Opinie

De vijfde emigratiegolf van Russische schrijvers

Michel Krielaars

In de Dominicuskerk in Amsterdam kwamen zondag op uitnodiging van boekhandel Pegasus zo’n hondervijftig slavisten van alle leeftijden bijeen. Niet dat ze zich zorgen maakten over de staat van de Russische literatuur, die volgens sommigen gecanceld dreigt te worden vanwege de oorlog in Oekraïne. Evenmin keken ze uit naar nieuw talent dat mogelijk door die oorlog aan de klauwen van het Kremlin was ontkomen om als een Mariaverschijning in de schoot van de heilige Dominicus te belanden.

Nee, het ging over de schrijvers van de jaren twintig van de vorige eeuw, zoals Anatoli Mariëngof, Daniil Charms, Velimir Chlebnikov en Isaak Babel. Ook viel de naam van ene Konstantin Vaginov, die me zo interesseerde dat ik hem opzocht in A History of Russian Literature van Andrew Kahn en consorten. Die Vaginov (1899-1934) blijkt twee bijzondere romans te hebben gepubliceerd over jonge intellectuelen die de revolutie van 1917 en de burgeroorlog niet kunnen bevatten. Een van die romans heet Het lied van de geit (1928) en is een tragikomisch verhaal, waarin geiten de intellectuelen symboliseren die door de bolsjewieken worden verpletterd. Vaginov zou dat lot ongetwijfeld hebben gedeeld als hij aan het begin van de Stalin-terreur niet aan tbc was overleden. Zijn boeken verschenen pas weer vanaf de jaren zeventig, eerst in het Westen en vanaf eind jaren tachtig ook in zijn geboorteland.

Nu miljoenen Russen uit protest tegen de oorlog in Oekraïne hun land hebben verlaten, is sprake van een vijfde emigratiegolf sinds de revolutie van 1917. Ook het Russische literaire leven heeft zich op die golf verplaatst van Moskou en Sint-Petersburg naar Berlijn, Jerevan, Tbilisi, Tel Aviv, New York, Istanbul en Amsterdam. In die laatste stad woont sinds kort de schrijver Maxim Osipov. Bij hem en zijn uitgever is nu het idee opgekomen om een exil-uitgeverij op te richten en bloemlezingen voor die ballingen te publiceren. Het blijft voorlopig bij een plan, want eerst moet het geld nog op tafel komen. Maar als het lukt zou het mooi zijn. Het doet me ergens denken aan de dagen, een eeuw geleden, waarin Vladimir Nabokov in Berlijn zijn eerste drie Russische romans publiceerde.

Thuisgekomen sloeg ik de geweldige tweedelige Russische Literatuurgeschiedenis van Willem Weststeijn erop na. Het werk is een snoepwinkel met artikelen over de meest uiteenlopende schrijvers en thema’s uit de Russische literatuur, die hij de afgelopen decennia in kranten en tijdschriften publiceerde. Urenlang las ik erin, op zoek naar schrijvers uit die vier eerdere emigratiegolven. En toen stuitte ik ineens op jonkheer William Karl Siewertsz van Reesema. In 1909 was hij lid van de communistische partij geworden en in 1924 naar Moskou geëmigreerd, waar hij voor de Komintern ging werken. Hij trouwde er met een telg uit een beroemd Russisch vorstengeslacht, met wie hij in 1934 een zoon, Jan William, kreeg. Die zoon leeft nog altijd. Sinds 1990 publiceert hij met enige regelmaat gedichtenbundels onder de naam Aleksandr Argoetinski-Dolgoroeki.

Als zijn vader William Karl het werk van Stalin niet zat te vertalen, legde hij dossiers aan van Nederlandse kameraden in Moskou. Op grond van die informatie werden zij tijdens de Stalin-terreur gearresteerd en geëxecuteerd. In 1949 stierf hij zelf aan een hartaanval. Zijn zoon belandde in een weeshuis. Ik zou er een roman over kunnen schrijven.