. De oorzaak van de crash, zo blijkt later, is een defect aan het ophangsysteem van een van de motoren.

De Bijlmerramp kostte het leven aan zeker 43 mensen, onder wie 18 kinderen. Dertig jaar later werkt die noodlottige avond, en de nasleep ervan, nog altijd door in vele levens. NRC interviewde drie getuigen van destijds. Wat betekent de ramp dertig jaar later nog voor hen?

Overlevende Mama Betty

‘Ik had mijn vrienden net iets te drinken ingeschonken, toen we keihard ‘boem!’ hoorden’

Mama Betty, één van de overlevenden van de Bijlmerramp, dertig jaar geleden. Foto Aurelien Goubau

Eigenlijk wilde Mama Betty op zondagavond 4 oktober melk gaan halen in het buurtwinkeltje, voor haar tweejarige dochtertje. Toen stonden er ineens twee vrienden voor de deur. „Ik zei: lang niet gezien, kom binnen!”

Mama Betty is geboren in Ghana. Ze woonde destijds een jaar of tien in de Amsterdamse Bijlmermeer, zes hoog in de flat Klein-Kruitberg. Haar echte naam is Patience Nyarko, maar iedereen noemt haar Mama Betty. Ze is nu 67 jaar oud.

„Ik had mijn vrienden net iets te drinken ingeschonken, toen we keihard ‘boem!’ hoorden. We keken elkaar aan: wat is dat? Misschien een auto-ongeluk?” Toen een van de twee vrienden de deur naar de galerij opende, werd hij door een sterke wind teruggeblazen, de woning in. „Op de galerij stond het vol met mensen. Ze gilden en ze renden naar het trappenhuis. Je hoorde alle talen door elkaar: Nederlands, Papiamento, Sranang, Ghanees.”

Mama Betty maakte haar dochter wakker. Met z’n vieren verlieten ze het appartement. Overal in het trappenhuis stond rook, ze hoorden brandweersirenes. Op de trappen liepen mensen elkaar in paniek omver. „Mijn dochtertje huilde en legde haar handen over haar oren.”

Buiten keek Mama Betty naar de vlammenzee. Was dit een film? Nee, het was echt. Op nog geen honderd meter van haar voordeur was het vliegtuig ingeslagen. Bewoners vluchtten weg van het brandende gebouw. „Mensen gooiden hun kinderen in het grachtje onder de flat. Dat was de enige manier om te weg te komen.” Na twee uur nam een bekende Mama Betty en haar dochter mee naar huis, om te slapen.

Foto Aurelien Goubau

De volgende ochtend ging ze terug naar de rampplek, waar de brandweer nog steeds aan het blussen was. In het daglicht zag ze het gat dat het vliegtuig in de flats had geslagen. „Ik dacht: is dát Klein-Kruitberg? Het enige wat ik op dat moment kon doen, was tranen vergieten. Ik heb drie of vier dagen niet gegeten.” Haar dochtertje was nog weken van streek. „Ze kon niet tegen het geluid van de metro die langskwam, of van de stofzuiger. Ze wilde niet alleen zijn. Als ik naar de wc ging, moest ik haar meenemen.” Mama Betty nam haar mee naar de huisarts. „Die zei: ze is in shock.”

Klein-Kruitberg werd na de ramp gesloopt. Haar appartement zag Mama Betty nog één keer, om wat persoonlijke spullen op te halen. De rest kon ze weggooien, vrijwel alles in haar appartement was beschadigd door de rook. Twee maanden kon ze bij haar kennis blijven logeren, totdat ze een nieuwe woning kreeg. Een huis met een tuintje, een halve kilometer verwijderd van de rampplek. Ze woont er nog steeds.

Vorige maand is Mama Betty voor het eerst gaan kijken bij het monument voor de ramp, dat er al sinds 1996 staat. „Ik ben er altijd met een boog omheen gelopen. Er is toen een angst in me gekropen die nooit helemaal is weggegaan.”

Haar dochter is nu 32 en al jaren het huis uit. Over de ramp praat ze niet graag met haar moeder. Mama Betty komt nog weleens mede-overlevenden tegen op straat. „Dan praten we over andere dingen. Ik heb geen zin om slechte herinneringen bij ze boven te halen. Let’s cheer up.”

