Recensie

Recensie Boeken

Een vrouw op kantoor? Dat vonden mannen oneerlijke concurrentie

Familiegeschiedenis Via haar moeders leven vertelt Suzanna Jansen het meeslepende verhaal van de strijd voor vrouwenrechten. Een heel ‘gewone’ geschiedenis, waardoor je je als lezer gaat afvragen: hoe ging dat eigenlijk bij ons thuis?

Het is een heel gewone familiegeschiedenis die Suzanna Jansen beschrijft in haar nieuwe boek De omwenteling of de eeuw van de vrouw. En juist daarom is het goed. Want het verhaal van haar moeder – over haar gaat het vooral – is het verhaal van heel veel moeders in Nederland. Daardoor vraag je je als lezer voortdurend af: hoe ging dat eigenlijk bij ons thuis?

Betsy heet ze in het boek, en ze werd geboren in 1922, het jaar waarin vrouwen voor het eerst naar de stembus gingen. Maar het boek begint met een scène op 30 maart 1981, als Betsy een wit laken aan het balkon hangt. Het is het teken dat ze die dag meedoet aan de vrouwenstaking. Aanleiding is de nieuwe abortuswet, die abortus níet uit het wetboek van strafrecht haalt en wél vijf dagen bedenktijd invoert voor vrouwen die hun zwangerschap willen laten afbreken.

Samen met haar zestienjarige dochter, de auteur van het boek, kijkt Betsy of er al lakens aan andere balkons hangen. Ze heeft die ochtend geen thee gezet en niet de tafel gedekt voor het ontbijt. Als het laken hangt, vraagt ze of haar dochter zin heeft in koffie. ‘Ze gaat het zelf maar zetten want als ze allebei staken, krijgen ze niks.’

Voordat ze trouwde had de moeder van Jansen, die met Het pauperparadijs (2016) een bestseller schreef, achtenhalf jaar administratief werk gedaan op verschillende kantoren. De rest van haar leven sprak ze erover ‘met glanzende ogen’. Toen ze trouwde was het vanzelfsprekend dat ze huisvrouw werd. Ze berustte in haar lot. Jaren later vraagt haar dochter zich af: ‘Wat wist ik eigenlijk van de weg die mijn moeder had afgelegd van een meisje volgens de mores van 1922 tot haar stellingname in 1981?’

Schrijfmachine

Aan de hand van haar moeders verhaal vertelt Jansen hoe de strijd om vrouwenrechten in de twintigste eeuw verliep, of eigenlijk begint ze al wat eerder. De schrijfmachine, uitgevonden in 1874, omschrijft ze als ‘een paard van Troje’. Tot dan werkten vrouwen niet op kantoor. Maar de schrijfmachine ‘kon je vergelijken met een naaimachine, daar kon een vrouw ook goed mee overweg. Ze had lenige vingers, er was al bewezen dat ze uitstekend kon naaien/borduren/piano spelen.’ Enter de vrouw op het kantoor.

Suzanna Jansen vertelt over de eerste feministische golf, in de decennia rond 1900, en de tweede in de jaren ‘60, ‘70 en ‘80 van de twintigste eeuw: van de suffragettes tot de Dolle Mina’s. Nu kom je die in andere boeken ook tegen, maar Jansen voegt er feiten en anekdotes aan toe die minder bekend zijn. Bijvoorbeeld dat vakbonden aan het begin van de vorige eeuw pleitten voor een verbod voor vrouwen op kantoor. Vrouwen accepteerden lagere lonen dan mannen, daarmee vormden ze oneerlijke concurrentie voor mannen, zo was de redenering. In 1921 stelde de PTT een vrouwenquotum in: niet meer dan één op de vijf medewerkers mocht vrouw zijn.

Toen Betsy op een kantoor werkte was voor sommige beroepen nog bij wet geregeld dat een vrouw werd ontslagen als ze trouwde. En dat was hoe dan ook de praktijk: een fatsoenlijk bedrijf wilde geen getrouwde vrouwen. Een collega van Betsy was wel getrouwd, maar hield dat angstvallig geheim. Haar man was ziek, ze had geen keuze. Als ze naar kantoor ging deed ze haar trouwring af en tegen collega’s zei ze dat ze nog bij haar ouders woonde.

