Prachtige Maria’s, barok en stilte: dit is het verbouwde ‘Rijks’ van Antwerpen

Het verbouwde KMSKA Het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen is na elf jaar verbouwen weer open voor publiek. Zeven vragen over deze kunsttempel waar alle straatrumoer vakkundig wordt buitengehouden.

Voor de gevel van het KMSKA sijpelt een ‘fontein’, ontworpen door de Spaanse kunstenaar Cristina Iglesias.
Voor de gevel van het KMSKA sijpelt een ‘fontein’, ontworpen door de Spaanse kunstenaar Cristina Iglesias. Foto Karin Borghouts

1. Wat voor museum was dit?

Als Adam Verver, de gefortuneerde kunstverzamelaar uit Henry James’ roman The Golden Bowl (1904) iets wil terugdoen voor de duizenden arbeiders dankzij wie hij schatrijk is geworden, besluit hij een museum te bouwen vol meesterwerken: een „huis met openstaande deuren en ramen, van waaruit de hoogste kennis” uitstraalt over „dankbare, dorstige miljoenen”.

Veel musea in Europa en Amerika zijn door dit klassieke idee beïnvloed. En nu is er een nieuwe loot aan die boom toegevoegd: het vernieuwde Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen. Als kind vond ik het een intimiderend majestueus gebouw. Het tilde het plein ervoor, de straten en huizen, als het ware op en veranderde de toen nog armoedige Scheldestad, met frietkotten onder roestige viaducten en gaten in het plaveisel, in een waar grootstedelijk sprookje.

De Madonna van Jean Fouquet (circa 1450).

is misschien wel hét topstuk van het verbouwde KMSKA. Collectie KMSKA

Voor de Rubenszaal maakte Christophe Coppens een zitbank met kamelen, die geïnspireerd is door Rubens’ ‘De Aanbidding der Koningen’ (1624).
Foto Karin Borghouts
Foto’s Karin Borghouts / KMSKA

Binnen in het museum waren Vlaamse primitieven te zien en de grote meesters van de Vlaamse barok. Die laatsten namen met hun gigantische altaarstukken, waar niet op een metertje linnen meer of minder werd gekeken, zoveel ruimte in beslag dat het je duizelde. Op het dak van het museum stonden twee triomfwagens met fier dravende paarden ervoor en gevleugelde engelen achter de leidsels. Het leek alsof zij de wereld tegemoet reden, en wij reden mee.

Dat gebouw raakte verstoft en verstild. Klimaatinstallaties waren niet meer op orde, de oorspronkelijke architectuur werd steeds minder zichtbaar door kleine verbouwingen binnen en het vernis op de schilderijen vergeelde.

2. Hoe ziet het er nu uit?

Sinds afgelopen weekeinde is het museum, dat oorspronkelijk in 1893 opende, in nieuwe luister hersteld. Ivoorwit glanzen de façades je tegemoet. Op het terrein voor de hoofdingang sijpelt het water van een fontein, ontworpen door de Spaanse kunstenaar Cristina Iglesias, traag voor je voeten.

Binnen zijn de muren olijfgroen, antiek rood of helder Pompejaans rood geschilderd. Plafonddecoraties zijn in glans hersteld, voorzetmuren verwijderd, deuren dichtgemetseld, de oude centrale looproute vrij gemaakt. Onder de vloeren van het museum is een atoomvrije schuilkelder van beton en staal met pneumatische hamers vergruisd.

Lees ook het interview met KMSKA-directeur Carmen Willems: „We kunnen over Rubens’ hele leven vertellen, maar het absolute topwerk hangt hier niet.”

Op de vier oude binnenkoeren is een meesterstuk verrezen: een compleet nieuw museum, geplaatst in het oude gebouw en onzichtbaar vanaf de straat. Het minimalistische ontwerp van KAAN Architecten uit Rotterdam kenmerkt zich door een rigoureuze afscheiding van het oude gebouw, met al zijn tierelantijnen en deftige elegantie. Dit nieuwe museum is toegankelijk via een ‘stairway to heaven’: een eindeloos hoge, in wit badende trap die elke stap die je zet, doet oplossen in licht.

3. Hoe je weg te vinden?

Volgens directie en bestuur is het museum een „labyrint”, maar dat valt best mee. Daarvoor is de architectuur van het oude en nieuwe gebouw te symmetrisch. En zo groot als het Prado of de Hermitage in Sint-Petersburg, waar je dagen nodig hebt en dan nog niet alles hebt gezien, is het Antwerpse museum bij lange na niet.

Met uitzondering van de pronkzalen met schilderijen van Rubens, Jordaens en Van Dijck heeft elke zaal een thema: macht, kleur, vorm, hemel, horizon. Die thema’s zijn een beetje van het kaliber ‘uit de fruitmand geplukt’, maar zorgen ook voor verrassende ensembles. Oude kunst mag best met nieuwe kunst vermengd en omgekeerd.

Een schijnbaar oneindige trap verbindt het oude met het nieuwe, door KAAN Architecten ontworpen gebouw. Foto Karin Borghouts

Een goed voorbeeld in het oude gebouw is de met bloed bespatte Koningen van Egypte (1982) van de Amerikaanse graffity-kunstenaar Jean-Michel Basquiat (een bruikleen uit Museum Boijmans Van Beuningen). Het schilderij hangt naast een schitterend, vroeg 16de-eeuws peuterportret door Jean Clouet, van de krijtwitte troonopvolger van koning François I. Basquiat laat de kroon van zijn Egyptische koning boven doodshoofden zweven, omdat veel koningen, zoals hij eens opmerkte, al vroeg sterven. De troonpretendent op Clouets portret zou nooit koning worden, want hij stierf al op zijn achttiende.

