Recensie

Recensie Beeldende kunst

Stedelijk over kritiek op Studio Drift: ‘Wij zijn er niet alleen voor moeilijke kunst’

In zijn serie ‘Wereldkunst’ stelde Hans den Hartog Jager dat designbureaus als Studio Drift en Daan Roosegaarde de beeldende kunst uithollen. Het Stedelijk Museum reageert.

DRIFT, Volkswagen Beetle 1980 (2018), uit de serie Materialism. 105x311x134 cm.
DRIFT, Volkswagen Beetle 1980 (2018), uit de serie Materialism. 105x311x134 cm. Foto Ronald Smits. Collectie Stedelijk Museum Amsterdam.

Volgens Hans den Hartog Jager draagt het Stedelijk Museum Amsterdam bij aan de uitholling van de beeldende kunst (Waarom de goochelkunst van Studio Drift hypocriet is, NRC 15/9). Het museum doet dat volgens hem doordat „de design-afdeling (…) consumenten-kitsch” naar binnen haalt. Hij doelt daarmee onder meer op de installatie Volkswagen Beetle 1980 (2018) uit de serie Materialism van Drift, die het museum aankocht.

Den Hartog Jager verbaast zich over de geringe hoeveelheid materiaal in de installatie, in vergelijking tot de afmeting van de auto. Het werk komt echter wel degelijk voort uit een getrouwe materiaalanalyse. Het bestaat bovendien uit meer blokken dan het werk op de foto bij zijn artikel – de Dandelight-installatie uit dezelfde serie: 41 in plaats van 17.

Laten we meteen ook maar een ander misverstand uit de weg ruimen. Het Stedelijk heeft geen aparte afdelingen meer voor beeldende kunst en vormgeving. En ook geen aparte aankoopbudgetten, zoals in het artikel van Renée Steenbergen staat vermeld (Verwar autonome kunst niet met creatieve industrie, NRC 22/9). Hiermee volgt het museum de ontwikkelingen in de kunsten. Er zijn wel conservatoren met expertise op een bepaald vakgebied, zoals vormgeving in ons geval, maar over aankopen wordt met het hele inhoudelijke team en vertegenwoordigers van de afdelingen collectiebeheer en development een besluit genomen.

Van alle tijden

Grensoverschrijding tussen beeldende kunst, fotografie en vormgeving is van alle tijden. Architect-ontwerper Charlotte Perriand maakte foto’s; grafisch vormgever Cassandre schilderde; beeldhouwer Donald Judd ontwierp meubels. Sinds enkele decennia zien we ook steeds meer werk dat niet zozeer een grens overschrijdt, maar zich op het grensvlak van verschillende disciplines afspeelt. Het werk van Drift is daarvan een voorbeeld, maar ook dat van Bernadette Corporation dat de vorm aanneemt van mode en sieraden. Sarah Zapata’s sculpturen zijn opgebouwd uit tapijten en een installatie van Czar Kristoff bestaat onder meer uit door hem ontworpen folders. Deze voorbeelden zijn allemaal in de collectie van het Stedelijk opgenomen.

Lees ook de polemiek van Hans den Hartog Jager: Waarom de social design van Studio Drift hypocriet is

Maakt het daarbij uit welke opleiding de kunstenaars of ontwerpers oorspronkelijk genoten? Wij vinden van niet. Kunnen makers een conceptueel uitgangspunt combineren met een aansprekende vormentaal die een groot publiek aanspreekt? Zeker. Dat doen ontwerpers overigens al sinds het Italiaanse radical design uit de jaren zestig en voor het werk van beeldend kunstenaar Jeff Koons geldt dit ook.

Kan het museum dergelijk werk tonen en in de collectie opnemen of moet het museum vooral ‘moeilijke kunst’ ondersteunen zoals Hans den Hartog Jager betoogt? Het Stedelijk wil een breed palet aan verschillende posities en stemmen tonen: van weerbarstige kunst tot meer toegankelijk werk en van autonome installaties tot gebruiksvoorwerpen. De functie van het museum als platform voor discussie is daarbij ook van belang. Wij juichen deze discussie dan ook toe.

Groot publiek

Het museum werkt samen met makers van uiteenlopende achtergronden en doet dat voor een zo breed mogelijk publiek. Dat mag ook worden verwacht van een publieke instelling. Wat het museum in ieder geval niet wil, is hedendaags werk in hokjes plaatsen, omdat ook makers dat zelf niet doen.

En wat betreft het commerciële aspect: wij zijn ons er natuurlijk van bewust dat het tonen, verzamelen of alleen al noemen van werk van bepaalde makers mogelijk invloed heeft op het verkrijgen van ‘prestigieuze’ opdrachten en op de positie van hun werk op de kunstmarkt. Dat is een gegeven. Dat Drift hiervan gebruik zou maken is niet verrassend, want wie vermeldt niet trots op zijn website tentoonstellingen en aankopen.

Lees ook het opinie-artikel van kunstonderzoeker Renée Steenbergen: Verwar autonome kunst niet met creatieve industrie

Het lijkt Den Hartog Jager vooral te storen dat ze dat nu in een beeldende-kunstcontext doen. Zoals algemeen bekend gaat er veel meer geld om in de markt van de beeldende kunst dan in die van de vormgeving – in de wereld van galeries, beurzen en veilingen heerst immers nog wel vaak een sterke scheiding. De wens om daarin door te dringen zegt minstens evenveel over de hiërarchie in die markt als over Drift.

Open voor debat

In het artikel van Renée Steenbergen wordt betoogd dat makers met een vormgevings- of architectuurachtergrond in toenemende mate opdrachten in de openbare ruimte krijgen ten koste van beeldend kunstenaars (in het verleden meestal beeldhouwers).

Het is de vraag of dit erg is, maar als daar verandering in gebracht zou moeten worden, dan is er meer nodig dan musea die iets wel of niet de ruimte geven. Bijvoorbeeld meer discussie over de inzet van kunstsubsidies, over de kunstopleidingen en over de aandacht voor kunst en cultuur op alle beleidsniveaus. Zoals geschreven, het museum blijft open staan voor debat, in en buiten het museum, over deze en andere kwesties. Zo kunnen we elkaar ‘scherp houden’.

Vormgevingsconservatoren Ingeborg de Roode, Thomas Castro en Amanda Pinatih, namens het Stedelijk Museum Amsterdam