Recensie

Recensie Boeken

Architect Theo van Doesburg was een opschepper en fabulant - met een enorme invloed

Biografie Theo van Doesburg was een enorme opschepper. Zo veel wordt duidelijk uit zijn lang verwachte biografie. De auteurs voelden net te veel weerzin om recht te doen aan zijn invloed.

Theo van Doesburg in de Aubette, Straatsburg 1927.
Theo van Doesburg in de Aubette, Straatsburg 1927. Foto: fotograaf onbekend/wikimedia Commons

‘Aan zijn beste vriend Antony Kok schreef hij: ‘Ik sta helemaal alleen.’ Zoals altijd in het geval van Van Doesburg was dat schromelijk overdreven.’ Zo besluiten Hans Renders en Sjoerd van Faassen Ik sta helemaal alleen, de lang verwachte biografie van de schilder, typograaf, vormgever, (interieur)architect, kunst- en architectuurcriticus, dichter, romanschrijver en hoofdredacteur van De Stijl Theo van Doesburg (1883-1931). De laatste zin, waaruit een zekere weerzin tegen Van Doesburg spreekt, is een passend slot van de biografie. In de voorgaande 581 bladzijden (exclusief noten) hebben de biografen Theo van Doesburg, pseudoniem van Emile Küpper, uitputtend afgeschilderd als de grootste snoever van de Europese avant-garde in het interbellum. Talloze uitlatingen van Van Doesburg over zichzelf en zijn werk hebben ze gefileerd en bestempeld tot overdrijvingen, opschepperijen en onwaarheden.

Alleen het vaderschap van De Stijl, de kunst- en architectuurbeweging rondom het gelijknamige tijdschrift waartoe onder meer Piet Mondriaan en architect J.J.P. Oud behoorden, ontnemen ze Van Doesburg niet helemaal. Weliswaar vinden ze zijn aanspraak op het voormanschap van De Stijl en het Nederlandse modernisme overdreven en verwijten ze hem ‘haantjesgedrag’, maar ze geven toe dat het tijdschrift De Stijl er vooral kwam ‘dankzij onafgebroken ijver van Van Doesburg, die in zijn eentje de redactie voerde.’

Persoon achter de kunstenaar

De afgelopen decennia zijn er zo veel publicaties over de kunstenaar Van Doesburg verschenen dat ‘Van Doesburg zelf een abstractum dreigde te worden’ en ‘de persoon Emile Küpper alleen maar schimmiger werd’, stellen Renders en Van Faassen aan het einde van Ik sta helemaal alleen vast. Doel van hun biografie is dan ook ‘de persoon achter de kunstenaar een gezicht te geven’.

Hierin zijn ze zonder meer geslaagd. Uitgebreid beschrijven ze hoe Emile Küpper, zoon van een Nederlandse moeder en een Duitse vader die zijn gezin verliet, een alleskunner in de kunst werd. Welke opleiding Van Doesburg heeft gehad, hebben de biografen niet kunnen achterhalen – het is niet eens zeker of hij naar school is gegaan. Wel weten ze dat hij zich al op 15-jarige leeftijd voornam om ‘een geestelijk te leven’ te leiden en begon te tekenen, schilderen, lezen en schrijven. Tien jaar later, in 1908, toen hij besloot dat zijn leven verder ‘in dienst van de kunst’ zou staan, nam hij een pseudoniem aan dat bijna de naam van Theodorus Doesburg was, de tweede man van zijn moeder.

De eerste jaren was de volledige autodidact Van Doesbrug een zoekende, tamelijk traditionele schilder en schrijver die in religieuze termen over kunst dacht. ‘De kunst is de stem van God’, vond hij, en door de ‘nauwe poort der kunst’ kon een mens tot God komen. Maar vlak voor de Eerste Wereldoorlog, die hij deels als soldaat van het gemobiliseerde Nederlandse leger in Tilburg doorbracht, verloor de Nederlands-Hervormd gedoopte Van Doesburg zijn geloof. Hij raakte in de ban van Vasili Kandinsky, de Russische pionier van de abstract-expressionistische schilderkunst, en diens esoterische boek Über das Geistige in der Kunst. Maar toen hij in 1915 het werk van Mondriaan leerde kennen, zag hij onmiddellijk in dat Kandinsky’s ‘vermicelli expressionisme’, zoals hij het later noemde, niet de juiste abstracte kunst was. Twee jaar later richtte hij het tijdschrift De Stijl op om het woord van de orthogonale Nieuwe Beelding van onder anderen Mondriaan en hemzelf in Europa te verkondigen.