„Maar ieder jaar als 4 oktober eraan komt, zit ik heel stil op de bank en bid ik voor de families die toen zijn getroffen. Dan denk ik aan mijn buurvrouw, die haar drie kinderen verloor. Een van haar dochters was die zondagmiddag nog bij me aan de deur, om zonnebloemolie te lenen. Dat is de laatste keer dat ik haar gezien heb.”

Buurtbewoner Henk van de Belt

‘De ramp heeft me meer levenswijsheid gegeven’

De dagen en weken na de ramp was Van de Belt, die voorzitter was van de bewonersvereniging, onafgebroken in touw. Foto Aurelien Goubau

Rond half zeven ’s avonds zat Henk van de Belt, grafisch ontwerper en Bijlmerbewoner van het eerste uur, thuis achter zijn computer. Het was een prachtige herfstdag, overdag was hij wezen zeilen op de nabijgelegen Gaasperplas.

En toen: een enorm lawaai, een dreun en een reusachtige rookpluim achter de flat. „Ik greep mijn video 8-camera en rende naar buiten”, vertelt Van de Belt (73) in zijn appartement in de flat Kikkenstein, waar hij nog altijd woont.

Van de Belt filmde wat hij zag. „Eilanden van vuur” in het gras voor zich. Parfumflesjes, afkomstig uit het ruim van het vliegtuig, die ontploften door de hitte. Het merk herinnert hij zich nog: Dakar. Van de Belt filmde het gat dat het vliegtuig in de flats geslagen had en de brandende balkons. „Anderhalve minuut. Toen was de batterij van mijn camera leeg.”

Van de Belts opnames waren de eerste beelden van de ramp die ’s avonds te zien waren in het achtuurjournaal. Plankgas was hij naar Hilversum gereden, om ze naar de NOS-redactie te brengen. „Ik heb die beelden later teruggezien op de BBC, CNN, de Duitse tv. Ze gingen de hele wereld over.”

De dagen en weken erna was Van de Belt, die voorzitter was van de bewonersvereniging, onafgebroken in touw. Hij gooide de collectieve ruimtes van de flat open, „zodat mensen konden praten over wat er was gebeurd”. Hij hing affiches op in de buurt met de tekst ‘ramptoerisme niet gewenst’. Hij zamelde spullen in voor overlevenden die alles kwijt waren geraakt, bij burgers en bedrijven. Als hij denkt aan de „golf van medeleven” die er in het land loskwam na de ramp, raakt hij dertig jaar later opnieuw geëmotioneerd. „Dat was echt hartverwarmend.”

Foto Aurelien Goubau

Hoe afschuwelijk het ook was, door de ramp is de Bijlmer wel „ontdekt door de politiek en de media”, zegt Van de Belt. „Voor die tijd was de wijk een no-go-area, een vergeten gebied. Ik spaarde positieve krantenartikelen over de buurt, dat was er precies één. Na de ramp kwamen ze hier ineens kinderseries opnemen.”

De ramp heeft Henk van de Belt nooit meer losgelaten. Hij ijverde voor een monument ter nagedachtenis aan Pa Sem, de Surinaamse gemeenschapswerker die een tienjarig kind redde uit de brandende flat. In 1993 publiceerde hij met de Werkgroep Vliegverkeer Bijlmermeer een ‘tegenonderzoek’ naar de toedracht van de ramp en de veiligheid voor omwonenden van Schiphol. „We waren een soort Bellingcat avant la lettre.” Zijn graafwerk en dat van andere burgeronderzoekers en journalisten, zegt Van de Belt, leidde mede tot de parlementaire enquête in 1999. Hij is altijd kritisch gebleven over de rol van Den Haag, Schiphol en de Rijksluchtvaartdienst in de nasleep van de ramp. „In mijn kelderbox heb ik nog vier meter archief staan.”

Of hij het als een last ervaart dat zijn leven verknoopt is geraakt met de Bijlmerramp? „Ja, maar ook als een voorrecht. Ik heb mensen kunnen helpen. Ik heb inzicht gekregen in hoe de politiek werkt, in Den Haag en in de Bijlmer. De ramp heeft me meer levenswijsheid gegeven.”

