Hersens van te vroeg geboren kinderen ontwikkelen zich beter als baby's regelmatig innig contact hebben

Neurologie Vaak de stem, geur en aanraking van een ouder ervaren is gunstig voor de hersenontwikkeling van te vroeg geboren baby’s.

Een baby in een couveuse wordt vastgehouden.
Een baby in een couveuse wordt vastgehouden. Foto Jill Lehmann/Getty Images

De hersens van te vroeg geboren kinderen ontwikkelen zich beter als de baby’s regelmatig innig contact hebben met hun moeder of vader, waarbij allerlei zintuigen worden aangesproken. Deze kinderen presteerden anderhalf jaar later beter op taal en cognitie, vergeleken met kinderen die de gebruikelijke zorg hadden gekregen. Dat schrijven Finse en Amerikaanse onderzoekers in een studie die woensdag in het wetenschappelijke tijdschrift Science Translational Medicine verscheen.

Kinderen die te vroeg worden geboren moeten in een couveuse verder groeien, vaak met allerlei slangen en snoeren verbonden aan apparaten. Hun longen moeten rijpen, ze kunnen hun temperatuur en ademhaling vaak niet goed zelf regelen. Ook de hersenen ontwikkelen zich in die periode, maar door stress verloopt dat vaak minder goed. De medische handelingen die ze moeten ondergaan leveren stress op, net als de scheiding van de moeder, aan wier stem en geur de baby in de baarmoeder gewend is. Te vroeg geboren baby’s hebben daardoor grote kans op een ontwikkelingsachterstand.

Lees ook: De eerste 1.000 dagen beïnvloeden het hele leven

Stevig aanraken

Al in eerdere studies is het gunstige effect aangetoond van verschillende vormen van contact tussen ouders en te vroeg geboren kinderen op hun ontwikkeling, zoals bijvoorbeeld van ‘buidelen’. Daarbij ligt het kind bloot onder een deken op de blote borst van de moeder of vader. In de huidige studie worden vier van die elementen gecombineerd in een protocol.

Aan de studie deden 115 moeders mee met in totaal 150 te vroeg geboren baby's. Ze waren na 26 tot 34 weken ter wereld gekomen – een normale zwangerschap duurt 40 weken.

De interventie, die de auteurs Family Nurture Intervention noemen, werd aan de moeders geleerd door daarin gespecialiseerde verpleegkundigen. Het doel was om alle zintuigen van het kind aan te spreken: reuk, tast, gehoor en zicht. Als het kind in de couveuse lag, gebeurde dat door het uitwisselen van doeken met de lichaamsgeur van moeder en kind. Ook kon de moeder de baby in de couveuse lang en stevig aanraken, zachtjes tegen het kind praten en oogcontact maken. De onderzoekers moedigden de moeder aan om hierbij haar gevoelens en emoties te uiten. Ook de vaders en andere familieleden werden aangemoedigd om op deze manier met het kind om te gaan.

Als de baby gestresst was, legde de moeder de armpjes over de borst van de baby en haar hand daar zachtjes bovenop, terwijl ze in de kom van haar andere hand de beentjes in een foetushouding bracht. Dit deed ze steeds na een medische handeling zoals bloed afnemen, maar ook na het verschonen. Wanneer de baby was gekalmeerd, legde ze haar hand een tijd lang stevig op de buik, of ze liet het kind haar vinger vasthouden.

Buidelen

Zodra de medische status van het kind het toeliet, mocht het af en toe uit de couveuse om minimaal een uur te buidelen bij de moeder, of om vastgehouden en gevoed te worden, soms in een schommelstoel. Zo werden ook nog andere gewaarwordingen aangesproken, zoals smaak, temperatuur en evenwicht. Dit noemen de onderzoekers de kalmerende cyclus: zowel moeder als kind kwamen hiervan tot rust. Ook de vaders mochten zulke kalmerende sessies met hun kind hebben. Familieleden kregen wekelijks voorlichting over hoe ze met moeder en kind om moesten gaan.

Aan ouders van de baby’s die de gebruikelijke zorg kreeg, werden deze handelingen niet expliciet opgedragen, maar het buidelen werd soms wel uitgelegd.

Rond de tijd dat de baby’s veertig weken na conceptie waren, maten de onderzoekers hun hersenactiviteit door middel van EEG (elektro-encefalogram). Ze kregen een mini-badmutsje met elektrodes op hun hoofd terwijl ze sliepen.

Bij de baby’s die de kalmerende interventie kregen, waren de verbindingen en de activiteit in allerlei grote zenuwnetwerken in de hersenschors anders dan bij de baby’s die de gewone zorg kregen. De netwerkactiviteit kwam meer overeen met die van gezonde, op tijd geboren baby’s. Toen de kinderen 18 maanden waren, was de ontwikkeling van cognitie en taal bij de extra aangeraakte kinderen ook beter dan bij de dreumesen die de normale zorg hadden gehad.

Het intensieve contact tussen moeders (of vaders) met hun te vroeg geboren baby, zoals in deze studie wordt beschreven, is nog geen standaard-beleid op de neonatale intensive care, zegt Nikk Conneman, kinderarts-neonatoloog in het Erasmus MC Sophia Kinderziekenhuis in Rotterdam. Zelfs het buidelen gebeurt niet standaard. „Ouders doen dat wel, maar het gebeurt vaak nog te weinig, te kort, ook bij ons.”

Signalen

Conneman leidt trainers en artsen op in ontwikkelingsgerichte zorg die is toegespitst op de individuele behoefte van een kind, een methode die NIDCAP heet. „We letten op de signalen die een kind geeft en handelen daarnaar.” Dat is wezenlijk anders dan de vier handelingen in een standaard protocol, zoals in deze studie. „Het is beter dan niets, dus het zou een goed begin zijn om dit in de praktijk in te voeren. Maar een kind en de ouders hebben zoveel meer nodig.” De interesse in deze manier van werken is er, maar veel neonatologen zijn nog niet overtuigd. „Dit is belangrijk onderzoek dat mensen aanspoort om na te denken over het psychologische effect van aanraking en andere zintuiglijke waarnemingen bij te vroeg geboren baby’s”, aldus Conneman.

Tegen strak vasthouden van een baby heeft Conneman overigens bezwaar. „Dat genereert stress. Je moet een kind eerst aanspreken, en dan steunend aanraken. Wij doen dat niet na een medische handeling, maar tijdens, om pijn en stress zo veel mogelijk te beperken.”