Voormalig Ajax-doelman Heinz Stuy: „Voor de wedstrijd poetste ik de schoenen van Johan Cruijff.”

Foto Lars van den Brink

Interview

Vijftig jaar na de wereldbeker zegt doelman Heinz Stuy: ‘Met tranen in m’n ogen kijk ik naar het Ajax van toen’

Ajax Op 28 september 1972 zette Ajax in Amsterdam met de wereldbeker de kroon op het meest succesvolle jaar ooit van een Nederlandse club. Vijftig jaar later blikt oud-doelman Heinz Stuy (77) terug.

In de woonkamer van zijn appartement in Velserbroek, op vier hoog, legt Heinz Stuy een vijftig jaar oude kleurenfoto op tafel. Met andere Ajacieden jogt de doelman over een landingsbaan van een vliegveld op de Azoren, waar zojuist een tussenlanding is gemaakt op weg naar Argentinië, waar de club een paar dagen later als winnaar van de Europa Cup 1 zijn eerste van twee wedstrijden om de wereldbeker zal spelen, tegen Independiente, de kampioen van Zuid-Amerika. De meeste spelers in lange rode trainingsbroeken – volgens Stuy onderdeel van het trainingswandelpak van de club – sommigen in een korte oranje broek, maar allemaal met ontbloot bovenlijf. Op blote voeten, sokken of schoenen. „We moesten van [trainer Stefan] Kovacs even de benen strekken, want we zaten al heel lang in dat vliegtuig. Ik had nog nooit op een vliegveld hardgelopen. Prachtig was dat.”

Indruk op Stuy maakten op die heenreis begin september 1972 naar Argentinië vooral de armoedige omstandigheden in de woonwijk net buiten het vliegveld van Recife, de Braziliaanse stad waar de tweede tussenlanding was gemaakt en waar de spelers even een wandeling mochten maken. „Een open riool stroomde daar zo tussen die huisjes door.” Onvergetelijk was ook de meerval die plotseling voor de ogen van de Ajacieden uit het water opdook, in een vijver naast het vliegveld. Ajax organiseerde in die periode elk jaar een visdag voor de spelers, maar zo’n kanjer hadden ze nog nooit gezien. „Hij dacht waarschijnlijk dat wij ’m kwamen voeren.”

Eenmaal in Argentinië, waar een junta regeerde, werd op 5 september, daags voor de wedstrijd, in hoofdstad Buenos Aires Philips-directeur Jan van de Panne door guerrillero’s ontvoerd.

In het hotel waar Ajax verbleef kwam een telefoontje binnen met een dreigement om in navolging van de Philips-directeur ook Johan Cruijff te kidnappen. Stuy: „Kovacs komt naar me toe en zegt, ‘jij moet bij Johan blijven en hem een beetje bewaken, want er zijn dreigementen om hem te ontvoeren’. Prima, zei ik, ik sliep ook al bij hem op de kamer. Logisch ook, want ik was de meest robuuste in de ploeg.” In zijn toptijd was doelman Stuy een beer van net iets meer dan 90 kilo. Rondom Ajax wemelde het overigens van de bewapende militairen.

Pokken en cholera

Een jaar eerder had Ajax na het winnen van de eerste Europa Cup 1, in Londen tegen Panathinaikos, geweigerd om voor de wereldbeker te spelen tegen het Uruguayaanse Nacional, vooral op advies van de medische staf. Het grammofoonplaatje ‘Ajax wint de wereldcup’ van de Specials (geschreven door Peter Koelewijn) was kort na het succes op Wembley al gemaakt, maar inentingen tegen pokken en cholera die vereist waren en het harde Zuid-Amerikaanse voetbal hielden te grote gezondheidsrisico’s in. In 1972 werden die risico’s voor lief genomen.

Op 6 september zet Cruijff Ajax tegen Independiente al snel op 1-0, om vervolgens uit de wedstrijd geschopt te worden. Eenmaal op de reservebank steekt hij meteen een sigaret op. Op zwartwitbeelden van de wedstrijd is te zien hoe ook Stuy hard wordt geraakt en achterover valt. „Maar meteen opstaan en doorgaan”, zegt hij vijftig jaar later. „Leuk was het daar niet – er zat veel spanning op die wedstrijd. Als ik alle munten die in mijn doelgebied waren gegooid had opgeraapt, was ik miljonair geweest, bij wijze van spreken.”