De moderne kunst vind je door de ‘stairway to heaven’ te betreden en via het in subliem nachtblauw gehulde tekeningenkabinet naar de bovenste verdieping te lopen. Ook daar zijn weer twee parallelle zalen, gebouwd rond lichtschachten. Eén van de creatiefste combinaties hier is een zinderende, met de vlammenwerper gemaakte Grote Zon (1965) van ZERO-kunstenaar Otto Piene, naast een kleine Madonna (1470-1500), geschilderd door een navolger van Dieric Bouts en het raadselachtige Twee lentes (1910) van Gustave Van de Woestyne. Het is de kleur rood in verschillende nuances die de schilderijen verbindt, maar juist ook enorm van elkaar doet verschillen.

4. Zijn er grote 20ste-eeuwse meesters?

De verrassende ophanging zorgt dat je, heen en weer lopend, kijkt en vergelijkt. Wat dan opvalt is dat het KMSKA geen twintigste-eeuwse collectie van wereldformaat heeft. Het verzamelen van moderne kunst gebeurde traag, directeuren kozen behoudend, zeer subjectief, goedkoop (uit geldgebrek) en lokaal. Grote internationale meesters ontbreken. Het Frans impressionisme, Duits expressionisme, kubisme, de abstracte kunst geïnspireerd door Mondriaan en ook de stromingen erna: er is weinig. De moderne meesters in het Antwerpse museum zijn vooral Vlaamse meesters.

5. Welke Madonna is de mooiste?

Wel zeventig schilderijen met de afbeelding van Maria bezit het museum. De mooiste en onvergetelijkste is die van Jean Fouquet (circa 1450). Hoewel de zalen met altaarstukken van Rubens officieel de erezalen zijn, is het zaaltje van Fouquets Madonna, omringd door cherubijnen en serafijnen, het onweerlegbare hoogtepunt van het museum. Dat komt allereerst door de manier waarop Fouquet de maagd onaanraakbaar, haast als een standbeeld, heeft geschilderd. Haar witte ontblote linkerborst contrasteert scherp met het blauwpaars van haar jurk en het rood van de cherubijnen achter haar. Haar ogen zijn bijna gesloten, want ze kijkt naar de baby op haar schoot. Een kroon met parels rust op haar schijnbaar haarloze schedel.

‘Madonna bij de fontein’ (1439) van Jan van Eyck toont een liefdevolle Maria. Collectie KMSKA

Rond deze Madonna, die volgens de directie zal uitgroeien tot de Mona Lisa van Antwerpen, hangen drie andere, even intieme, schilderijen op klein formaat: De diagnostische blik (1992) van Luc Tuymans, een exhibitionistische madonna door Marlene Dumas (Give the people what they want, 1992) en een zeer liefdevolle Madonna bij de fontein (1439) van Jan van Eyck. Die vier vormen samen zeker niet de meeste meters in linnen, maar wel de allerbeste.

6. Welke verrassingen kom je tegen?

Feitelijk is het nieuwe museum ín het museum, onzichtbaar vanaf de straatkant, de eerste grote verrassing. Maar er zijn er meer. Zo weet het museum opmerkelijk genoeg nog steeds niet hoe het allergrootste altaarstuk van de jonge Rubens, Het doopsel van Christus (1605), eind 19de eeuw in het museum terechtkwam. De deuren zijn namelijk niet hoog genoeg, zelfs niet als de deurposten tot het plafond worden uitgezaagd. Tijdens de renovatie is het gevaarte van bijna 6,5 bij 4 meter door een speciaal luik in de vloer getakeld naar het ondergrondse depot, en van daaruit weer omhoog gekomen. Als je goed kijkt bij de plinten, zie je waar.

Omdat in de zalen van de Vlaamse barokgiganten alles op alles is gezet om ontzag in te boezemen, zijn de versieringen van het plafond gehaald, waar nodig schoongemaakt en bedekt met een laagje goud. Althans, zo lijkt het. Maar de decoraties zijn van gewoon aluminium en vernis. Schitterend, en net echt.

Het ‘Doopsel van Christus’ (Peter Paul Rubens, 1604-1605) is zo groot (ruim 6,5 bij 4 meter) dat het niet door de deur van het museum past. Foto Karin Borghouts

Een groot aantal schilderijen is tijdens de sluiting gerestaureerd. Daaronder één uitzonderlijk meesterwerk: James Ensors Oestereetster uit 1882. Ensor schilderde zijn fijnproefster in een tijd dat hij met een licht kleurpalet experimenteerde. Dat lichte palet was onder een laag geelbruin verstopt geraakt. Na de restauratie in 2020 stralen de heldere kleuren van de jurk van de oestereetster, het tafellaken, het bestek, de citroenen en de parelmoeren kleuren van de oesters je tegemoet. Al die tinten wit: ze vormen een jubelkreet.

7. Welke visie spreekt er uit?

De Antwerpse salons uit de 19de eeuw waren bepaald geen avant-gardistische broedplaatsen. Kunstenaars trokken weg naar Parijs, waar vernieuwing niet als verontrustend en bedreigend werd gezien.

Die behoudzucht van toen straalt het nieuwe museum nog steeds uit. Alles is magnifiek en stralend schoon, maar de wereld buiten de deuren van het KMSKA lijkt niet te bestaan.

Sterker: het lijkt alsof ze nooit hééft bestaan. Discussies over kolonialisme, migratie, feminisme, sociale rechtvaardigheid, elk besef van waar we vandaan komen en waar we naartoe zouden willen – er wordt geen woord aan gewijd. En daarmee belichaamt het KMSKA het ideaal van James’ Adam Verver: het is mooi, meditatief maar ver van de wereld verwijderd.