Rechercheur Joop Reder

‘Iedereen stond als aan de grond genageld. Ze wisten niet waar ze moesten beginnen’

Joop Reder, een politieagent die als een van de eerste ter plaatse was bij de Bijlmerramp. Hij is nu met pensioen. Foto Aurelien Goubau

Een vliegtuig neergestort? Op de Bijlmermeer? Joop Reder geloofde er helemaal niets van toen zijn collega hem over de telefoon vertelde waar al die sirenes vandaan kwamen. „Ik zei: ‘Je moet je eigen troep in de maling nemen.’”

Twintig minuten later stond Reder, rechercheur in Amsterdam Zuidoost, voor de brandende flats. Samen met een collega was hij als eerste rechercheur ter plekke. De ‘gewone’ politie was er al, net als de brandweer. „Iedereen stond als aan de grond genageld. Ze wisten niet waar ze moesten beginnen.” Ondertussen begon het publiek toe te stromen. „Toen heb ik tegen een paar collega’s gezegd: houd de mensen op afstand. Al schreeuwend en heen en weer lopend is dat uiteindelijk gelukt.”

Een „inferno”, zo omschrijft Reder (76) de rampplek. „Overal lagen onderdelen en brokstukken van het vliegtuig. En het was zó ontzettend heet, ik denk dat het de duizend graden benaderde.” Twee mensen zag hij van de brandende flat springen, vertelt hij achter een kop koffie thuis in Amsterdam Osdorp.

Zijn vrouw: „Daar heb je het nog vaak over.”

Na tweeënhalf, drie uur kijken op de rampplek („Als rechercheur kon je daar niets doen”) vertrok Reder naar het politiebureau op de Flierbosdreef. Daar meldden zich spontaan hele rechercheteams van elders uit de stad. „Ineens zag je wat een fantastische politiemacht we hebben in Amsterdam. Die mensen waren uit zichzelf naar de Bijlmer gekomen. ‘Zeg maar als je ons nodig hebt’, zeiden ze. ‘We zitten in de kantine.’”

Foto Aurelien Goubau

In de dagen en weken na de ramp moesten de Amsterdamse rechercheurs achterhalen hoeveel slachtoffers er gevallen waren. Een buitengewoon lastige klus, gezien de vele ongedocumenteerden die in de flats woonden. Van de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA) „klopte geen flikker”, zegt Reder. De rechercheurs verzonnen een list: ze vroegen de adressenbestanden op van postorderbedrijven als Wehkamp en Otto. „Die legden we over de GBA heen.” Ze begonnen met een lijst van meer dan 200 vermisten. „Elke dag konden we mensen afstrepen, bijvoorbeeld als iemand zich meldde bij het opvangcentrum.”

Het officiële dodental van de Bijlmerramp werd uiteindelijk vastgesteld op 43, van wie er vier in het vliegtuig zaten. „Maar als je me recht in de ogen kijk, zeg ik: in werkelijkheid waren het er veel meer. Een veelvoud van 43.” Als rechercheur had hij de flats weleens bezocht. „Je zag daar stapelbedden staan, voor de illegalen die er woonden. Die mensen zijn gewoon niet teruggevonden.”

Joop Reder werkte 38 jaar voor de Amsterdamse politie. Bij zijn pensionering in 2004 wijdde misdaadverslaggever John van den Heuvel in De Telegraaf een groot artikel aan de ‘Baantjer van de Bijlmer’. Hij is in zijn carrière bij tientallen lijkschouwingen geweest en op ontelbaar veel plaats-delicten. Maar als je hem vraagt wat in al die jaren het meeste indruk op hem gemaakt heeft, aarzelt hij geen moment. „Als ik m’n ogen sluit, dan zie ik mezelf weer lopen bij die flats. En voel ik de hitte.”

Foto’s Aurelien Goubau
Het monument op de plaats van de ramp.
Foto Aurelien Goubau
Foto Aurelien Goubau
Het monument op de plaats van de ramp.
Foto’s Aurelien Goubau