Programmaboekje van de wereldbekerfinale 1972, met op de voorkant een tekening van Dik Bruynesteyn en binnenin de opstellingen van beide elftallen.
Programmaboekje van de tweede en beslissende wedstrijd om de wereldbeker in 1972, in Amsterdam, met op de voorkant een tekening van Dik Bruynesteyn (met links Johan Cruijff), en binnenin de opstellingen van beide elftallen.

In Avellaneda, een havenstad vlak bij Buenos Aires, blijft de schade beperkt tot 1-1 en drie weken later, op donderdag 28 september, maakt Ajax in het Olympisch Stadion in Amsterdam gehakt van Independiente: 3-0. Stuy ziet nog de Uruguayaan van Independiente voor zich die Sjaak Swart in de tweede helft uit de wedstrijd schopt. „Wat een beul was dat, met een hangsnor tot onderaan z’n kin.” Stuy beschrijft hem als een gangster, die het alleen nog aan een pistool ontbrak. „En toen kwam Johnny Rep erin, en die wilde hij ook nog onderuit schoppen. Die wedstrijd beleefde Rep zijn grote doorbraak.”

Na het eerste doelpunt van Johan Neeskens besliste Rep de wedstrijd met twee treffers, beide keren op aangeven van Cruijff. Even later overhandigde koningin Juliana op de eretribune de wereldbeker aan aanvoerder Piet Keizer. De prijs die officieel de Intercontinental Cup heette, was de kroon op het jaar 1972 – alle prijzen waren binnen. In januari 1973 volgde er nog een klein kroontje, toen de winnaar van Europa Cup 1 de winnaar van Europa Cup II versloeg, Glasgow Rangers. Later dat jaar werd Ajax – nog steeds met Stuy in het doel – voor de derde achtereenvolgende keer Europa’s beste, na een 1-0 zege op Juventus.

Heupoperatie

„Veel keus heb je niet meer’’, zei Stuy over de telefoon toen NRC hem vorig jaar benaderde voor een interview, vijftig jaar na het éérste grote succes van Ajax, de Europa Cup 1-zege tegen Panathinaikos (1971). Er zijn immers al zoveel Ajacieden uit die kampioensploeg overleden. Omdat hij net een heupoperatie had ondergaan – kort daarna kwam hij thuis in de badkamer ook nog eens zwaar ten val – kwam het interview er vorig jaar niet. Nu kijkt hij terug op het succesjaar 1972, en bladert hij aan de eettafel door een Ajax-plakboek van een halve eeuw oud.

Ik ben in een bomtrechter geboren toen m’n moeder hoogzwanger voor het luchtalarm vluchtte

Als hij de elftalfoto van vlak voor die Europa Cup 1-finale uit 1971 ziet, zegt Stuy dat hij nog regelmatig met tranen in zijn ogen terug moet denken aan die tijd. „Ze zijn bijna allemaal dood: op Sjaak Swart, Johan Neeskens en mij na.” In de rust werden de in 1976 overleden Nico Rijnders en Swart vervangen door Horst Blankenburg en Arie Haan, die allebei ook nog in leven zijn. „Als ik de beelden weer zie en ermee geconfronteerd wordt, houdt het me toch weer bezig. Maar het is ook leuk om nog herkend te worden en mensen te treffen die er nog wat van weten en er over willen praten.’’

Maar niet iedereen doet dat met goede bedoelingen. Toen hij na zijn voetbalcarrière tientallen jaren een bar-bistro runde, Provence in Driehuis, trof hij – meestal rond sluitingstijd – nog wel eens mensen met een grote mond. „Dan kwamen ze na elven de zaak binnen, hadden ze een slok op en gingen ze populair doen – ‘hé Stuy, laat je nog wel eens een bal uit je klauwen vallen?’”Dat was een weinig subtiele verwijzing naar zijn bijnaam, Heinz Kroket – verworven omdat hij ballen soms liet vallen als een hete kroket. „Dan stak ik alleen mijn hand maar op.”

