De gemartelde boer, de Australische special forces en een verdwenen rapport

Inlichtingenrapport Afghanistan Wat is er gebeurd met een melding over een terechtstelling van een Afghaanse burger in 2010, niet ver van Kamp Holland? Het ministerie van Defensie heeft het rapport nog altijd niet gevonden.

Een konvooi van Australische militairen in de Afghaanse provincie Uruzgan.
Een konvooi van Australische militairen in de Afghaanse provincie Uruzgan. Foto Angela Wylie/ Getty Images

Een kolonel der mariniers zit eind 2020 opgeruimd klaar voor een nieuwe zoekopdracht, in het defensie-archief in Rijswijk. Hij is het hoofd van de afdeling Evaluatie van het ministerie van Defensie. Hij zoekt een rapport over een mogelijke oorlogsmisdaad van Australische militairen in Uruzgan. Het is geschreven door een Nederlandse militair.

Voor hem op tafel staat een bruine, kartonnen archiefdoos. Erin zitten harde schijven met witte stickers: ISAF 2005-2010. ISAF is de missie in Afghanistan waaraan Nederland deelnam. Zijn laptop is voor de veiligheid niet verbonden met de buitenwereld; de schijven bevatten staatsgeheime informatie.

Hij sluit een eerste harde schijf aan op de laptop en wacht af.

Empty folder, meldt het scherm.

Zijn opdracht kwam van de top. In Australië is dan net bekend geworden dat militaire elite-eenheden in Afghanistan ervan worden verdacht burgers en krijgsgevangenen tegen het internationaal oorlogsrecht in te hebben gemarteld en gedood. Het geeft onrust in Nederland. Tweede Kamerleden willen weten of Nederlandse militairen wisten dat Australische troepen „strafrechtelijke executies” uitvoerden. Ze werkten nauw samen.

Lees hier over het ‘Abu Graib-moment’ van Australië in Afghanistan

Minister Stef Blok (Buitenlandse Zaken, VVD) belooft het na te gaan. „Niet alleen moeten we met de stofkam door de dossiers gaan”, zegt hij de Tweede Kamer op 26 november 2020 toe, „we moeten ook de betrokken mensen bevragen”. Minister Ank Bijleveld (Defensie, CDA) schrijft dat na het Australische rapport bij het ministerie een melding is binnengekomen, „van een Nederlandse militair die destijds was uitgezonden naar Uruzgan. De melding heeft betrekking op het handelen van Australische en niet van Nederlandse militairen. Momenteel onderzoekt het ministerie deze melding.”

De stofkam dus. Door de archieven. Diepgravend onderzoek. Interviews met betrokkenen. Mogelijke kennis van oorlogsmisdaden. En dan: niets meer. Het blijft stil. Loop de Kamerstukken er maar op na. Niemand komt er ooit nog op terug.

De Afghaan Abdul Jilal vlak na zijn arrestatie. Hij werd door de Nederlanders vrijgelaten. Later is hij gedood. Foto Korps Mariniers

Het verdwenen defensierapport: wat Nederland wist over Australische oorlogsmisdaden
Deze podcast luister je ook in onze app

De melding gaat over één specifieke terechtstelling: een Afghaanse burger zou door de Australiërs in het voorjaar van 2010 zijn gemarteld en vermoord. Meerdere Nederlandse militairen in Uruzgan hebben er destijds tot in detail en met stelligheid over gehoord. Dat blijkt uit onderzoek van NRC op basis van documenten, gesprekken met goed ingevoerde bronnen en informatie van het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH), dat desgevraagd een archief van de Uruzgan-missie raadpleegde. De toedracht van de dood van de Afghaan is publiekelijk nooit beschreven, ook niet in het Australische onderzoeksrapport.

Een Nederlandse militair rapporteert de moord en marteling onmiddellijk in een zogeheten Special Report dat ‘de lijn’ ingaat, digitaal en op papier, en rapporteert er ook mondeling over. Er gebeurt niets mee. Er is geen navraag, het wordt niet doorgegeven, er komt geen onderzoek. Ook dat is volgens juristen tegen het internationale oorlogsrecht (zie kader).

In de jaren erna blijft het stil, tot dus in 2020 die melding op het ministerie van Defensie in Den Haag binnenkomt, na het Australische rapport. Daar moet het ministerie van Defensie iets mee. De directeur Evaluatie gaat na de belofte van de ministers aan de Tweede Kamer met een klein team op onderzoek. Ze stuiten volgens bronnen op niet werkende harde schijven, schijven met porno, ontbrekende documenten en leidinggevenden die zich niets meer kunnen herinneren van een mogelijke oorlogsmisdaad.

