Nederlands rapport over mogelijke oorlogsmisdaad door Australische militairen in Uruzgan is spoorloos

Missie Uruzgan Nederlandse militairen meldden in 2010 de marteling van een Afghaan door Australiërs. Dit kreeg toen geen gevolg.

De Nederlandse militaire basis Kamp Holland vlak bij Tarin Kowt in de Afghaanse provincie Uruzgan.

De Nederlandse militaire basis Kamp Holland vlak bij Tarin Kowt in de Afghaanse provincie Uruzgan.

Foto ANP

Nederlandse militairen hebben in 2010 melding gemaakt van een mogelijke oorlogsmisdaad door Australische militaire elite-eenheden, in Uruzgan. De melding ging over de marteling van en moord op een Afghaanse burger. Het rapport waarin dat staat, is destijds binnen de krijgsmacht digitaal en fysiek verspreid, maar leidde niet tot actie. Volgens het ministerie van Defensie is het nu onvindbaar.

Dit blijkt uit onderzoek van NRC op basis van documenten en gesprekken met betrokkenen in de afgelopen maanden. De Australische troepen waren ervan overtuigd dat de Afghaanse man betrokken was bij de dodelijke aanslag op twee Nederlandse mariniers op 17 april 2010: hij zou de bommenmaker zijn. Ze vertelden aan de Nederlandse mariniers waar de man was en die pakten hem op.

Lees hier het onderzoeksverhaal: Een rapport over de marteling en dood van een burger uit Uruzgan is bij Defensie zoekgeraakt

Nederlandse inlichtingenofficieren verhoorden hem, maar lieten hem weer vrij. Er was geen bewijs en ze raakten zelfs overtuigd van zijn onschuld. Volgens hen was de man een jonge, lokale boer met mogelijk dezelfde naam als de vermeende bommenmaker.

Niet lang daarna brachten de Australische troepen de man alsnog om het leven. Hij werd daarbij gemarteld en vermoord, vertelden meerdere lokale bronnen aan de Nederlandse inlichtingenofficieren. De Australiërs zouden de man voor de ogen van zijn familie uit zijn huis hebben gehaald, zijn mondhoeken hebben opengesneden, zijn tong uit zijn mond hebben gehaald. Een kogel ging door zijn achterhoofd.

Een Nederlandse inlichtingenofficier maakte er een rapport over op, een zogeheten Special Report. Een papieren versie daarvan ging volgens meerdere bronnen naar het bureau van de commandant van de Task Force Uruzgan (TFU), Kees van den Heuvel, en een ging naar het hoofd Inlichtingen. Daarnaast belandde het in een digitaal systeem waartoe ook de militaire Inlichtingendienst MIVD toegang heeft. Aan het eind van de missie belandde het op een harde schijf die het archief in ging.

Er kwam in Nederland pas weer aandacht voor toen in november 2020 in Australië het zogeheten Brereton-rapport werd gepubliceerd. Daarin staat dat er zeer sterke aanwijzingen zijn dat Australische militairen in elk geval 39 Afghanen hebben geëxecuteerd en andere oorlogsmisdaden hebben gepleegd. Tweede Kamerleden wilden weten wat Nederlandse militairen wisten van de mogelijke misdrijven door hun bondgenoten. De toenmalige ministers Blok (Buitenlandse Zaken, VVD) en Bijleveld (Defensie, CDA) beloofden grondig onderzoek.

Rapport is nooit gevonden

In die tijd kwam op het ministerie ook een melding binnen over het Special Report van destijds. De directeur Evaluatie op het ministerie nam de melding serieus, ging op zoek naar het rapport, maar staakte zijn moeizame zoektocht zo’n drie maanden later. Harde schijven bleken onvindbaar of incompleet, documenten ontbraken, betrokkenen konden zich niets meer herinneren. Het rapport is nooit gevonden.

„Hoe is het mogelijk dat zo’n rapport niet te vinden is”, zegt Tweede Kamerlid Jasper van Dijk (SP), die schriftelijke vragen gaat stellen. Van Dijk wil ook weten wat er is terechtgekomen van het onderzoek dat in 2020 is toegezegd door Blok en Bijleveld.

Het ministerie van Defensie zegt in een reactie dat het onderzoek naar de melding formeel nog loopt. Toenmalig TFU-commandant Van den Heuvel zegt nu desgevraagd: „Ik heb zo’n rapport nooit gezien, weet niet eens of het bestaat.” Als hij het rapport had gezien, dan had hij „zeker actie ondernomen”. Het hoofd inlichtingen van destijds wilde niet reageren. Het Australische ministerie van defensie zegt na vragen van NRC „geen meldingen te hebben gevonden met beschuldigingen over schendingen van het internationaal humanitair recht”.