Stuy laat het handgebaar waarmee hij steevast reageerde nog een keer zien: hij steekt zijn pink, ringvinger en middelvinger omhoog en maakt van wijsvinger en duim een rondje. „Vroeg ik of ze wisten wat dat betekende. Eén, twee, drie Europa Cups gewonnen en nul doelpunten tegen! En dan zeiden ze: ‘kunnen we nog saté vreten?’ En dan stuurde ik ze weg.”

Bomkrater

Door zijn Noord-Hollandse accent zou je niet vermoeden dat Stuy in Duitsland is geboren, daar tot zijn zevende jaar heeft gewoond en uitsluitend Duits sprak. Heinz Jürgen Stuy kwam op 6 februari 1945 ter wereld in Wanne-Eickel, in het Roergebied bij Gelsenkirchen, een paar maanden voordat de Duitsers capituleerden en terwijl Stalin, Roosevelt en Churchill in Jalta de na-oorlogse verhoudingen bespraken. „Ik ben in een bomtrechter geboren toen m’n moeder hoogzwanger voor het luchtalarm vluchtte en naar een schuilkelder moest lopen. Vlak voor die schuilkelder viel ze in een diepe kuil, met water onderin. Terwijl ze daar lag en er met een brancard uit gehaald moest worden, ben ik geboren. De volgende dag stond er in de krant dat er een kind ‘tod’ geboren was, maar ik was springlevend.”

Over zijn Duitse achtergrond ging het zelden in artikelen over Stuy. Hij had een Duitse moeder en een Nederlandse vader, die ook alleen maar Duits sprak. Voordat Stuy met zijn moeder en zijn twee jaar oudere zus in 1952 naar IJmuiden verhuisden, was zijn vader daar al bij de Hoogovens gaan werken, dankzij een IJmuidenaar die hij tijdens de oorlog in een werkkamp in het noorden van Duitsland had leren kennen en die na de oorlog trouwde met een zus van Stuys vader. Heinz kreeg het Nederlands als kind snel onder de knie. „Ik kan me nog herinneren dat kinderen in het speelkwartier vroegen in welke klas ik zat en dat ik dan ‘in de dritte’ zei.”

Na een succesvol schoolvoetbaltoernooi kwam doelman Stuy rond zijn twaalfde bij VSV in Velsen terecht. VSV en Stormvogels uit IJmuiden vormden in 1963 samen Telstar, dat een jaar later met de negentienjarige Heinz Stuy in het doel naar de eredivisie promoveerde. De nieuwe club eindigde dat seizoen hoger (tiende) dan Ajax, dat met een dertiende plaats dicht bij degradatie was. De eerste keer dat beide clubs elkaar troffen, was op 1 november 1964 in de Meer; Telstar won en Stuy hield de nul. Twee wedstrijden later maakte Johan Cruijff zijn debuut in het eerste van Ajax, tegen GVAV, en in de return tegen Telstar, in maart 1965, stonden Stuy en Cruijff voor het eerst tegenover elkaar. Het bleef 0-0. Rinus Michels was net een paar maanden trainer van Ajax en al vrij snel zou een oud-teamgenoot van Stuy bij VSV en bij Telstar, Cor Brom, zijn assistent-trainer worden. „Die heb natuurlijk tegen Michels gezegd, ‘die Stuy, dat is een goeie gozer’.”

Stuy maakte de overstap naar Ajax in 1967. „Toen ik met vakantie in Joegoslavië was, las ik daar in de krant dat Ajax belangstelling voor me had, en kort daarna was het rond.” In zijn eerste jaar in Amsterdamse dienst was hij nog semi-prof en had hij een baan bij een meubelzaak in IJmuiden. „Tot zes uur werken en dan moest ik om half zeven alweer op de training zijn, in de Meer.” Na drie jaar reservekeeper achter Gert Bals te zijn geweest, werd hij uitgerekend in de kampioenswedstrijd tegen SVV (8-0) de eerste keeper van Ajax.