Het rapport is nog altijd zoek.

Codenaam Hammer

Op 17 april 2010, de papaver moet nog worden geoogst, gaan vijf Nederlandse militaire voertuigen vanaf een buitenpost in de Afghaanse Dehrafshan-vallei op weg om een eenheid te bevoorraden. Het is onderdeel van een operatie om in dit onrustige deel in de provincie Uruzgan grip te krijgen op de vele opstandelingen, hun logistiek en netwerken. Speciale aandacht gaat uit naar het vinden en oppakken van plaatselijke bommenmakers.

Het eind van de missie is dan al in zicht. In Nederland is het kabinet op 20 februari gevallen over de Uruzgan-missie, die in 2006 is begonnen. Met name het CDA had de missie willen verlengen, de PvdA zag dat niet zitten. Besloten werd dat de missie op 10 augustus zou ophouden. De militairen in de vallei maken deel uit van de laatste lichting.

Niet ver vanaf de buitenpost gaat het mis. Het tweede voertuig in de colonne, een Viking, stuit met een rupsband op een ontsteking, de geïmproviseerde bom (IED) explodeert, het voertuig vliegt in brand. Korporaal der mariniers Jeroen Houweling (29) en marinier Marc Harders (23) overleven de aanslag niet. Een derde marinier raakt zwaargewond.

De afscheidsceremonie op Kamp Holland op 19 april is indrukwekkend. Na een herdenkingsdienst in een hangar brengen naaste collega’s de kisten in een jeep naar het vliegtuig. Honderden Nederlandse, Australische, Amerikaanse en Afghaanse militairen vormen een erehaag. Het vliegtuig brengt de omgekomen mariniers naar Nederland.

Ceremonie voor de twee omgekomen mariniers in Kamp Holland, 19 april 2010. Foto Bas Czerwinski

De mariniers zijn vastberaden de bommenmaker te vinden. Ze hoeven niet lang te wachten. Snel na de aanslag krijgt de inlichtingenofficier van de mariniers een tip van de Australische special forces. De hoofdverdachte zou een bekende zijn die al langer op de coalitielijst staat van te vangen of te doden doelwitten. Hij geldt als een ‘IED-facilitator’ van de Taliban.

Hammer is zijn codenaam, objective Hammer.

Het doelwit bevindt zich volgens de Australiërs in zijn huis niet ver van de buitenpost. De Nederlandse mariniers mogen hem op woensdag 21 april zelf oppakken, met hulp van Afghaanse regeringstroepen.

De Nederlandse mariniers leveren de Afghaan volgens protocol op Kamp Holland af, bij de Nederlandse militaire inlichtingeneenheid Jistarc (voluit: Joint Intelligence, Surveillance, Target Acquisition & Reconnaissance Commando). Medewerkers van deze eenheid verzamelen zelf informatie en werven en spreken lokale bronnen. Ook mogen ze als enige de gevangenen verhoren, zo’n tien per week. Ze zoeken uit of iemand heeft gedaan waarvan hij wordt beschuldigd, of dat hij wel echt de beruchte Talibanleider is. Voor veruit de meeste gevangenen – zeg, negen van de tien – is het antwoord bevestigend. Die worden overgedragen aan de Afghaanse autoriteiten.

Lees hier hoe Nederlandse militairen inlichtingen verzamelden in Afghanistan

De inlichtingenofficieren mogen de man die de mariniers hebben binnengebracht maximaal 96 uur verhoren; voldoende tijd om het bewijs na te lopen dat door de Nederlandse mariniers en later ook door Australiërs wordt geleverd. Er zijn foto’s van het huis van de man, er zouden 107 millimeter-granaten in de bomen in zijn tuin zijn gevonden en roestige AK-47’s.

De verhoorders hebben al snel twijfels. Is het mogelijk dat deze man die voor hen zit alleen dezelfde náám draagt als het bekende doelwit, zoals zo veel mannen met deze naam in deze vallei? Kan het zijn dat hij is verraden door een naaste die op zijn grond aast? Ook dat is een gangbare praktijk. En als hij zo’n bekend doelwit zou zijn, waarom is er dan geen dossier van hem met een foto, vingerafdrukken of andere informatie?

