Nu, nu, nu, nu, zingt alles, en dat is heerlijk

Marjoleine de Vos

Dit is toch echt een vorm van geluk, zeg ik. We zitten bezweet op een rotsblok in een Frans weilandje. Er stroomt een beekje, zon op de gestapelde muur langs de weg. Alles is heerlijk, het lauwe water dat we drinken, het brood met kaas die gerijpt lijkt in een koeievlaai zo hevig als-ie smaakt – heerlijk.

Ik pak mijn telefoon en maak een filmpje van de plekkende zon, de wuivende grassprietjes, het glinsterende water, het mes, de kaas, de man – alles in een beweging die een totaalindruk moet geven.

Maar het filmpje geeft geen totaalindruk, ook al doe ik mijn best om iets van uitzicht en nabijheid tegelijk te vangen, het filmpje is maar een armzalige weergave van de werkelijkheid.

Natuurlijk ontbreken alle andere zintuiglijke ervaringen erop, dat is al zoiets. Je hoort het murmelen van de beek nauwelijks, noch het lichte ruisen van wind, en evenmin de innigheid van de stilte die door die geluiden niet verbroken wordt. Laat staan dat je warmte en koelte voelt, het vrolijke water tegen het gehemelte, de rots waarop je zit, de ontspanning na het klimmen en lopen en het gevoel van kracht en welbehagen – nu ja, enzovoort.

Zelfs de zichtbare ervaring is niet die van het filmpje. Hoe je als het ware tegelijkertijd de weg met zijn zon ziet én de verlichte grashalmen én het bruggetje beneden, én een mier die over een steen klautert. En dan nog de lucht erboven. Het heel nabije tegen de achtergrond van het wat verdere, of andersom: het wat verdere gezien vanuit het nabije.

Zo kijk je niet alleen zittend in een weilandje, maar sowieso, ook naar je leven, peins ik. Ik denk even aan de psalmen waarin tot God wordt gezegd dat hij de tijd zo anders ziet dan wij – ‘duizend jaren zijn in uw ogen als de dag van gisteren die voorbij is’. En wij, wij zijn als het gras ‘dat ontkiemt in de morgen en opschiet,/ en ’s avonds verwelkt en verdort’.

Foto LARS JOHANSSON

Maar nu zit ik hier en ik verwelk en verdor niet en dat gras dat daar staat te trillen evenmin en al de kleine schepseltjes die erdoorheen kruipen of die boven mijn hoofd tierelieren zijn ook niet aan het verdorren, die zijn aan het leven. Volop. Nu, nu, nu, nu, zingt het allemaal en dat is heerlijk.

Je komt er nooit echt uit, hoe al die verschillende momenten zich verhouden tot elkaar, tot het geheel en tot jezelf. Waarom is het zo plezierig om helemaal ontheven te zijn van het verdere en grotere en niets anders te zijn dan een levend lichaam op een steen in een weilandje? Met een boterham met kaas? Iedereen kent dat geluk, dat het geluk is van het volkomen welbehagen – het geluk van het lichaam. Even doet je hoofd niet mee, hoewel, ik zit daar toch meteen alweer aan de tijd en de psalmen en het nabije en het veraffe te denken, en som onmachtig voor mezelf op wat ik zie en hoor.

Er zijn totaal andere momenten die nu zinloos en onaantrekkelijk lijken waarop je net zozeer op je plaats bent, momenten met een mooi pak aan in een zaaltje (oh, bah, een zááltje), of vrolijk zwetsend met een borrel in je hand. Zo niets te zeggen heb je over je eigen sensaties, het woord ‘voorkeuren’ lijkt helemaal nergens op te slaan want alles bestaat zo los van elkaar. Waar is dat zogenaamde geheel?

En nu, terwijl ik dit schrijf, is het alweer twee weken later. Ik denk aan hoe het was ‘terwijl herinnering met zich doet wat zij wil’ (Hans Faverey). Het moment heeft een plaats ingenomen, in wat misschien geen geheel is, maar wat toch in al die momenten je leven is.