Hoewel Van Doesburg verschillende buitenlandse kunstenaars voor zijn tijdschrift wist te strikken, is De Stijl nooit de internationale beweging geworden die hem voor ogen stond. Dit was vooral aan hemzelf te wijten. Vroeg of laat kreeg hij onenigheid met vrijwel alle medewerkers van De Stijl, al leidde dit zelden tot een complete breuk. Uitvoerig beschrijven de biografen hoe De Stijl door ruzies met onder anderen Oud, Mondriaan en de architecten Robert van ’t Hoff en Cornelis van Eesteren in de loop van de jaren twintig een eenmansbeweging werd die Van Doesburg deed verzuchten dat hij helemaal alleen stond.

Huwelijksbeslommeringen

De auteurs schenken eveneens veel aandacht aan Van Doesburgs drie huwelijken. Het hoofdstuk over zijn derde vrouw, de zestien jaar jongere Nelly van Moorsel voor wie hij in 1920 als een blok viel toen hij nog was getrouwd met de ‘hondstrouwe’ Lena Milius, zorgt voor een merkwaardige stijlbreuk. Terwijl alle andere hoofdstukken vol staan met citaten uit brieven, artikelen, boeken en andere geschriften van Van Doesburg en anderen, is het portret van Van Moorsel een tamelijk droge beschrijving die leunt op een Wies van Moorsels Nelly van Doesburg 1899-1975.

Keerzijde van de ruime aandacht voor de persoon Emile Küpper en zijn huwelijksbeslommeringen is dat het werk van Theo van Doesburg onderbelicht blijft. Zo krijgen de diagonale ‘contra-composities’ die hij in het midden van de jaren twintig ging maken, een summiere behandeling. Ook het fundamentele verschil van inzicht met Mondriaan over de ‘diagonaal’, die leidde tot diens terugtrekking uit De Stijl, wordt slechts aangestipt.

De worsteling van Renders en Van Faassen met de fabulant Van Doesburg staat ook vaak een adequate behandeling en interpretatie van zijn werk in de weg. Zo bestaat het hoofdstuk over de gedichten en andere literaire werken die Van Doesburg publiceerde, grotendeels uit een lange reeks weerleggingen van zijn overdrijvingen en verzinsels. Over de inhoud van zijn literaire werk komt de lezer weinig te weten, al laten de biografen tussen neus en lippen door wel weten dat bijvoorbeeld zijn dadaïstische klankgedichten weinig opzienbarend en niet bijster origineel zijn. Zijn dadaïstische collages vinden ze zelfs ‘niet serieus te nemen’.

De opschepper Van Doesburg zit ook hun beoordeling van zijn invloed op de Europese avant-garde in de weg. Weliswaar erkennen ze in het voorwoord dat Van Doesburg ‘een niet te overschatten invloed op de Europese avant-garde’ heeft gehad, maar daar is in het boek verder weinig van te merken. Als het bijvoorbeeld gaat over Van Doesburgs kruistocht tegen het Bauhaus in Weimar, kunnen ze het niet laten om te wijzen op tal van overdrijvingen van zijn aanhang op de invloedrijkste hogeschool voor kunst en vormgeving van de twintigste eeuw. Misschien was hun weerzin tegen de persoon achter de snoeverige alles-net-niet-kunner Van Doesburg tijdens het schrijven zo groot geworden, dat ze niet in staat waren om recht te doen aan zijn sleutelrol in de wending van expressionisme naar constructivisme die het Bauhaus in 1922 maakte.

Lees ook: Historische binnensteden moeten plaatsmaken voor mislukte woningcomplexen