Het team verhoort de gevangene, doet eigen onderzoek, maakt een tijdlijn en een ruimtelijke reconstructie van zijn huis en tuin. Ook spreken ze met eigen, lokale bronnen, die ze al lang kennen en betrouwbaar achten.

Hoe meer ze te weten komen, hoe meer ze ervan overtuigd raken dat deze man niet de bommenmaker is die ze zoeken. Dat hij onschuldig is. Bronnen vertellen hun dat de man ruzie heeft met de broers van zijn moeder en dat die hem proberen zwart te maken. De man gebruikt dierlijke mest, geen kunstmest waarvan het nitraat ook voor bommen geschikt is. Een delegatie uit het dorp komt naar Kamp Holland om te vertellen dat ze echt de verkeerde te pakken hebben. Dat gebeurt zelden. In een zo onrustig gebied houden dorpsgenoten zich doorgaans stil.

De man voor hen is niet Hammer maar een onschuldige lokale boer met toevallig dezelfde, veel voorkomende naam, is de stellige conclusie van de militaire inlichtingeneenheid. Hij is eind twintig, niet zo groot. Abdul Jalil is zijn naam, bevestigt het NIMH. Hij is jong getrouwd en heeft twee kleine kinderen, peuters nog. Oorspronkelijk komt hij uit Kandahar.

De vijf 107 mm-granaten die zijn gevonden in een holte van een boom? Onmogelijk, ziet het verhoorteam. De verdachte zegt recent boompjes te hebben geplant – sprietjes nog. Uit eigen onderzoek van het team blijkt dat te kloppen. Er kunnen onmogelijk granaten van die grootte in de bomen verborgen zijn geweest.

Militairen op zoek naar een wapenopslagplaats in de woestijn in het district Chora. Foto Bas Czerwinski

Zo gaat het door. Telkens als belastend materiaal niet deugdelijk blijkt, komen de Australiërs met nieuw bewijs aandragen. Soms slordig afgeleverd, in een juten zak. De Nederlandse mariniers houden zich afzijdig.

Na 96 uur laten de verhoorders Abdul Jalil vrij, op 25 april 2010. Het betekent dat hij onschuldig is verklaard en niet hoeft te worden overgedragen aan de Afghaanse autoriteiten. Hij mag gewoon weer naar huis. Zijn dorpsgenoten komen hem direct opzoeken en feliciteren, volgens een verslag uit die tijd.

De Australiërs blijven overtuigd van „de identiteit en schuld van Jalil/Hammer”, volgens het NIMH. Ook veel Nederlandse mariniers denken dat een schuldige man ten onrechte vrijuit is gegaan, vertellen meerdere bronnen nu. Het zorgt voor spanningen op Kamp Holland tussen de mariniers en de inlichtingenofficieren.

Gemarteld en vermoord

Abdul Jalil leeft na zijn vrijlating niet lang meer. De Australiërs doden hem. De officiële lezing in verslagen uit die tijd luidt: op 10 mei, in de avond, op basis van nieuwe informatie. De militairen wilden hem arresteren, hij verzette zich, het kon niet anders, ze móesten hem wel doden. In een persbericht van het Australische ministerie van Defensie op 17 mei 2010 wordt overigens een ander verantwoordelijk gehouden voor de aanslag: „De Talibanleider die verantwoordelijk wordt gehouden voor de IED die op 17 april twee Nederlandse soldaten om het leven bracht, Abdul Malik is ook omgekomen bij een operatie van de Special Forces.”

Ook veel mariniers denken dat de schuldige man ten onrechte vrijuit is gegaan

Volgens Australische bronnen is dit daadwerkelijk een andere persoon dan Abdul Jalil. Het ministerie in Canberra geeft geen commentaar op vragen over inlichtingen of het selecteren van doelwitten. Wel mailt een woordvoerder dat „defensie geen meldingen heeft gevonden met beschuldigingen over schendingen van het internationaal humanitair recht”.

Op Kamp Holland leidt de dood van Jalil tot nieuwe spanningen, nu zijn de Nederlandse inlichtingenofficieren woedend. Hoe heeft dit kunnen gebeuren? Waarom wisten de Australiërs niet dat Jalil een onschuldige burger was? Had de Nederlandse inlichtingenliaison die als taak heeft te zorgen dat de Nederlanders en de Australiërs elkaar niet in de weg lopen, dit niet moeten voorkomen? In het verhoorteam heerst verslagenheid. Hadden ze het zélf actiever bekend moeten maken?

