Na twintig jaar is er weer iemand van adel – een AOW’er uit Apeldoorn

Adelstand Frans Lauta van Aysma is sinds maandag van adel. „Ik kan het beste gewoon maar mezelf zijn.”

Frans Lauta van Aysma is toegelaten tot de adelstand
Frans Lauta van Aysma is toegelaten tot de adelstand Foto Simon Lenskens

Tal van deftige Nederlanders werden de afgelopen eeuw buiten de deur gehouden, maar voor de Apeldoornse AOW’er Frans Lauta van Aysma (77) ging de poort van de meestal onverbiddelijke Hoge Raad van Adel open. Maandag kreeg hij in Den Haag zijn ‘adelsdiploma’.

In zijn woning op de derde verdieping van een flat in Apeldoorn zat hij er afgelopen weekend een beetje overweldigd bij. Het „overvalt” hem, zegt hij. „Er is geen voorbeeld van wat ik moet doen en hoe ik het moet doen. Hoe zal ik die mensen aanspreken? Met hoogwelgeboren?”

Op een tafeltje in de woonkamer, waar meer dan honderd VHS-videobanden tegen de muur staan opgestapeld, ligt de uitnodiging van de Hoge Raad van Adel, geadresseerd aan de hoogwelgeboren heer, jonkheer F. Lauta van Aysma. „Ik kan het beste gewoon maar mezelf zijn”, concludeert hij.

Tot de Nederlandse adel werd de afgelopen eeuw nog zelden iemand toegelaten. De meeste leden traden toe rond 1814, toen de nieuwe koning Willem I de bestaande elite aan zich wilde binden. Door ‘verheffing’ beloonde hij nieuwkomers, met ‘erkenning’ paaide hij oude elite en door ‘inlijving’ verplichtte hij van oorsprong buitenlandse adel aan zich.

Liberalisering en modern recht maakten aan de rechten van de koninklijke claque een eind, waarna in de twintigste eeuw een historisch-symbolische sterfhuisconstructie verzonnen werd. Verheffing van nieuwe families werd in 1953 afgeschaft en ‘inlijving’ gebeurde alleen nog sporadisch, met de van oorsprong Finse familie van minister Kajsa Ollongren in 2002 als laatste.

In 1991 werd voor het laatst een familie ‘erkend’.

Geen machtige voorouders

Niet alleen is Lauta van Aysma de eerste Nederlandse familie die sinds twintig jaar tot de adel wordt toegelaten, ook trad nooit eerder iemand toe die, zoals hij, al meer dan een eeuw geen rijke of machtige voorouders heeft en zelf rond de armoedegrens leeft. Dat het lukte, is – behalve aan de tijdgeest – te danken aan André Buwalda, rentmeester van een kerk met inpandig bed and breakfast, in het Friese dorp Schettens.

Toen een oude helm aan de muur in zijn kerk na onderzoek door het Militair Museum in Soesterberg leidde naar Schelte Hotzes van Aysma (1578-1637), de hoogste militair in het leger van de Friese stadhouder Hendrik Casimir, werd in de kerk ook diens graf gevonden. Dna-onderzoek van zijn botten en een speurtocht via Facebook naar nazaten leidden naar Frans, wiens wangslijm een 100 procent-match opleverde.

Lees ook: De adel trekt nog steeds aan touwtjes

Buwalda biedt het verhaal van Van Aysma aan als attractie bij verblijf in de B&B, die door de protestantse gemeente in de toren van de kerk ter dekking van onderhoudskosten geëxploiteerd wordt. In 2018 organiseerde hij een ‘herbegrafenis’ van de kolonel, waarbij Frans als eregast werd uitgenodigd. Omdat andere nazaten van Schelte in 1825 tot de adel zijn toegelaten maar de tak van Frans vergeten werd, besloot de protestantse gemeente de volgens hem „nogal prijzige” aanvraag van zijn adelsdiploma voor haar rekening te nemen. Frans vond het „een eer”. Zijn vader had wel eens gezegd dat er „iets was” maar het was nooit uitgezocht.

Bewaarplaats

De Nederlandse Adel veranderde in de afgelopen eeuw van elitair maatschappelijk bastion in een bewaarplaats voor historie. Uit weerzin tegen ‘snobs’ werd nieuwe aanwas verhinderd en intussen maakte individualisering het idee dat eigen kwaliteit erfelijk zou zijn, impopulair. De groep wordt ook steeds kleiner. Van de 566 adellijke geslachten zijn er nu nog ongeveer 300 in leven.

Het drukst was de Hoge Raad van Adel, het vaste adviescollege van de regering op het gebied van adeldom en heraldiek, de afgelopen jaren met het verlenen van adeldom aan nieuwe leden van de koninklijke familie. Zij worden nog wel verheven (prins Claus in1966, prinses Máxima in 2001) en erven als enigen ook adel via de vrouwelijke lijn.

Dat Frans in de selecte ménagerie van de koning is opgenomen, illustreert hoe ook het laatste bastion van erfelijkheid inclusie aanhangt. Een afgevaardigde van de Hoge Raad van Adel kwam nog wel langs met vragen. „Een soort test”, vermoedt Frans, „wat ook wel mag voor zoiets”.

Hij is „niet helemaal schoon”, bekent hij meteen. Als kind uit een straatarm gezin in Limburg stal hij soms hout of aardappels. Zijn leven is niet makkelijk geweest. Omdat zijn ouders allebei ziek werden, belandde hij als kind bij „sadistische” paters in Kerkrade. Toen hij een bal in het plantsoen getrapt had, moest hij bij de schoenmaker zelf een stok uitzoeken om achtenveertig slagen mee te krijgen. De pater nam toch liever een dunner stokje. „Zo’n zwieperd, die harder aan komt.”

Frans Lauta van Aysma met vriendin Diane. Foto Simon Lenskens

Dat zijn ouders de school niet meer konden betalen, was zijn geluk. Op zijn veertiende ging hij werken bij Philips en daarna in de grafische industrie, tot hij werd afgekeurd. Toen Frans op zijn 22e vader werd, was hij daar „niet rijp voor”. Zijn vrouw vertrok met zijn dochtertje naar een andere man.

Mantelzorger

Bijna 25 jaar geleden ontmoette hij in een Apeldoorns café Diane. Het regende keihard. „Wat kom je doen?” vroeg hij nog. Haar moeder werd boos omdat Frans veel ouder was. Hij wilde eerst alleen voor haar zorgen, het werd „wat meer” en nu hij haar mantelzorger is, zit het „ertussenin”.

Diane, die lijdt aan de aangeboren groeistoornis van het syndroom van Turner, liep hem na, zegt ze terwijl ze koffie inschenkt, omdat ze hem bijzonder vond. Zij is niet de enige die het ziet. Mensen „lichten op” als ze Frans, lichtblauwe ogen, lang atletisch postuur, kalme blik, zien. „Waar je met hem komt, word je speciaal behandeld”, zegt ze.

Zou er dan toch zoiets bestaan als blauw bloed? Iets aparts zit wel in hem, geeft Frans toe. In cafés zit hij ook altijd een beetje achteraf, maar dat kan „gewoon eigenwijsheid” zijn. In de praktijk verandert zijn leven niet. Het mooiste vindt hij dat zijn dochter, Miranda, die net als haar moeder in de zorg werkt, nu jonkvrouw is. Als vrouw kan ze dat predicaat niet doorgeven, maar „beretrots’ is ze wel. „Dat heb ik haar dan in ieder geval kunnen geven.”