Ajax-doelman Heinz Stuy heerst in de lucht in de halve finale van de Europa Cup in 1972, uit bij Benfica (0-0). Links Horst Blankenburg, midden Benfica-spits Arthur Jorge en Barry Hulshoff. Foto ANP

Cipier

Stuy hield de nul vaak dankzij een verdediging die meestal ondoordringbaar was. Zoals op 24 september 1972 thuis tegen FC Groningen, vier dagen voor de return in Amsterdam tegen Independiente. Het was de wedstrijd waarin Jan Mulder na een recordtransfer voor Ajax van 1,3 miljoen gulden zijn debuut maakte. De enige keer dat Stuy de bal aanraakte, vermeldt ‘Het Ajax-boek’ uit 2003, was na een terugspeelbal van Barry Hulshoff. Met de Duitse laatste man Horst Blankenburg was voorstopper Hulshoff de speler die in het veld het dichtst bij doelman Stuy stond. „Die kopte alle hoge ballen weg, en hij had geleerd om ze ook gericht weg te koppen, zoveel mogelijk naar iemand die vrij stond. Ik beschouwde Barry als de cipier die alles dichthield. En daarachter hadden we nog die herdershond, Blankenburg. Als er toch nog iemand doorkwam, pakte die Duitse herder hem.”

Als ik alle munten die in mijn doelgebied waren gegooid had opgeraapt, was ik miljonair geweest

Een bijzondere band had Stuy met Cruijff. Onder meer omdat hij tot aan het vertrek van Cruijff naar Barcelona, in 1973 zijn slapie was, op trainingskampen en op buitenlandse trips. Tot ergernis van de doelman stak de aanvaller op hun hotelkamer nog wel eens een sigaret op. „Soms was hij onrustig, ging hij laat naar bed en moest-ie nog even een peuk roken. Dan zei ik: ‘godverdomme Johan, doe het raam open en ga daar lekker roken.’ Stuy doet een imitatie van Cruijffs reactie, in plat Amsterdams: „Nou, moet je luistere: jij komt toch uit IJmuide en daar heb je toch Hoogovens? Jij bent dat toch wel gewend?’ Michels kon er heel kwaad om worden dat-ie rookte, maar [zijn opvolger] Kovacs rookte ook en vond dat helemaal niet erg.” Stuy vertelt ook dat Cruijff in hun tweepersoonshotelbed in het kuiltje van zijn elleboog wakker werd. „Ik slaap nu nog zo”, zegt Stuy, terwijl hij zijn linkerarm uitstrekt alsof hij een bal uit een hoek van het doel wil houden. Vanaf de bank bevestigt Paula Stuy dat.

Voorafgaand aan elke wedstrijd gaf Cruijff Stuy uit bijgeloof een bemoedigend tikje in de maagstreek, zoals hij dat ook bij Gert Bals had gedaan. „En voor de wedstrijd poetste ik zijn schoenen”, zegt de oud-doelman, die in de kleedkamer altijd een tas vol noppen, noppentangen, leervet en schoensmeer bij zich had waar teamgenoten graag gebruik van maakten voordat ze het veld op gingen. „En zorgde ik er ook voor dat de Puma-strepen op zijn schoenen wit bleven. Johan had een contract bij Puma, maar droeg Adidas-schoenen waar de drie witte strepen van afgehaald werden en een witte Puma-streep op werd genaaid. Die Adidasschoenen vond-ie lekkerder zitten.”

Zijn enige eigen doelpunt bij Ajax maakte Cruijff ook in 1972, in augustus, in het Olympisch Stadion. Tegen FC Amsterdam, toen het nieuwe seizoen nog maar net begonnen was. Hij verdedigde even mee en kopte de bal pardoes achter Stuy. Vlak voordat Cruijff daarmee de eindstand op 1-2 bepaalde, had Stuy nog een strafschop gestopt.

Na zijn vertrek bij Ajax, waar hij reservekeeper achter Piet Schrijvers was geworden, vervolgde de doelman in het tweede deel van de jaren 70 zijn carrière bij FC Amsterdam. Toen hij daar na een paar roemloze jaren een punt achter zijn voetballoopbaan zette, deed Heinz Stuy dat niet als de beste clubkeeper uit de Nederlandse voetbalgeschiedenis, maar wel als de meest succesvolle.

Duel tussen keeper Heinz Stuy en Willem van Hanegem tijdens Feyenoord-Ajax op 15 april 1972 (1-5). Foto ANP