En dan bereiken er geluiden over de toedracht van de dood van Jalil het kamp. Meerdere lokale bronnen vertellen dat de Australiërs Jalil gemarteld en vermoord hebben. Één betrouwbare bron komt zelfs tot in detail vertellen hóe dat ging. Jalil is volgens die bron voor de ogen van zijn familieleden uit zijn huis gehaald en op de binnenplaats van zijn huis door de Australiërs gemarteld en vermoord.

Meerdere lokale bronnen vertellen dat de Australiërs Jilal hebben gemarteld en vermoord

Zijn mondhoeken zijn opengesneden.

Zijn tong is uit zijn mond gehaald.

Een kogel doorboorde zijn achterhoofd.

Een van de inlichtingenofficieren schrijft meteen een rapport over de gemelde marteling. In dit Special Report legt hij vast hoe het zou zijn gegaan. De mondhoeken, de tong, de kogel, het staat er volgens meerdere bronnen allemaal in. Het rapport gaat in een eigen digitaal systeem, waarmee het ook belandt bij de MIVD. Later eindigt het op een harde schijf.

Er gaat volgens bronnen een papieren exemplaar naar het inlichtingenhoofd én een exemplaar belandt op het bureau van de Nederlandse commandant van de Task Force Uruzgan.

Dan gaat het leven op Kamp Holland verder. De missie gaat door, er is elke dag wel wat. De Nederlanders zijn ook druk bezig hun geplande vertrek uit Uruzgan te regelen.

Jarenlang dragen de Jistarc-leden het voorval met zich mee. Totdat in 2020 het Australische onderzoeksrapport verschijnt en bekend wordt dat martelingen en het „negeren en het verdraaien van de regels” door de Australiërs praktijk was. Het rapport beschrijft hoe de elite-eenheden wapens neerlegden op door hen omgebrachte burgers om te doen alsof die gewapend waren. Jonge militairen moesten als ontgroeningsritueel gevangen Afghanen executeren.

Het hoofd van de Australische krijgsmacht biedt „zonder terughoudendheid excuses aan voor misdaden door Australische soldaten”.

Zoektocht zonder resultaat

De kolonel der mariniers die de melding moet nalopen op het ministerie van Defensie in Den Haag is Olivier Loos. Hij was al bezig de Nederlandse samenwerking met de Australiërs in Uruzgan in kaart te brengen. Deze melding past daar mooi bij.

Loos spreekt met de melder en een collega van de man en gaat aan de slag. Hij acht de melding geloofwaardig. Het lijkt een eenvoudige klus. Er is een melder, er zijn mensen die ervan weten, er staat iets beschreven in een rapport dat digitaal en fysiek verspreid is. In een missie verzamelt een war diarist alle documenten. Betrokkenen zouden erover moeten kunnen vertellen.

De praktijk blijkt anders.

Harde schijven werken niet meer, hebben verouderde aansluitingen, of zogenaamd lege mappen of zijn enkel met kunstgrepen te ontsluiten.

Op de schijven die wel werken, leveren zoekslagen op trefwoord niets op. Hij zoekt op Special Report, op Special Intell Report, op variaties erop. Afghaanse namen kennen tal van spellingen. Ook ‘Hammer’ geeft geen resultaat.

Als het archief in Rijswijk door corona vaker gesloten is, maakt Loos kopieën die hij in de weekenden en avonduren in zijn eigen kantoor op het ministerie doorzoekt. Eveneens zonder resultaat.

Pas na maanden hoort hij dat hij voor de juiste harde schijven helemaal niet in Rijswijk moet zijn. Het Jistarc-archief is opgeslagen in een kluis bij de Directie Operaties. Die bevindt zich op zijn eigen gang op het ministerie, één deur van hem verwijderd. Hij vindt in de kluis een veelbelovende schijf. Ook die is moeilijk doorzoekbaar. Als die uiteindelijk door een computerdeskundige is gekraakt, onthult die 120.000 documenten. Over de Bosnië-missie.

Aan een zoektocht naar een papieren exemplaar van het alarmerende rapport begint hij niet eens. Een archivaris in Rijswijk wijst hem op een dag op een enorme kast aan de wand met meters aan dossiermappen. „Waar zal ik beginnen?”, vraagt Loos. „Linksboven”, zegt de archivaris. Er is geen beginnen aan, denkt Loos en hij laat de papierberg voor wat die is.

