Recensie

Recensie Muziek

Van Poucke etst Schumann met fijne naald

Klassieke muziek Nicolas van Poucke en het Intercontinental Ensemble destilleerden dinsdagmiddag Schumann en Mendelssohn tot hun essentie. Maar ondanks perfecte transparantie mis je de glorie van een orkest.

Pianist Nicolas van Poucke
Pianist Nicolas van Poucke Foto Maarten Kools

In de klassieke muziek is transparantie alles. De beste musici spinnen een weefsel waarin je elke draad los kunt onderscheiden. Zo ook dinsdag in kamermuziekzaal Hertz van het Utrechtse TivoliVredenburg. Het 9-koppige Intercontinental Ensemble en pianist Nicolas van Poucke etsten de kamermuzikale versies van het Pianoconcert van Schumann en Mendelssohns Vierde symfonie (‘Italiaanse’) met bijzonder fijne naald.

Nicolas van Poucke debuteerde op zijn dertiende in het Amsterdamse Concertgebouw. Op zijn dertigste heeft hij dus al zeventien jaar podiumervaring – en dat hoor je. Met name in het middenromantische repertoire is hij goed. Zijn opnames met werken van Brahms en Chopin noemde NRC teder en poëtisch.

Ook Van Pouckes lezing van Schumanns Pianoconcert klonk fijnzinnig en betrokken. In de oorspronkelijke bezetting, voor piano en symfonieorkest, zijn solist en orkest onlosmakelijk verbonden. „De een kan niet zonder de ander”, schreef Clara Schumann erover. Die gelijkwaardigheid bleek in deze miniatuurbezetting lastig te handhaven; Van Poucke, hoe zacht ook, domineerde het ensemble. Daardoor leek Schumanns concert soms te veel op een enthousiast begeleide solopartij.

De vier strijkers en vijf blazers van het in Amsterdam opgerichte Intercontinental Ensemble namen Mendelssohns Vierde symfonie al eerder op voor het Nederlandse boutiquelabel TRPTK, in een arrangement van hun Belgisch-Luxemburgse violist en componist Ernst Spyckerelle.

Lees ook dit portret van de familie van Nicolas van Poucke

Gekrompen orkest

Als je de opname beluistert, waan je je middenin het ensemble, en hoor je elke aanzet heel precies. In de Hertz was de tototaalklank warmer, en had daardoor ook een minder ‘analytisch’ effect op de toehoorder.

Na wat intonatieprobelemen in het eerste deel, werd in het slotdeel van Mendelssohn een ideale flow bereikt: deze ‘Saltarello’ leek wel geschapen voor de kleine bezetting. Mendelssohns typerende motiefjes, de feeërieke fluitstaccato’s bij voorbeeld, kwamen perfect naar voren.

Maar op andere momenten leek de intieme nonet-bezetting juist níet te passen bij Mendelssohns uitbundigheid. De sprankeling van het openingsdeel bleef te ingehouden en technisch, je miste de volle glorie van een symfonieorkest. De musici speelden te veel als een gekrompen orkest, niet genoeg als een uitvergroot kamerensemble.

De oorzaak moest deels gezocht worden in Spyckerelles arrangement, dat dicht bij Mendelssohns partijen blijft. Maar een kamerensemble heeft een totaal andere balans dan een symfonieorkest. Zo was de vitale bas van Jorge Hernandez steeds goed hoorbaar. Spyckerelles viool was daarentegen eerder een afsluitend krulletje op de volle houtblazerklank dan de hoofdrolspeler, ondanks geregelde dubbeling van de alt.

Bij Mendelsssohn, die de melodie geregeld aan de violen toebedeelt, was dat een probleem. Je verlangde naar een creatievere benadering.