De vernieling in helpen

WoordSabotage wortelt in de klassenstrijd, maar is al wat langer ook algemener toegepast als aanduiding voor een oorlogshandeling, ziet .

Het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT) geeft bij het werkwoord ‘saboteren’ een voorbeeldzin over Russen. Het gaat om een fragment uit een artikel uit de Nieuwe Rotterdamsche Courant van september 1920. Die voorloper van NRC beschreef toen de ervaringen van Duitse arbeiders in een Russische machinefabriek. „Van belangstelling in het werk was geen spoor te merken. Integendeel zij, en ook een deel van de ambtenaren, trachtten het werk te saboteeren. Na een half uur gaven de Russen er den brui aan, draaiden een half, soms ook wel een heel uur lang sigaretten, rookten, kletsten en begonnen dan weer heel langzaam te werken.”

Klassenstrijd

Het woord saboteren betekende toen niet simpelweg ‘iets met opzet laten mislukken’. Het WNT geeft als definitie: „Beschadigen of vernielen, met het oog op daardoor te behalen voordeelen in een strijd tusschen arbeiders en ondernemers.” Saboteren was dus een woord uit de klassenstrijd. Arbeiders saboteerden de boel om meer loon of rechten af te dwingen bij werkgevers. In dit geval saboteerden die Russische fabrieksarbeiders het werk omdat zij ertoe waren gedwongen – de meesten van hen waren boeren.

Over het ontstaan van de woorden saboteren en sabotage doen interessante verhalen de ronde. Zeker is dat ze uiteindelijk teruggaan op het Franse woord sabot, dat ‘klomp’ betekent. Eén verklaring luidt dat Waalse textielarbeiders in 1886 het werk stillegden door hun klompen tussen de tandwielen van weefmachines te steken. Een andere verklaring rept van Franse stakers die het treinverkeer lamlegden door zogenoemde remschoenen onder treinwielen te plaatsen. Deze ijzeren blokken heten in het Frans sabots d’enrayage, kortweg sabots.

Arbeiders saboteerden de boel om meer loon of rechten af te dwingen bij werkgevers

Zeker is dat de Franse leenwoorden saboteren en sabotage aan het begin van de 20ste eeuw snel opgang maakten in het Nederlands. In 1907 meldde een dagblad, onder de kop Saboter: „In den laatsten tijd is herhaaldelijk, in verband met de arbeidersbeweging in Frankrijk, het woord ‘Sabotage’ van daar tot ons overgekomen.” De krant liet er geen misverstand over bestaan: de saboterende werkman is verachtelijk. Grappig genoeg somt de krant vervolgens diverse sabotagevormen op. Harde plakken chocolade pappig maken; petroleum in stroop gieten; spugen in het deeg, enzovoorts.

Precedenten

Al snel lezen we ook over andere vormen van sabotage, door andere groepen. In 1907 schreef een Haagse krant, in een stuk over de staatsbegroting: „De landbouw ‘saboteert’, om een modernen term te bezigen.” Tijdens de Eerste Wereldoorlog, in 1916, had een dagblad het over „sluipmoorden plegen op generaals en ministers, scheepvaart onmogelijk maken, kabels doorsnijden en alle oorlogsvoerenden saboteeren”.

En ja, ook het saboteren van pijpleidingen kent precedenten. Zo werd in 1936 in Irak een olieleiding doorgesneden. De lekkende olie werd vervolgens in brand gestoken. Men gelooft, meldde een krant, dat de sabotage het werk is van Palestijnse Arabieren. Die toen overigens voor hun vrijheid streden, tegen de Britse kolonisators.