Ook telefoontjes leveren niets op.

Een zandstorm bij Kamp Holland, in 2010.
Foto Valerie Kuyper / ANP
Beveiliging aan de buitenpoort van Kamp Holland, 2010.

Foto Bas Czerwinski
Beveiliging aan de buitenpoort van Kamp Holland en Een zandstorm bij Kamp Holland, in 2010.
Foto’s Foto Valerie Kuyper / ANP en Bas Czerwinski

De militaire inlichtingendienst MIVD zegt het rapport niet te kennen. Het inlichtingenhoofd die het rapport moet hebben ontvangen ook niet. De toenmalige commandant van Task Force Uruzgan, Kees van den Heuvel evenmin. „Ik heb zo’n rapport nooit gezien, weet niet eens of het bestaat”, zegt hij nu tegen NRC.

Van den Heuvel was na de dood van Jalil van 13 tot 26 mei met verlof in Nederland, vertelt hij. In theorie kan het rapport net in die periode zijn afgeleverd op zijn kantoor, waar zijn toenmalige plaatsvervanger Bas Brust zat. Brust laat vanuit de VS weten het rapport evenmin te kennen. Was dat wel het geval geweest, dan had hij dit naar zijn zeggen direct gemeld aan onder meer de Australische legerleiding en „dit op z’n minst aan Kees van den Heuvel hebben gebrieft bij terugkomst in Uruzgan.”

Van den Heuvel, inmiddels met pre-pensioen, zegt iets vergelijkbaars. „Als ik een dergelijk rapport had ontvangen, had ik zeker actie ondernomen. Dan had ik de leiding in Den Haag geïnformeerd en was er een onderzoek gekomen. Dit is zo’n gevoelig onderwerp.”

Het inlichtingenhoofd die het tweede exemplaar zou hebben ontvangen en door NRC vijf dagen voor publicatie om een reactie wordt gevraagd, zegt „op zo’n korte termijn niet in staat te zijn tot een gesprek”. Via een woordvoerder laat hij weten het rapport niet te kennen.

De minister, de secretaris-generaal, de militaire top, iedereen blijft steeds van de zoektocht op de hoogte. Maar die duurt niet lang. Na een maand of drie, in februari 2021, geeft Loos het op, tot zijn „professionele frustratie”.

Hij zet wel aan tot een betere digitale archivering en doorzoekbaarheid van het hele Afghanistanarchief, daar komt een budget voor van acht ton. Als dat afgerond is, kan het rapport misschien wél worden gevonden.

Naar zijn gevoel heeft Loos er alles aan gedaan het rapport te vinden. Toch is het de vraag of dit het grondige onderzoek is dat Blok de Tweede Kamer beloofde, naar wetenschap over een oorlogsmisdaad. Niet alle harde schijven zijn volledig doorzocht. Loos heeft naar één papieren exemplaar gezocht terwijl er twee in omloop moeten zijn. Er is ook niet gezocht naar documenten waarin mogelijk naar het rapport wordt verwezen. Zo moet er een verslag zijn over het gesprek tussen de inlichtingenofficieren en de Afghaanse bron die de marteling en moord tot in detail beschreef. Dat verslag biedt mogelijk aanknopingspunten voor het vinden van het rapport, zoals een datum.

Lang niet alle betrokkenen zijn gebeld. Loos spreekt met twee van de tien officieren van het toenmalige inlichtingenteam, ondanks zijn „indruk dat het hele team op de hoogte is van het rapport”. Ook de mariniers zijn niet bevraagd. En pas na vragen van NRC, in de week voor publicatie, heeft Defensie navraag gedaan in Australië en in de Verenigde Staten.

Het onderzoek is formeel nooit afgesloten, volgens Defensie, maar naar het rapport wordt sinds februari 2021 niet meer gezocht. De Kamerleden van SP en D66 die wilden weten of Nederlandse militairen van de Australische misdaden wisten, vroegen er ook nooit meer naar. Van den Heuvel denkt dat na hernieuwde aandacht het onderzoek wel heropend zou kunnen worden. „Met de oorlog in Oekraïne is er veel publieke aandacht voor mogelijke schendingen van mensenrechten.” Ook Brust hoopt dat de kwestie alsnog wordt opgehelderd: „Het zou goed zijn als het mysterie wordt opgelost en de waarheid boven water komt.”