Nog zo’n veelzeggend detail: als de bezetters van het Maagdenhuis in 1969 worden veroordeeld voor huisvredebreuk, legt de rechter een lagere boete op aan de vrouwelijke studenten onder hen. ‘Alsof je hen de wetsovertreding niet helemaal kunt aanrekenen’, schrijft Jansen, ‘of zij zich willoos hadden laten meeslepen door andere oproerkraaiers (m).’

Periodieke onthouding

De strijd voor vrouwenrechten ging te langzaam voor Betsy. Met toestemming van de pastoor deed ze met haar man Chris aan periodieke onthouding – de pil was er nog niet toen ze trouwden. Maar met vijf kinderen was ze hoe dan ook gebonden aan huis. Kinderopvang was er immers niet.

In 1963 werd het haar allemaal te veel: de zorg voor een druk gezin aan de ene kant, en het gevoel dat alle dagen, weken hetzelfde waren aan de andere kant. Ze was niet de enige. In 1955 introduceerde De Telegraaf een nieuw woord: ‘huisvrouwenvermoeidheid’. De ‘managersziekte in de keuken’ noemde de krant het.

Betsy ging acht weken naar een rusthuis voor huisvrouwen van de Katholieke Arbeidersbond. Therapie kreeg ze daar niet, daar was geen geld voor. Wel regelde de katholieke organisatie een ‘gezinsverzorgster’ die haar taken thuis overnam. ‘Met zulke hulp maakte een moeder zich minder zorgen, dan wist ze dat haar gezin niet onder haar afwezigheid zou lijden.’

Suzanna Jansen is de jongste van de vijf dochters van Betsy. Ze schrijft over zichzelf in de derde persoon . Maar soms ook schrijft ze gewoon ‘ik’, als ze de geschiedenis overdenkt. Die perspectiefwisselingen werken goed: ze herinneren je eraan dat het allemaal waargebeurd is. Hoewel, allemaal? In het begin van het boek schrijft Jansen dat ze soms in de huid van haar moeder is gekropen ‘om haar belevingswereld dichterbij te halen’.

Nu bewegen schrijvers van literaire non-fictie zich regelmatig langs of op de grens tussen ‘waargebeurd’ en ‘verbeeld’. Maar er zijn verschillen. Annejet van der Zijl bijvoorbeeld is heel streng voor zichzelf. Als zij schrijft dat het in het negentiende-eeuwse Charleston rook naar citrusbomen (zoals ze deed in Fortuna’s kinderen) dan kun je gerust aannemen dat ze daar bronnen voor heeft. „Op het moment dat ik ga inkleuren verliest het echte verhaal zijn waarde”, zei ze vorig jaar in Brommer op zee. Judith Koelemeijer is in haar recente biografie van Etty Hillesum ook heel prudent, alles wordt verantwoord in een uitgebreid notenapparaat. Roxane van Iperen daarentegen gunde zichzelf wel wat vrijheid in haar veelgeprezen ‘t Hooge Nest: met enige regelmaat ‘weet’ ze wat haar hoofdpersonen denken en voelen.

In dit boek van Suzanna Jansen stuit je af en toe op een zin of een passage waarvan je als lezer denkt: hier zijn we in het domein van de verbeelding. Een dialoog van honderd jaar geleden bijvoorbeeld. Maar je vergeeft het haar. Omdat het boek vlot geschreven is en overduidelijk wemelt van de feiten. En die ‘ik’ af en toe helpt ook: die herinnert je er aan dat de auteur veel van wat ze beschrijft zelf heeft waargenomen. Het resultaat is een meeslepend verhaal, dat uitnodigt om nog eens na te denken over gezinsverhoudingen, toen en nu. Voor vrouwen en voor mannen.

Lees ook dit interview met Suzanna Jansen: Ik schaam me dat ik het ballet heb opgegeven